Dodeneiland beschrijft de vaste wandeling die Baur en Bindschädler, twee oude mannen,
vrienden uit hun tijd in het leger, maken naar de rand van de stad. Baur praat aan één stuk
door – heen en weer laverend tussen verleden en heden, oppervlakkige observaties en diepe
inzichten – terwijl Bindschädler luistert, observeert en nadenkt.

Peter Swanborn in de Volkskrant: De Zwitserse schrijver Gerhard Meier (1917-2008) hield niet van plots. Hij zag een roman eerder als een tapijt: ‘De motieven zijn de generaties, de families, de schering is de landstreek, de tijd.’ Voor het eerst is er nu een roman uit zijn omvangrijke oeuvre vertaald, Dodeneiland, oorspronkelijk verschenen in 1979.

Twee oudere mannen, Baur en Bindschädler, voormalige dienstmakkers, lopen langs de rivier die door het plaatsje Amrain voert. Baur praat continu, over het ochtendlicht in november, over ‘de zuster van de schoon­zuster van de vrouw van de cavaleriemajoor’, over de bloemenweides met kersenbomen. Bindschädler luistert vooral, denkt er het zijne van, vult zo nu en dan aan.

Meier maakt het de lezer niet gemakkelijk met zijn ogenschijnlijke gebrek aan logica. Waar wil Baur naartoe met zijn weefsel van verhalen? Wie zich overgeeft aan het ritme, ziet echter dat dit proza meandert als de ­rivier die er zo’n grote rol in speelt. Tegelijk is het heel zintuiglijk proza. De optocht van mestkarren, het koken van sparrenbomen, je ziet alles voor je. Baur noemt zichzelf met recht een ‘ogenmens’. 

Roderik Six geeft **** aan Dodeneiland in Focus Knack: ‘Twee oude mannen wandelen langs een rivier. In hun kielzog: de dood. Maar zolang ze praten, leven ze nog, ook al naderen ze met rasse schreden het Dodeneiland.’ 

https://focus.knack.be/entertainment/boeken-strips/dit-boek-vol-levenslust-en-doodsverlangen-bereidt-u-nu-al-voor-op-de-herfst/article-review-1496397.html?cookie_check=1566811046

Laurent de Maertaer op Mappalibri: ‘Op een frisse nazomerdag in november flaneren twee oude vrienden door hun ingeslapen provinciestadje. Ze pikken in op wat ze zien in hun directe omgeving en bespreken al slenterend de meest uiteenlopende onderwerpen, maar het epicentrum waarrond al hun gedachten cirkelen is de dood. De imponerende elegie Dodeneiland van Gerhard Meier is een fraaie, herontdekte klassieker van het modernisme, geschreven in een zeldzaam bezwerend en elegant proza.’

http://mappalibri.be/?navigatieid=61&via_navigatieid=17&recensieid=8224

Elisabeth Francet op geendagzonderboeken.nl: ‘De grondgedachte, de grondtoon, reeds aangekondigd in de openingszinnen, ontwikkelt zich tot een chef d’oeuvre. Bij aanvang van de wandeling heeft Baurs verhaal veel weg van een impressionistische aquarel; gaandeweg neemt het de vorm aan van een handgeweven tapijt, met schering en inslag en terugkerende motieven; uiteindelijk krijgt het de allure van een symfonie, waarbij de heren hun woorden als muziekinstrumenten op elkaar afstemmen. De enige standvastige motieven zijn de bomen: zij overleven alles en iedereen. De rest komt aanwaaien, dwarrelt neer, vliegt weer weg.

Wat mij betreft: boek van het jaar!’

https://geendagzonderboek.com/2019/08/14/aquarel-tapijt-symfonie/ 

‘Van Robert Walser heeft hij geleerd hoe je het kleine en onopvallende betovert, bij Marcel Proust en Claude Simon zag hij hoe je het epische proporties geeft.’ Der Tagesspiegel

‘Bindschädler, op je derde, vierde, vijfde voed je je met de beelden en gedachten die je mee hebt gekregen voor de rest van je leven. – Op je drie-, vier-, vijfenzestigste loop je langs een rivier, ’s zaterdags, roept die uit tot een Amerikaanse rivier, ervaart de grijze, oranje en gele tinten als indiaanse tinten en hallucineert er een kano op met daarin de laatste der Mohikanen, getooid met twee, drie bonte veren. En je begrijpt, kijkend naar de eikenbomen langs de rivier, dat de Germanen eiken vereerden. En je kijkt terug op tientallen jaren vervulde burgerplichten’, Baur struikelde, ‘dat wil zeggen, op tientallen jaren waarin je bijvoorbeeld schoenen produceerde, geweren, bakstenen, waarin je dakpannen maakte, fietsen, auto’s, tv’s enzovoort, of je op een andere manier nuttig maakte, altijd erop gespitst het begin en einde van je werkdagen stipt in acht te nemen, vooral het begin ervan. En je herinnert je hoe je al die jaren hebt geprobeerd lijf en leden schoon te houden, het vuil dat van binnenuit komt, maar ook dat van buitenaf komt, van de straat bijvoorbeeld, van de draaibank, van de jam, weg te poetsen, ook het vuil tussen je tenen en meer van dergelijke plekken. En je denkt aan de eau de cologne die je in je linkerhand sprenkelde om er je voorhoofd, je nek, je hals, je wangen mee in te wrijven. En je denkt aan de eau de cologne die je in je rechterhand sprenkelde om er je wangen, je hals, je nek, je voorhoofd mee in te wrijven. Je ziet de kleren voor je, de vele kleren die je in al die jaren aanschafte; vooral de broeken zie je voor je, en daarvan weer met name de broekspijpen, die niet te lang mochten zijn, niet te krap of te wijd; maar ook de jasjes moesten aan bepaalde voorwaarden voldoen; ze moesten bijvoorbeeld van voren absoluut twee, en niet drie knopen of zo hebben, ze moesten voldoende bewegingsvrijheid bieden aan de ellebogen, en ze moesten bij voorkeur voorzien zijn van zakken met kleppen, net als de jassen, jassen van gabardine of met een visgraatmotief, en dat dan ook herinneringen aan paraplu’s zich opdringen (de nieuwste overigens automatisch openklappend), hoeden, alpinopetten en natuurlijk vooral schoenen, die je door hun geur, hun kleur (vooral de kastanjebruine), hun vorm, altijd weer fascineerden, spreekt eigenlijk vanzelf. En je denkt aan de banden die je bent aangegaan met het tedere geslacht, dat wil zeggen met een heel bepaalde vertegenwoordigster van dat tedere geslacht. En je verbaast je erover dat zo’n band tientallen jaren standhoudt, wat toch onmogelijk je eigen verdienste kan zijn (waarbij dat van dat tedere geslacht eerlijk gezegd een farce is). En je ziet de kinderen voor je die aan die band zijn ontsproten, je zoon bijvoorbeeld, als vier- of vijfjarig jongetje aan het einde van de zomer, de nazomer of de herfst, hoe blij hij is met wegrollende aardappels, hoe hij ze opstapelt alsof hij ze telt, of je ziet een van je dochters als drie-, vier-, vijfjarig meisje voor je, wortels uitgravend op het tracé van de lokale spoorlijn van Amrain, tussen de rails dus, waar ze alleen vandaan te krijgen was door de dreigementen van haar speelkameraadjes dat ze de politie erbij zouden halen,’ zei Baur; hij bleef staan, keek drie meeuwen na die stroomopwaarts vlogen, op eikenboomhoogte ongeveer, die landden, zich mee lieten voeren en probeerden hun blik strak op de loop van de rivier gevestigd te houden.

‘Dat alles herinner je je, Bindschädler, om nog maar te zwijgen van de orgasmen, die het leven bekronen als de veren het hoofd van de laatste der Mohikanen,’ zei Baur, zijn linkerhiel opheffend (ter plekke), weer neerzettend, opheffend enzovoort, met een uitdrukking op zijn gezicht die leek te wijzen op ingespannen zintuigen.

In de verte botsten treinstellen tegen elkaar. Op de rivier dreven de meeuwen voorbij. Een windvlaag voerde uitlaatgassen aan. We liepen verder.

‘We maakten de slootkanten vrij,’ zei Baur, ‘die wilden we omploegen, er compostaarde uitstrooien. De bomen, althans die nog bladeren droegen, het grootste deel van hun bladeren, stonden er als fakkels bij, vooral de kersen- en perenbomen natuurlijk. Het liep tegen de avond. Soms trilden de bladeren van de kersenbomen allemaal tegelijk, als op commando, om dan weer even eendrachtig in een soort van roerloosheid te vervallen. Je moet weten, Bindschädler, ik ben een ogenmens: de stammen en takken waren zwart, vooral de stammen van de kersenbomen, ze leken op fakkels op zwarte sokkels, zo nu en dan voorbijgevlogen of zelfs omzwermd door kraaien, waarbij op hun zwartheid wijzen hier een overbodige precisering zou betekenen, want kraaien zijn nu eenmaal zwart. Maar wanneer ze, die kraaien, te vaak en in ongewone hoeveelheden optreden, voel ik me ongemakkelijk, kraaien schijnen soms te worden vereenzelvigd met naderend onheil, wat eerlijk gezegd bijna aan bijgeloof grenst, dat van die kraaien en dat onheil. Maar toen mijn vrouw en ik dus onlangs in de tuin aan het werk waren, hoorden we stemmen opklinken aan de oostkant van het huis, ik had nog etudes van Chopin of zo in gedachten, want het wonderlijke ritselen van de bladeren deed denken aan pianomuziek, en waarom dan niet meteen die van Chopin, wiens muziek werkelijk doordrenkt lijkt met Poolse en Galicische herfsten, met fakkels op zwarte sokkels, waarvan de omtrek – wie weet waarom – lijkt te trillen, om dan weer roerloos het licht te omsluiten dat door kraaien wordt omzwermd. We hoorden dus stemmen aan de oostzijde van het huis, liepen ze tegemoet en stonden plotseling voor drie vrouwen, vrouwen met herfstasters. De boeketten die ze droegen waren zo groot dat ze ze met beide armen moesten omklemmen, wat ertoe leidde dat ik in die drie vrouwen peetmoeders zag, met dopelingen in of op hun armen, ingebed in pastelkleurige herfstasters, wat weer associaties wekte met de kunst, namelijk met Picasso’s Vrouw met haan, volgens mij overigens zijn mooiste schilderij, waarbij dat “mooiste” hier misplaatst klinkt, want superlatieven en luidruchtige gebaren zijn eigenlijk niet erg gepast als je je serieus verdiept in schilderijen, teksten of muzikale voortbrengselen,’ zei Baur, opnieuw met een gelaatsuitdrukking alsof hij een of ander geluid probeerde thuis te brengen. Een sportvliegtuigje cirkelde boven de stad en zette de landing in boven het nabijgelegen sportvliegveld. De gevels aan de overliggende oever maakten een classicistische indruk, hadden jugendstilachtige trekjes of droegen de eenvoudige kenmerken van onze tijd. ‘Wat de drie vrouwen met herfstasters van echte peetmoeders onderscheidde, was hun kledij: twee droegen een zwarte jas, één alleen een jack. Bovendien waren ze alle drie heel oud: mijn drie zusters, Julia, Gisela en Johanna. Julia was die met het jack. We begroetten elkaar, nodigden de drie zusters uit binnen te komen in hun ouderlijk huis, namen de jassen van Gisela en Julia aan en gingen om de tafel zitten. Gisela en Johanna vertelden dat ze in Zürich de graven van Hans, Benno, Niklaus, Karl en Ludwig hadden bezocht, gisteren naar Werdenburg waren gereden om langs het graf van Ferdinand te gaan (het graf van Gisela’s man) en nu waren ze naar Amrain gekomen om met Julia het kerkhof van Amrain te bezoeken, waar ze tussen de verse viooltjes op moeders graf een struik winterheide hadden geplant, wat natuurlijk wel een soort van ingreep in de verse beplanting inhield die wij ze hopelijk niet kwalijk wilden nemen. Ze hadden aan de hand van de jaartallen op de steen vastgesteld dat moeder al meer dan honderd jaar geleden was geboren, op het eiland Rügen nog wel (wat mij aan Caspar David Friedrich deed denken, want voor mij vormen het
eiland Rügen, Caspar David Friedrich, mijn moeder en bloeiende luzerne een onverbrekelijke eenheid, al weet ik niet of dat klopt van die luzerne want ik ben nog nooit op het eiland Rügen geweest en heb daar dus ook nooit bloeiende luzerne kunnen zien, wat mij anderzijds geenszins het recht geeft om dat beeld aan te passen), waar ook zij drieën, Gisela, Julia, Johanna zijn geboren, maar ook onze broer Benno. Met pijnlijke ontsteltenis hadden ze vastgesteld dat de grafsteen van vader was geruimd, evenals die van schoonzuster Lina, de eerste vrouw van Philipp, onze op één na oudste broer. Hun gebeente rustte nog op dezelfde plaats, voorlopig althans, zij het dat er nu gras over groeide, dat er geen steen meer stond en er geen bloemen meer lagen. Ze hadden het nieuwe mortuarium bezichtigd, dat het kerkhof eigenlijk had beroofd van zijn dorpse karakter. Vooral de olmen ervoor werden node gemist, de olmen die honderden jaren hun schaduw over de graven hadden geworpen en waarvan de kronen ’s winters door ruige rijp in een gewei veranderden dat toe leek te behoren aan een wezen dat reikhalzend uitzag naar de opwekking van hen die eeuwig sluimerden, zodat hij ze kon leiden naar een plaats zonder schaduwen, zonder winter; wat weer deed denken aan een reproductie die vroeger in de slaapkamer hing en die het Dodeneiland voorstelde, wat niet wil zeggen dat Johanna erg dol was op die reproductie, waarop Gisela opmerkte dat de steen van Ferdinand er nog prachtig bij stond, zonder een spoor van schimmel of mos. Dat gaf mij weer aanleiding om te vermelden dat ik helaas niet meer precies wist wat voor steen er op Ferdinands graf stond. Het bleek te gaan om een grafsteen van zwart marmer, wat het begrijpelijk maakte dat – in tegenstelling tot op kalksteen, of steen uit de Jura – schimmels en mossen er niet op konden gedijen (althans niet op gepolijst marmer). Het verleidde mij ertoe op te merken dat ik het patina van schimmels en mos mooi vond, wat mij op felle tegenspraak kwam te staan, en het verzoek de grafsteen van moeder toch eens schoon te maken.

Bindschädler, op de begraafplaats in Amrain liggen ook een paar van onze familieleden, de Bergers bijvoorbeeld, waarvan er een zijn hele leven heeft gewacht totdat een erfenis uit Engeland zou vrijkomen waardoor hij slechts tijdelijk een baantje als spoorwegarbeider had, en een beetje boerde. Ook mijn neef ligt er, Albert Baur, klokkenmaker van beroep, bij leven klokkenmaker, die één stijf en korter been had, een aangepaste fiets, meestal met een stompje sigaar tussen de lippen, een spottende blik in zijn ogen, die mij tijdens mijn enige bezoek aan hem zijn werkplaats liet zien, ondergebracht in een ruime dakkamer met aan de muren overal tikkende klokken. Neef Albert overleed ten tijde van het vallen van de paardenkastanjes. Later, toen ook zijn vrouw overleed, werd zijn huis overgenomen door een dominee, die het bord boven de deur weghaalde, een emaillen bord waarop in zwarte letters op een witte ondergrond Albert Baur / klokkenmaker stond. Hij schilderde de gevel en schilderde daarmee ook de tekst weg die met grote letters op de zuidkant van het huis stond geschreven en eveneens Albert Baur / klokkenmaker luidde, maar die door slechts weinigen werd gelezen, hooguit door een enkele kerkganger die op de terugweg het steegje naast de kerk nam, of door een paar buren die hem, Albert Bauer, klokkenmaker, zo ook wel kenden. Nu is de gevel met het vrije uitzicht aan de zuidkant grijs geschilderd, netjes, zonder belettering,’ zei Baur, reikend naar een struik. Hij trok er in het voorbijgaan een blad af, zodat de betreffende tak terugzwiepte terwijl het blad in Baurs hand om zijn eigen as draaide, dan weer rechtsom, dan weer linksom. 

‘Ik kan me,’ zei Baur, ‘mijn oudste zuster Gisela maar nauwelijks voorstellen zonder meteen ook haar man, Ferdinand, voor me te zien, die, toen ze samen in Amrain op bezoek kwamen, om mijn huis liep en naar de kersenboom kijkend zei: “Ik laat niet een van mijn kersenbomen meer zo hoog worden. Ik zaag ze allemaal van boven af. Ik wil geen hoge kersenbomen meer.” Die kersenboom overigens, Bindschädler, staat er vandaag de dag nog steeds. De dode takken werden afgezaagd om verder afsterven te voorkomen. De schors van de stam zit vol scheuren, maar wordt regelmatig door een specht op ongedierte geïnspecteerd, achterwaarts van boven naar beneden langs de schors omlaag hippend, steeds weer luisterend, en zo hard met zijn snavel pikkend dat je je zich zorgen maakt om de hersenmassa van de specht. Bindschädler, als ik die boom zo nu en dan bekijk, komt het voor dat mijn zwager Ferdinand zegt: “Ik laat niet een van mijn kersenbomen meer zo hoog worden. Ik zaag ze allemaal van boven af. Ik wil geen hoge kersenbomen meer.” Wat hij vermoedelijk doet vanuit dat rijk hierboven, waar geen schaduwen zijn en waar geen winter is (vrij naar Johanna).

We dronken thee, mijn drie zusters (die hun boeketten beneden op een bank hadden neergelegd), mijn vrouw en ik. We zeiden tegen elkaar, het is nu eenmaal de tijd van de doden, strikt genomen zijn het de eerste en de tweede november waarop men de doden in het bijzonder herdenkt, ze op hun begraafplaatsen bezoekt, dat wil zeggen hun graven, die versiert, zelfs van een schaal rijst voorziet, of alleen met wat deegwaren, en op veel plaatsen worden ook kaarsen neergezet of gaan de vrouwen op de graven zitten. Gisela zei dat het haar altijd dwars had gezeten dat Benno, zoals wij wisten, helemaal tegen die muur aangedrukt moest liggen. Het nieuwe kerkhof was toen nog niet klaar, zodat op het oude kerkhof de laatste doden zo dicht mogelijk tegen elkaar moesten worden gelegd. Dat riep bij mij beelden op van mijn broer Benno, zoals hij op voornoemd kerkhof lag opgebaard; en vervolgens als jongeman, zoals ik hem kende van de foto’s, het turnlint om de borst, voorzien van twee, drie onderscheidingen. Toen doemde een turndiploma op, dat een paar maanden eerder per toeval tussen de paperassen tevoorschijn was gekomen en dat hij, Benno, vrij exact een jaar voor mijn geboorte met turnen moet hebben gehaald en dat sindsdien rondslingerde in ons familiehuis, waarin ik, als gezegd, een jaar later ben begonnen met snotteren, schreeuwen, op het potje gaan en met drinken (de moedermelk overigens delend met de dochter van een notaris, een meisje uit Amrain),’ zei Baur. De banden van een auto piepten. Een achteruitrijdende auto kwam tot stilstand. De bestuurder van de knarsende auto klopte met zijn linkerwijsvinger tegen zijn linkerslaap. Het rook naar benzine. ‘Waarom, Bindschädler, heeft men op zijn oude dag die krankzinnige behoefte – achterom te zien of in het verleden te leven, steeds weer die draden in de greep te krijgen die je verbinden met wat vergaan, vervlogen en onmogelijk weer terug te brengen is, wat op de een of andere manier is opgelost, maar toch aanwezig is en niet weg te poetsen? Wat uiteindelijk op een of andere manier met ons de grond ingaat waar het oplost, vervluchtigt of opgaat in het minerale, het stoffelijke, om dan in bloemen, in lelies bijvoorbeeld, in asters, in sneeuwklokjes, vergeet-mij-nietjes weer op te duiken, als hun geur (voor zover ze die wensen af te geven) en zo weer te vervliegen,’ zei Baur. Door de bijna kale bomen kon je de rustig vervlietende Aare zien, haar kleurschakeringen, die ze had overgenomen van de kleuren van de oevers, maar ook van die van de hemel.

Vertaling Marcel Misset
Paperback met flappen, 120 blz.
€ 18,50
ISBN 978 94 923 1366 9

Gerhard Meier