
Onstilbaar
€ 12,50 - € 23,50Prijsklasse: € 12,50 tot € 23,50
- Synopsis
Twee vrouwen arriveren in het afgelegen dorpje Maj om in te trekken bij de ernstig zieke grootmoeder Róża. De grootvader verricht verwoed reparaties aan het vervallen huis, Róża omringt zich wanhopig met alles wat leeft, en de vrouwen zorgen voor haar. Met op de achtergrond het reutelende geluid van een slachthuis en de dreiging van een verschuivende landmassa beleven ze samen een laatste keer de seizoenen.
In spaarzame, zintuiglijke taal schetst de Poolse sterauteur Małgorzata Lebda een gelaagd verhaal over zorg, de onvermijdelijke dood van alles wat leeft, en over de natuur, die idyllisch is en macaber tegelijk. Onstilbaar is een monument voor het leven dat iedereen zal aanspreken die ooit van iemand heeft gehouden of iemand heeft verloren.
- Recensies
‘Onstilbaar leest als een memento mori. De dood is onvermijdelijk, maar dit is een eerbetoon aan het leven.’ Jeroen Bos in FD Persoonlijk
‘Het wemelt van de prachtige, sferische scènes.’ Dieuwertje Mertens in Het Parool
‘Ziekte, leven, dood, mens en natuur: Onstilbaar raakt aan het meest elementaire in de levenscyclus. Lebda voert de poëzie van dat elementaire op in een stoet van indrukken en droombeelden. Onstilbaar is een lof aan dat erbarmen, aan de tedere grootmoeders van de wereld, aan dat koppige licht dat nooit dooft. Alexandra De Vos in De Standaard ****
‘Onstilbaar is prachtig, een van de mooiste boeken die ik de afgelopen tijd heb gelezen. Het is soms gewoon poëzie, door de herhaling, het klankspel en de indrukwekkende zeggingskracht van de beelden. Grote complimenten ook voor vertaler Charlotte Pothuizen die met fijnzinnig gereedschap dit bijzondere Poolse kunstwerk uit de Nederlandse taal heeft gehouwen.’ Dietske Geerlings op Tzum
‘Leven en dood zijn prachtig in balans in deze lyrische roman.’ Olga Tokarczuk
‘Onstilbaar is prachtig, levendig, tijdloos, een roman over een klein plaatsje en een kleine familie als een microkosmos voor de mensheid en de hele wereld op dit specifieke moment in de geschiedenis.’ Sara Baume
‘De ingehouden vorm van Onstilbaar geeft een nieuwe taal aan de pijn van de natuur, en brengt het menselijk lijden en dat van de aarde nog dichter bij elkaar.’ Le Monde
- Fragment
Boskers
Dunaj huilt. En zij zijn er al, zoals ik ze me herinner – hongerig, beweeglijk. Ze blinken alsof hun vleugels zijn overgoten met benzine, ze glinsteren paars, blauw, rood, geel.
De zwerm cirkelt boven het dorp.
Juni heeft veel zon binnengelaten, al aan het begin is het fruit van de kersenbomen zoet.
Opa, die oma’s ziekte mijdt, wie de ceremonies rondom de ziekte vreemd zijn, hij, die niets van de ziekte weten wil, niets in de ziekte wil aanraken, ziet vanaf de veranda toe hoe de spreeuwen de afdaling boven de boomgaard inzetten.
Hij slaat met een metalen staaf tegen een aluminium melkbus. Het dondert ervan in het dal.
Ik sla hem gade. Ook in hem moet het donderen, zijn lichaam beeft, zijn huid lijkt op de huid van de mannen die de Karpatenboog bewonen, denk ik bij mezelf. Brons. Ebbenhout.
De spreeuwen vliegen op, het ziet er zwart van. Terwijl ze boven het huis langs fladderen, werpen ze een schaduw op de vloer van de westelijke kamer, die in de koele maanden verwarmd wordt door een gietijzeren kacheltje.
Even later keren ze terug naar de boomgaard.
Ze zijn koppig.
De volgende klappen op het metaal laat ze nerveus deinen. Het donderen houdt ze in de lucht.
Opa stopt even om te roken. Ze profiteren van de stilte en landen op een wijdvertakte boom. Ze stoppen hun lijfjes vol met het fruit.
Ze hebben al geleerd de stilte te herkennen, zeg ik tegen Ann.
Ja, knikt ze.
Ann is hier klaarheid. Ze interesseert zich voor licht en is het zelf. Vanochtend is ze aangekomen, rechtstreeks in het warme Maj, uit een ver land. De reis zit nog in haar. De geur van elders zit nog in haar: fresia, patchoeli. Ze staat met me op de veranda en laat haar blik wennen aan de vroege zomer.
Haar ogen volgen het licht.
Ann heeft verstand van licht.
Ze onderzoekt licht.
Jaagt op licht.
Orakelt uit licht.
Ik betast met mijn vingers haar decolleté, daar waar sterrenstelsels aan moedervlekken groeien.
Ann zegt: We moeten ze tellen.
Goed, antwoord ik.
Toen ik klein was telde ik oma’s moedervlekken. Ze hield niet veel voor me verborgen. Ze liet me de puntjes tellen die haar rug bedekten, en ook die bij haar borsten. Ze liet mijn blik toe in hoekjes als haar oorschelp of haar elleboogholte.
Jij bent ook van mijn lichaam, zei ze.
We lopen van de veranda naar de westelijke kamer. We horen opa zijn deuntje spelen. Oma observeert de schaduw van de vogelschare. Ze steekt haar magere hand in de lucht, alsof ze iets wil zeggen in de klas.
Daar, zegt ze, en ze wijst naar de kast.
Ze vraagt om er haar zomerjurken uit te halen. Dat verrast me. Normaal draagt ze de pyjama’s die ik voor haar op de markt van het naburige stadje koop, Stary Sad. Ze houdt van mintgroene.
De jurken spreid ik uit op de slaapbank.
Die, fluistert oma.
Ze heeft de bloedrode uitgekozen. Ik neem haar in mijn handen. Het is fluweel.
Breng die naar hem, verzoekt ze me.
Ik doe het zonder tegen te sputteren.
Opa rookt op de veranda de zoveelste Klubowy op, zo noemt hij – uit nostalgie voor wat voorbij is – alle sigaretten, dat heb ik van hem overgenomen. Hij neemt de jurk in zijn handen. Zijn huid haakt aan de stof. Hij ruikt aan het textiel.
Róża, zegt hij.
Ik kijk naar hem. De laatste jaren hebben zijn lichaam uitgedroogd. Zijn blik vlucht steeds vaker, verbergt zich, duikt weg. Hij is niet in staat het kijken vast te houden en te beantwoorden. Ik zou hem sterker willen zien, denk ik.
Hij draait zich om en zegt: Kom mee.
Ik ga.
Hij loopt naar de werkplaats.
Daar slaat hij van hazelaar een soort kruis in elkaar en trekt dat kruis oma’s bloedrode jurk aan. Hij bekijkt zijn werk. Hij doet de vullingen van spons goed, die het object een verbaasde uitdrukking geven, alsof iets levends zijn schouders ophaalt.
Is het wat? vraagt hij.
Zeker, antwoord ik.
Ik weet dat hij mijn zegen nodig heeft. Hier, in deze ziekte, is geen plaats voor bezwaar.
Opa beantwoordt mijn ja-knikken met ja-knikken. Hij pakt de pop beet en gaat met het in de jurk gehulde skelet de boomgaard in. Achter hem, in processie: hond Dunaj en kater Azraël.
Oma slaat ons gade door het raam van de westelijke kamer. Met haar nagels krabt ze de huid op haar wang stuk. Ik ken die reactie. Die doet zich voor als ze iets observeert. Ze is in staat om zich overal te krabben zonder van dat krabben weet te hebben.
Opa zet de ladder tegen de stam van de kersenboom. Ik assisteer. Voorzichtig zet hij zijn voeten op de sporten. Hij bereikt de top. Met draad bevestigt hij de verschrikker aan de takken.
Hongerverschrikker, mompel ik.
Oma’s rode jurk begint in de wind te bewegen. Een windvlaag gaat naar binnen en vult de ruimte waar ooit een warm lichaam zat. Het lijkt wel alsof de jurk tot leven komt.
De geest van de gaard, zeg ik tegen Ann, die zich bij ons aansluit.
Niets heeft zo’n effect als een rode jurk, neuriet ze.
De spreeuwen cirkelen boven de boom.
Weer in de westelijke kamer vraag ik aan oma of ze nog weet dat ze het kledingstuk vorige lente nog heeft gedragen. Er zijn foto’s van.
Ze knikt van ja.
Het rood liet haar grijze haren spreken.
Weet je, zegt ze, de ziekte moet toen al in me hebben gezeten. Kun je je dat voorstellen?
Ik knik van ja.
Met mijn vingertoppen onderzoek ik de wond die ze in haar wang heeft gekrabd.
De rest van de dag lopen we beurtelings naar het raam van de westelijke kamer en kijken in de boomgaard. Het bloedrood van de jurk loopt over in de kersen die in de volle zon rijpen. We zullen de van de spreeuwensnavels geredde vruchten voor oma plukken. Opa zal er zoete jam van maken.
- Details
- Auteur Małgorzata Lebda
- Genre Fictie
- Vertaling Charlotte Pothuizen
- Aantal bladzijden 216
- NUR-code 302
- Uitvoering Paperback met flappen, E-book
- Verschijningsdatum 7 mei 2026
- ISBN 9789083651286




