
Lange golven
€ 24,50
- Synopsis
Dicht bij de kust ligt het eiland: onbewoond, ruig, met enkel een door stormen geteisterde vuurtoren als schuilplaats. Ori werd daar als klein kind gevonden met niets dan een handvol stenen; zonder herinneringen en zonder moeder. Wanneer ze zelf een baby krijgt beginnen de slapeloze nachten haar grip op de werkelijkheid te verstoren. Jaren eerder, op een snikhete zomerdag, ziet de tienjarige Ruth een vrouw met haar kind de rivier in lopen en verdwijnen. Niemand anders heeft het gezien, en in het water loopt het spoor dood.
Met haar kenmerkende Shirley Jacksonachtige proza rekt Daisy Johnson de grenzen van de werkelijkheid op en geeft haar een mythische lading. Lange golven is een bezwerende roman waarin niets is wat het lijkt en waarin slechts een eiland mogelijk verlossing biedt.
- Recensies
‘Johnson is weergaloos in het scheppen van sinistere sferen en eigenzinnige, volstrekt onvoorspelbare personages. Lange golven wordt een hypnotiserende roman die de grenzen opzoekt tussen mens en mythe. Een pageturner zoals wij die graag lezen: spannend en ontregelend, diepgravend en mysterieus.’ De Tijd
‘Daisy Johnsons beste roman in een al spectaculaire carrière. Hoopvol, tragisch, mooi, meeslepend, aangrijpend. Een uitzonderlijke prestatie – zo diepgaand, maar ook zo’n pageturner!’ Jeff VanderMeer
‘Johnsons beheersing van de taal is ronduit verbluffend. Ze gaat dieper dan ooit in haar analyse van liefde, angst en loslaten, en heeft daarmee een boek gemaakt dat lezers nog lang na de laatste pagina’s zal bijblijven.’ The Guardian
‘Een hypnotiserende, adembenemend mooie roman… Een intens emotioneel en beklemmend caleidoscopisch portret van een verscheurd gezin.’ Mail on Sunday
‘Johnson schrijft met een ongetemde verbeeldingskracht. Ze is weergaloos in het scheppen van een sinistere sfeer en eigenzinnige, volstrekt onvoorspelbare personages.’ De Tijd
‘Daisy Johnson is een van de beste schrijvers van dit land…een fenomenale stilist.’ Max Porter
‘De verhalen in haar debuutbundel behoren nu al tot de beste van deze tijd.’ Rob van Essen in NRC
‘Nee, het is geen toeval dat Daisy Johnson op de shortlist van de Man Booker Prize stond. In haar debuutbundel Veenland zet ze een heel eigenzinnige wereld neer.’ De Standaard
‘Johnson schrijft met een ongetemde verbeeldingskracht. Ze is weergaloos in het scheppen van een sinistere sfeer en eigenzinnige, volstrekt onvoorspelbare personages.’ De Tijd
- Fragment
Edith
De hond staat verlamd van verdriet bij de dozen in de gang. Zijzelf – Edith, moeder van de lang verdwenen Ruth, weduwe van de pas gestorven Patrick – merkt dat haar rouw een nachtelijke aangelegenheid is. Ze kan er ’s nachts niet van slapen. Ze zwerft van kamer naar kamer en ziet overal de sporen van moederschap, de sporen van een opgroeiend kind, de sporen van een verloren kind. Overdag is ze praktisch en redderig. Het huis hoort bij de kerk en nu Patrick er niet meer is, moet ook zij weg. Er is een nieuwe dominee, eentje in wiens preken ze niet is geïnteresseerd. Ze gaat zelfs niet meer ’s zondags, een breuk met een levenslange gewoonte. ’s Zondags laat ze de hond uit, drinkt ze een kop koffie op de stoep voor de achterdeur en wacht ze op de jongen die ze heeft ingehuurd om te helpen het huis leeg te ruimen. Ze ziet hem nu, vanachter het keukenraam, halverwege een ladder staan om de boom te kappen, de kersenboom waar het buurkind uit was gevallen, met een gebroken arm tot gevolg. De boom is al tijden dood, maar zijn binnenste, waar de kettingzaag doorheen snijdt, ziet levendig, haast lichtgevend groen.
Ze pakt het huis in dozen. Alleen wil ze gaandeweg steeds minder bewaren. Soms haalt ze ’s nachts, met spookachtige glimpen van haar witte nachthemd in de kale ramen, alles wat ze in de dozen heeft gestopt er weer uit en zet het terug in de kasten. Overdag ziet ze de waanzin hiervan in en neemt zich heilig voor het niet meer te doen, maar in het donker is ze iemand anders. Als ze de spullen in de dozen stopt, zullen die mee moeten naar het nieuwe huis. Patricks leesbril met zijn vingerafdrukken erop, zijn waterdichte jas en zachte wintermuts met een gaatje, de door hem uitgeknipte sudoku uit de krant; dit zijn de dingen die ze kan meenemen noch wegdoen. Meer nog geldt dit voor Ruths kamer en alles wat zich daarin bevindt wat niet van Ruth is – want dertig jaar nadat iemand een voorwerp heeft aangeraakt kan het onmogelijk nog haar eigendom zijn – maar ook niet van Edith kan zijn.
In de stormachtige nacht vlak na Patricks overlijden sleepte ze de gereedschapskist onder de trap vandaan en sjouwde die naar boven. Het huis was paars en rauw van het wachten maar er was nu geen sprake van wachten, niet meer. Ze pakte de schroevendraaier uit de gereedschapskist en ontmantelde met enig hakwerk de sloten en grendels op de deur van de kamer waarin Ruth had geslapen. Ze berispte zichzelf dat ze dit niet eerder had gedaan, waarom niet, waarom niet? Tja, omdat altijd nog de mogelijkheid had bestaan dat Ruth zou terugkeren, waarna Edith de deur zou kunnen sluiten en op slot draaien om haar daar te houden, voorgoed ditmaal.
Patrick is nu twee weken dood. Ze zit op haar knieën in de woonkamer. De boeken op de schappen in de nis maken het haar lastig en telkens als ze aan de klus is begonnen moet ze weer opgeven en iets anders gaan doen. De boom in de tuin wordt omgehakt omdat hij al jaren op omvallen staat. Het huis gaat naar de nieuwe dominee en zijn gezin. Ze moet de boeken van haar overleden man uitzoeken. Op deze hoge, diepe schappen bewaarde Patrick zijn atlassen, zijn Engelse en Franse woordenboeken, de diverse bijbels en de dikke encyclopedieën die ze nooit, niet eenmaal, heeft ingekeken en die hij in haar herinnering ook zelden heeft ingezien. Misschien deed hij dat met Ruth. Ze hadden zo hun geheimen en spelletjes, waar zij buiten stond. Hij leerde Ruth fietsen, rende achter haar aan als ze rondjes om het kerkhof reed. Ze rukt het eerste van de grote boeken uit de kast, maar zo onbeheerst dat het pijnlijk op haar been valt. Ze pakt de andere boeken en legt ze op een stapel. Ze zet de voordeur open en tilt er zoveel mogelijk tegelijk op; sommige vallen op de grond. Ze brengt haar armvol boeken naar de kofferbak en loopt weer terug. Een van de lijvige encyclopedieën is ongelukkig neergekomen op de deurmat en opengevallen. Als ze zich bukt om het exemplaar op te rapen ziet ze dat de openliggende bladzijde verminkt is doordat de bovenrand royaal naar binnen is gevouwen, met de punt helemaal naar het midden. Ze klakt met haar tong bij de aanblik ervan. Als ze het papier gladstrijkt blijft de plooi zichtbaar en krult het papier terug naar binnen, zo lang zit de bladzijde al in deze vorm. Uiteraard is Ruth degene die dit heeft gedaan. Ruth is de enige die zoiets zou doen, niet uit nieuwsgierigheid maar om haar moeder te sarren, die omgevouwen pagina’s vreselijk vindt. Haar mond verkrampt al bij de aanblik. Ze vouwt de bladzijde weer open, houdt die op haar plek en ziet de tekst tussen haar gespreide vingers. Het is een pagina van de letter e en als ze de pijl volgt die de plooi maakt, ziet ze het woord eiland. De warmte trekt uit haar gezicht en haar handen trillen terwijl ze ernaar kijkt.
Edith weet dit niet, maar de plooi die de bladzijde in tweeën deelt en een scherpe, rechte rand vormt, vertoont gelijkenissen met de rivier als die het stadje verlaat en het papieren land doorsnijdt tot ze het einde van het land bereikt en uitmondt in zee, en nog meer zee, uitkomend bij, net als het woord: een eiland.
Edith neemt de bladzijde tussen beide handen en scheurt langs de plooi en scheurt dan nogmaals en nogmaals totdat de snippers zo klein zijn dat ze die niet langer kan vasthouden en ze uit haar handen vallen.
Ruth
Daar is het huis in het stadje waarin Ruth opgroeide en waarvan ze wegliep. Daar is de deur met het slot en de tuin met de boom en de parkeerplaats van de school in het donker. Daar is de rivier die zich het stadje uit en door het land naar de zee spoedt. Daar is Ruth als kind, toen de droom van het eiland oprees langs de muren van haar kamer en bijna alles werd wat ze kon zien. En daar is Ruth nu – een tiental jaren na het huis in het stadje – op het eiland, eindelijk. Daar is het eiland. Daar is het. Subliem en angstaanjagend, bovenaards. Het is zo lang geleden ontstaan, ijs van de rots heeft erop ingewerkt. Her en der op de grillige klif opent de bodem zich in doorgangen, klein en groot, naar ondergelegen grotten en tunnels waar het geslurp en gebrul van de in- en uitgaande zee hoorbaar is. Op het hoogste punt: een wit uitroepteken. Een vuurtoren.
Ruth laat haar dochter bij de vuurtoren achter en loopt naar de klif. Na een poosje staat ze stil en kijkt achterom of ze de open plek kan ontwaren waar Ori wacht, maar die is al uit het zicht. Ze loopt door. Ze ziet vogels met witgepunte pijlvleugels, zeehonden die zich in het water laten glijden. Ze ziet beschutte stranden. Ze moet nu teruggaan. Het moet. Oké, zegt ze, ik kom eraan.
Ze draait zich om en begint terug te lopen naar Ori. De bodem is verraderlijk. Het eiland tolt om haar heen, vervult haar; ze loopt door. Tijdens het lopen geeft ze iets van het eiland weg – het is alleen van haar, haar geliefde, de heldere, resonerende droom die ze van het eiland heeft gehad sinds haar kindertijd in dat huis aan de rivier – en ze denkt: ik loop naar Ori. Ik loop terug naar Ori. Zo dadelijk gaan ze terug naar de camper, naar JP en Nora en Leo. Ze loopt snel. Zo dadelijk gaat ze haar dochter mee terug nemen naar de echte wereld en hen beiden redden uit de klauwen van deze meeslepende droom. Ze loopt door, denkt aan de woorden die ze tegen Ori wil zeggen. Ik hou van je, ik zal altijd van je houden. De bodem voor haar voeten is…
Ori
Aan het eind van de papieren plooi van het land is een eiland. De windvlagen langs de klif zijn hard en woest, maar de vervallen, lang geleden verlaten vuurtoren staat op een open plek omringd door schriele bomen. De deuropening is een mond, de betonnen vloer is gebarsten, door onkruid overwoekerd.
Op de open plek wacht Ori tot haar moeder terugkomt. De stenen die ze hier heeft gevonden zijn zo ontzettend mooi. Sommige grijs met donkere strepen, andere gespikkeld en ruw, een paar met gaten er dwars doorheen. Ze strijkt ermee langs haar wangen, stopt ze in haar mond, vult haar zakken. Ze is zes jaar oud en draagt een rode tuinbroek en gescheurde bijenvleugels, ze zingt liedjes zonder woorden in de kietelende wind, ze wacht tot haar moeder naar haar terugkomt. Ze zullen naar huis gaan, ze zullen chinees halen, ze zullen de anderen over hun uitstapje vertellen, het eiland zal weer een verhaal zijn. Dat is wat er zal gebeuren.
Het begint donker te worden. Ze kruipt in de slaapzak en ritst hem dicht tot boven haar hoofd. Als ze haar moeder hoort naderen, zal ze wachten en wachten en dan tevoorschijn springen. verrassing!
Als ze wakker wordt is haar moeder nog steeds niet terug. Ori zit in de slaapzak gewikkeld onder de blote hemel. Ze komt op haar handen en knieën en kijkt om zich heen. Ze moet plassen. Ze moet iets drinken. Ze heeft honger. Ze gaat staan en roept haar moeders naam. Ze roept en roept en roept tot haar keel rauw is. Ze trekt zich terug in de vuurtoren. Ze plast in haar broek, iets wat ze lang niet heeft gedaan, en het voelt warm tot het onprettig afkoelt. Ze roept om Ruth. Ze roept haar met elke naam die ze haar ooit heeft gegeven. Ze stapt uit de slaapzak en drinkt met haar handen water uit de kleine bron. Ze pakt een Babybel-kaasje uit de tas en eet het op.
Ze dut in de deuropening van de vuurtoren. Als ze wakker wordt, danst er een schim. Het is een haas. Ze gilt om Ruth en de haas vlucht niet, maar zakt plat op zijn buik en wacht roerloos af.
Avond, het duister zo ondoordringbaar dat ze de boom op twee passen afstand niet eens kan zien. Ze trekt de slaapzak over haar hoofd.
Een onweersbui nadert. Eerst regen, dan donder, steeds dichterbij. Ze is bang en schuilt in de vuurtoren. Het onweer is recht boven haar. Ontzaglijke donderknallen, de regen spettert door gaten in het plafond, de bliksem verlicht de kartelige takken van de bomen.
Als ze weer wakker wordt begrijpt ze ineens wat ze verkeerd heeft gedaan. De onweersbui is uitgewoed, de hemel is wit en mild. Ze wurmt zich uit de slaapzak, schopt hem opzij. Ze haalt twee gladde stenen uit haar zak en houdt ze vast. De geur van de verbrande braamstruiken, de geblakerde muren, hangt er nog. Ze heeft in elke hand een steen en slaat de stenen meermaals tegen elkaar. Het geluid reikt vast tot over het hele eiland. En zie, daar komt iemand de open plek binnen. Haar moeder komt tussen de bomen op haar af.
Ze denkt dat de lucht zich met papiersnippers vult, als met sneeuw, al is dat niet zo. Witte stipjes veranderen in vlokjes veranderen in stromen tot alles blanco is.
Min
Het is maart, de lentenachtevening. De man genaamd Min is op het eiland om hazen te zoeken. Hij heeft zijn tent opgezet op het laagland van het eiland. Er zijn overal sporen van de hazen, al ziet hij ze de eerste twee dagen niet. De herkenbare, lange pootafdrukken trekken cirkels om hem heen, op de rots vindt hij hun keutels en in het gras herkent hij afdrukken waar ze gelegen hebben. Een paar keer meent hij hun waarschuwende gestamp te horen, meegevoerd met de wind, maar zeker weten doet hij het niet. Een geïsoleerde omgeving als het eiland zou weleens de ideale plek voor zijn experiment kunnen zijn. Hij merkt dat hij gauw vermoeid is, dat hij na een korte wandeling of klim al buiten adem is. Hij gaat ervanuit dat hij droomt, daar in de tent. Hij bestudeert de dromen van hazen en zal zelf toch ook wel dromen.
Hij trekt langzaam het eiland rond. De hazen hier zijn sneeuwhazen en zijn niet inheems voor de kust. Hij neemt de vernieling en mutaties waar die hun aanwas heeft veroorzaakt. De jonge boompjes zijn tot laag bij de grond afgeknaagd en de oudere bomen zijn van hun bast ontdaan. De hazen hebben de vegetatie grotendeels gedecimeerd, wat op zijn beurt tot veranderingen in de vogelpopulatie heeft geleid. Vroeger werden er op het eiland pijlstormvogels waargenomen en kwamen hier ten minste drie andere soorten stormvogels om te broeden; zij zijn nu verdwenen.
Hij installeert zich, ligt op de uitkijk. Hij ziet aalscholvers naar vis duiken tussen de schuimkoppen. Schuilend voor de bijtend koude wind eet hij zijn in folie meegenomen boterhammen op. Het begint laat te worden. Als hij nu niet naar de tent teruggaat moet hij straks op de tast zijn weg zoeken langs de klif. Terwijl hij zijn spullen verzamelt kijkt hij op. Aan de top van de helling ziet hij beweging. Hij herkent niet meteen wat voor wezen het is. Het heeft zich van de grond opgestrekt. Er is iets aan zijn houding, iets waardoor hij verwacht dat het gaat spreken, hem gaat roepen. Het is een magere schim, verrezen uit de aarde. De wind slaat hem in het gezicht en hij kijkt scherper. Het is een haas. Plat op zijn buik zou hij goed verscholen liggen, maar hij staat rechtop, met wijd uitstaande oren, hemelwaarts geheven kin, opengesperde grote ogen, gespleten lip. Hij maakt een foto van hem. Het geluid van de sluiter is een knal. De haas ziet hem, vlucht weg. Op dat terrein rent niemand harder dan hij. Hij markeert de positie op zijn kaart. Het liefst wil hij blijven of hem volgen – hazen werden ooit als boodschappers en gidsen beschouwd – maar spoedig zal hij geen hand voor ogen meer zien en als hij valt zal niemand hem ooit vinden, en dus vertrekt hij.
De volgende twee dagen komt hij dezelfde haas vaak tegen. Het is een moer, tamelijk jong nog maar nu al groot en bijzonder sterk. Hij ziet haar vechten met een rammelaar en diens oren zozeer toetakelen dat het bloedspetters regent op de grond. Hij ziet haar bij haar jongen langsgaan, hen voeden en weer vertrekken om roofdieren weg te lokken. Hij weet dat ze hem ziet. Soms richt ze zich op zoals op die eerste dag en bokst in de lucht.
Tijdens zijn studie aan de universiteit las hij beschrijvingen van experimenten waarin de hersenen van ratten werden gemonitord terwijl de diertjes door een doolhof liepen, met het doel vast te leggen welke aan locatie gerelateerde zenuwcellen in de hippocampus tijdens hun route actief werden. In hun slaap bleken dezelfde zenuwcellen te vuren, om precies te zijn volgens een patroon dat erop duidde dat de ratten al dromend door het doolhof liepen. Hij wilde het experiment herhalen met hazen, maar deze diersoort bracht specifieke moeilijkheden met zich mee. Hazen waren zo goed als onmogelijk te domesticeren en daarom zou het experiment in het wild moeten plaatsvinden. Ze waren schrikkerig, lastig te vangen en te verdoven, gevoelig voor verandering. Hij observeert de haas en bedenkt wat voor soort harnas hij voor haar zou moeten ontwerpen, lichtgewicht, haast onmerkbaar.
Hij ligt in de tent en luistert naar het geloei van de wind die het kunststof hol en bol trekt. Hij blijft twee dagen in de tent, slaapt vooral. Als hij de slaap eindelijk van zich afschudt, is de wind afgenomen. Hij kruipt naar buiten. De hazen dansen, zetten het dan op een rennen. Het is de reden dat hij ooit verliefd op ze werd: hun snelheid. Als jongetje stelde hij zich voor dat hij op een dag zo hard kon rennen als zij. De hemel is wit. Hij vangt een glimp op van de sprintende moederhaas. Ze schiet de rots op en hij volgt haar. De klif is doorspekt met gaten naar de grotten eronder. Er is een kloof die uitloopt in een muil waaruit het geluid van de ruisende zee opstijgt. Hij ziet een glimp van een rafelige gele flard die aan een scherpe rotspunt is blijven haken.
Hij volgt de haas. Voor hem uit bevindt zich een bosje door de wind geteisterde bomen. Hij passeert de grens van de open plek in. Op de grond flappert een plastic zeil naast wat potten en pannen, er is een brandplek van een kampvuur op de rotsbodem en een slordig gestapeld voorraadje hout. In de deuropening van de vuurtoren staat de haas, recht overeind, haar buik onbeschermd. Hij aarzelt. De haas lijkt ineen te krimpen, voorover te vallen. Hij gaat er vlug op af. Van dichtbij blijkt ze helemaal geen haas, maar een kind met een te grote witte hoed op en blote, haast blauwe armen. Ze knijpt haar handen stevig dicht. Hij trekt zijn jas uit en slaat die om haar heen, tilt haar op. Haar handen ontspannen en laten stenen vallen. Hij bukt zich, raapt ze op. Ze zijn nauwelijks warm van haar huid. Hij stopt ze in zijn zak. Ze weegt bijna niets, als een armvol sneeuw. Hij draait zich om en rent terug naar het strand.
- Details
- Auteur Daisy Johnson
- Genre Fictie
- Vertaling Lisette Graswinckel
- Aantal bladzijden 280
- NUR-code 302
- Uitvoering Paperback met flappen
- Verschijningsdatum 8 september 2026
- ISBN 9789083685021



