Op de aarde, onder de aarde

Op de aarde, onder de aarde

 22,50

Dit boek is nog niet verschenen, u kunt wel alvast een exemplaar reserveren.
  • Synopsis

    Midden in de Braziliaanse wildernis, op een stuk land waar ooit tot slaaf gemaakten werden gemarteld en vermoord, bouwde de staat een strafkolonie waar gevangenen gerehabiliteerd konden worden, maar nooit konden ontsnappen. Nu, decennia later, loopt de strafkolonie ten einde, maar er wordt er een nieuwe gruwel ontketend: elke volle maan worden er gevangenen vrijgelaten terwijl de gevangenisdirecteur zich bewapent – de jacht begint.

    Ana Paula Maia geeft een confronterende visie op ons vermogen tot geweld en ons collectieve onvermogen om de gevolgen van ons sociale en politieke handelen, of juist het nalaten daarvan, te overzien. In Op de aarde, onder de aarde wordt de menselijke conditie asgrauw ontleed en ons rest niets anders dan ons lot te ondergaan, terwijl in de verte de mogelijke vrijheid wacht.

  • Recensies

    Over eerder werk:

    ‘Prachtig en meeslepend… een absolute aanrader voor wie van poëzie houdt die met bloed is geschreven.’ The New York Times  

    ‘Een meesterwerk van spanning en allegorie, een hypnotiserende afdaling in de onderwereld van wreedheid en overleven.’ Morning Star

    ‘Een sociologische thriller voor de denkende lezer, die tegelijkertijd ook een soort fabel is, even moeilijk te verdragen als weg te leggen.’ Southwest Review

    Op de aarde, onder de aarde is een grimmige, verontrustende verkenning van macht, geweld, verwoesting en institutionele corruptie die de lezer nog lang na de laatste pagina zal bijblijven.’ Jury International Booker Prize 

  • Fragment

    Er is niet veel meer over, niet veel mensen, niet veel dieren. Hier en daar ligt een schop, een sikkel tussen de aanplant, die door de uitblijvende regen is verdord. Een smal, stinkend stroompje voert water aan, dat met de dag verder wordt opgeslokt door de intense hitte, waarin het verdampt tot zware, vochtige lucht. Er is nog beweging in de kippenren en wat geknor bij het varkenskot, en dat betekent vlees op tafel voor de komende dagen. Verder is er een zorgelijke schaarste. Ze wachten op orders, op een konvooi waarmee ze naar elders zullen worden gebracht, maar nu de communicatie met buiten de muren is stilgevallen, neemt de onrust toe. De telefoonverbindingen liggen er al dagenlang uit en het laatste wat ze hebben gehoord, is dat er een functionaris zal komen voor een eindinspectie en om ze naar de nieuwe bestemming te begeleiden. Volgens de berekeningen is die functionaris nu al zeker een week vertraagd en de spanning loopt daardoor duizelingwekkend hoog op. Het enige wat ze doen is wachten.

    Valdênio wappert met zijn strohoed een paar vliegen weg van het kadaver van het uitgemergelde, weggeteerde bastaardhondje. Ze voeden zich er al dagen mee. Het dier kreeg een ziekte, met een zwerende wond op zijn buik die steeds groter werd en waardoor het langzaam wegrotte. Het likte de wond, volgde verdrietig en een beetje verbaasd het verval van zijn vlees. Het was klein begonnen, iets ter grootte van een wrat, koperkleurig. Geleidelijk aan werd de hond suffer, minder enthousiast van de restjes uit de keuken. Zijn beet verzwakte zozeer dat hij niets meer fijn kreeg. Toen hij helemaal niet meer at, maakte Valdênio cassavepap voor hem. Hij smeerde de wond in met kruiden en kruit. Maar het was niet genoeg. Ineens was de hond weg en hij heeft twee dagen naar hem lopen zoeken. Het beest koos een bijna kale boom om onder dood te gaan. Valdênio pakt de schop die daar rondslingert, graaft een ondiepe kuil, legt het graatmagere dier erin en bedekt het met een laag aarde.

    Hij hoort zijn naam. In de verte zwaait iemand naar hem. Hij plant geknield een kruis van twee takjes in de rode aarde, komt overeind en gaat op weg, met slepend linkerbeen, steunend op een houten stok.

    ‘Ja, meneer?’ zegt Valdênio.

    ‘Melquíades wil je spreken,’ zegt Taborda.

    Valdênio verlegt zijn koers naar Melquíades’ kantoor, maar Taborda begint over de hond.

    ‘Ik ga dat vuilnisbakkie missen,’ zegt hij.

    ‘Wij allemaal, meneer.’

    ‘Nooit gedacht dat ik me zou hechten aan zo’n beest.’

    Valdênio zwijgt. Het treurige gezicht van de cipier ontgaat hem niet. Hij wacht totdat hij weer opkijkt en hem naar Melquíades laat gaan, de commandant, de hoogste autoriteit binnen deze muren.

    ‘Dat krijg je op zo’n plek als hier, denk ik. Dat je je gaat hechten aan iets onbenulligs.’

    Na de blik waar hij op wacht, zet Valdênio zich langzaam, steunend op zijn stok, in beweging in de richting van de directeurskamer, in het centrale paviljoen.

    Melquíades zit achter zijn bureau, met de mouwen van zijn hemd opgestroopt en zijn boordknoop open, armen en benen over elkaar geslagen, alsof hij maar wat zit te wachten, op God weet wat.

    ‘Wat is er van uw dienst, meneer?’

    ‘Wat wordt vandaag het middagmaal?’

    ‘Kip, meneer.’

    ‘Alweer?’

    ‘We hebben niets anders, en…’

    ‘En het varkentje dan?’ valt Melquíades hem in de rede.

    ‘Wat is daarmee?’

    ‘Dat kan aan het spit.’

    ‘Jawel, meneer. Maar Pablo heeft de kip al geslacht en geplukt voor vandaag.’

    ‘Wat ik dacht, Valdênio… We kunnen het varken bewaren totdat de functionaris er is. We moeten hem per slot van rekening ook een maaltijd aanbieden.’

    ‘Wat u het beste lijkt, meneer.’

    Melquíades veert op uit zijn stoel en klapt in zijn handen, één keer. Dat enthousiaste van hem wordt steeds vreemder en zijn wonderlijke manier van doen valt iedereen in de strafkolonie op. Hij grijpt Valdênio ruw bij de schouders en kijkt hem in de trillende ogen.

    ‘Ik weet zeker, Valdênio, dat jij het lekkerste varken aan het spit zult maken van dit hele vervloekte oord.’

    ‘Ik zal mijn best doen, meneer.’

    ‘Hebben we die aguardente nog?’

    ‘Bronco Gil heeft nog twee flessen.’

    ‘Geweldig. We gaan een banket aanrichten voor de functionaris.’

    Hij laat Valdênio’s schouders met eenzelfde ruk weer los, waardoor Valdênio zijn evenwicht verliest, dat hij met behulp van zijn stok net op tijd hervindt.

    ‘Ik zou ook zeggen dat we hier dan wat muziek moeten hebben, vind je niet? Speelt Pablo nog op die trekharmonica?’

    ‘Die hebt u in beslag genomen.’

    ‘In beslag genomen? Echt?’

    Melquíades concentreert zich fronsend op de inbeslagname van Pablo’s trekharmonica.

    ‘En weet je dan toevallig waar ik hem heb gelaten?’

    ‘U hebt hem over de muur gegooid.’

    ‘Over de muur gegooid? Ik?’ Hij legt een hand op zijn borst, verbaasd over wat hij heeft gedaan. ‘Wanneer was dat?’

    ‘Vorige week.’

    Melquíades komt op Valdênio af, met iets geniepigs, alsof hij zijn gedachten komt stelen.

    ‘En kun je me misschien ook zeggen waarom ik de trekharmonica in beslag heb genomen?’

    Valdênio staat met neergeslagen ogen, de blik op zijn slechte been gericht. Hij weet niet of hij de waarheid spreekt of alleen maar zegt dat hij het niet weet.

    ‘U had uw redenen om hem in beslag te nemen, meneer.’

    ‘Ah, heel goed. Goed antwoord. Uiteraard had ik mijn redenen, en ik zou graag weten: ben jij het daarmee eens?’

    Valdênio staat nog steeds met gebogen hoofd.

    ‘Neem me niet kwalijk, meneer. Ik werk alleen maar in de keuken. Ik heb geen verstand van de wet.’

    ‘Ik heb het niet over de wet, man, ik heb het over rechtvaardigheid. Pablo negeerde mijn orders. Er moest een straf volgen, waar of niet?’

    ‘Jawel, meneer,’ mompelt hij, door een golf van misselijkheid heen.

    Melquíades posteert zich recht voor Valdênio. Zijn gezicht verstrakt terwijl hij hem met priemende ogen opneemt, zonder hem aan te raken, alleen snuivend.

    ‘Valdênio, jij bent de beste kok die ik hier heb gehad. Krijgen we aardappelen?’

    ‘Ja, meneer.’

    ‘Denk erom dat je ze goed krokant bakt, je weet hoe ik ze graag heb.’

    Melquíades draait zich om en gaat achter zijn bureau zitten. Hij trekt de lade open, haalt wat vellen papier tevoorschijn en legt die naast elkaar, in een volgorde waar voor hem een logica in zit maar die voor Valdênio de zoveelste eigenaardigheid is.

    ‘Wat sta je daar, gevangene?’

    Valdênio doet zijn mond open om iets te zeggen maar komt niet verder dan wat onduidelijke klanken. Zijn permanent trillende ogen schieten heen en weer. Hij kijkt omlaag en doet een stapje naar achteren.

    ‘Wat wordt vandaag het middagmaal?’

    ‘Kip.’

    ‘Alweer? Straks krijg ik nog veren. En het varkentje?’

    ‘U zei dat u dat wilt roosteren als de functionaris er
    is.’

    ‘Natuurlijk, Valdênio. Dat is een uitstekend idee. Laten we dat doen. Waar wacht je nog op?’

    ‘Wat bedoelt u, meneer?’

    ‘Wat sta je daar… Waar wacht je op?’

    ‘Nergens op, meneer. Ik ben op weg naar de keuken. Met uw permissie…’

    Valdênio sleept zijn slechte been mee alsof er een loden bal aan vastzit. Met zijn loopje doet hij denken aan zo’n gevangenisboef die nog betrekkelijke bewegingsvrijheid heeft maar zich wel permanent bewust is van zijn ware situatie. Aan zijn rechterbeen heeft hij een elektronische enkelband. Die weegt niet veel en hindert nauwelijks, maar net als alle anderen hier zal hij geen moment vergeten dat zijn been zal exploderen zodra hij een stap buiten de muren van de kolonie zet. De band kan niet worden afgedaan, behalve door de bewaking. Dit is erger dan een loden bal: het is een elektronische bom, die zijn voet kan amputeren.

    Valdênio is oud voor een plek als deze. Vijfenzestig is hij. Hij heeft de helft van zijn leven in gevangenschap doorgebracht, achter ijzeren tralies en in strafkolonies, waar hij allerlei soorten werk heeft gedaan. Hij had al vrijgelaten moeten zijn, maar Justitie houdt hem hier. En voor hem hoeft de vrijheid bij leven ook niet meer, want er is buiten de muren niemand die op hem wacht. De wereld is veranderd en hij ook, maar dat is niet gelijk op gegaan. Valdênio werd ouder, ziek en trager. De wereld werd ingewikkelder. Als hij buiten deze muren wordt gezet, zal hij opnieuw veroordeeld zijn, maar dan tot een gevecht om te overleven waarin hij geen partij meer kan zijn. Zijn eerste jaren gevangenschap waren moeilijk. Hij moest langzaam leren hoe het systeem werkt en werd tientallen keren te grazen genomen: schedelfractuur, ontwrichte kaak, armen en benen gebroken. Uiteindelijk liep hij op een dag dat manke been op, toen hij van het dak van een paviljoen werd gegooid. Niet altijd was hem duidelijk waarom ze hem moesten hebben, en zeker die laatste keer niet, toen hij voor dood bleef liggen maar het overleefde. Zijn in de hel gemangelde lichaam wacht op het einde van zijn dagen. Hij stelt geen vragen meer. Hij gehoorzaamt, voert orders uit, buigt het hoofd en taait af. En hij wordt nog steeds te grazen genomen, soms met reden, soms niet. Overal waar hij kwam vloeide zijn bloed. Hij heeft een heel spoor achter zich. Het is een wonder dat hij het al die jaren heeft overleefd. Er zijn er maar weinig die in gevangenschap oud worden.

    Valdênio gaat van het centrale paviljoen naar de westvleugel, waar de keuken en de slaapzaal van de gevangenen zijn. Taborda zit nog op dezelfde plek, in de schaduw van een amandelboom, en ziet daarvandaan hoe Bronco Gil in de verte nadert, met over de ene schouder zijn pijl en boog en over de andere een touw waaraan hij iets donkers en zwaars meesleept. Hij loopt zonder haast, vermoeid na een lange nacht: zijn leren laarzen sloffen over de stoffige rode aarde. Hij heeft een snee in zijn rechterarm en zijn huid zit onder het geronnen bloed. Hij grimast, ontbloot zijn tanden. Er is geen wolk aan de hemel, alleen een onbarmhartige zon, die alles onder zich mishandelt.

    Taborda kijkt weer op wanneer Bronco Gils stappen hoorbaar zijn. Hij zit met zijn armen over elkaar, tilt nu met een langgerekt fluitje zijn pet op.

    ‘Je hebt jezelf overtroffen, indiaan.’

    ‘Dat klotebeest heeft me de hele nacht beziggehouden.’

    ‘Waar ga je heen?’

    ‘Afleveren bij je baas,’ antwoordt Bronco Gil, en hij loopt zonder zijn pas in te houden door naar het centrale paviljoen.

    Bronco Gil laat het dode everzwijn midden in het kantoor neerploffen. Melquíades heeft een jachtgeweer op schoot, dat hij aan het poetsen is, maar hij stopt daar ogenblikkelijk mee. Hij kijkt naar Bronco Gil en naar het beest, waar een stuitende slachtgeur van afslaat. Bronco Gil steekt een sigaret op. Zijn laatste, die hij had bewaard voor als de klus erop zou zitten. Hij zwijgt, slaat Melquíades gade, die weer naar het wapen op zijn schoot kijkt. De deur van de kast met tientallen wapens achter hem staat open.

    ‘Ik weet de eerste keer nog dat mijn vader me mee uit jagen nam,’ begint Melquíades. ‘Zo een had ik er toen bij me.’ Hij kijkt verliefd naar het wapen. ‘Ik kreeg de smaak van het jagen te pakken. Totdat een ocelot zowat mijn hele buik openlegde. Toen heb ik een tijd niet meer op wild gejaagd.’ Melquíades staat op en zet het jachtgeweer terug in de kast. Hij laat zijn handen zacht over het met zorg gerangschikte wapentuig gaan, pakt een gewoon geweer en sluit de kast af met een hangslot. ‘Dit is mijn favoriet. Een mooitje, waar of niet?’

    Bronco Gil geeft een instemmend knikje. Melquíades stelt iets af aan het wapen en richt het op Bronco Gil, die blijft staan waar hij staat, zonder zichtbare emotie. Melquíades stelt de richtkijker scherp.

    ‘Persoonlijk hou ik niet zo van richtkijkers, ik mik liever met het blote oog. Ik schiet zó je goeie oog weg, indiaan.’ Hij beweegt het wapen een paar millimeter naar opzij. ‘Of je oor.’

    Bronco Gil trekt nog eens aan zijn sigaret, haast minachtend. Melquíades hangt het geweer aan zijn schouder en komt achter zijn bureau vandaan. Hij strekt zich, haalt een hand over zijn kale, bezwete hoofd en is in een paar passen bij het zwijn. Hij buigt zich over het dier aan zijn voeten, bekijkt de slagtanden, raakt de ruige, zwarte vacht even aan, voelt hoe die in zijn hand prikt.

    ‘Is het je wel eens opgevallen dat dode everzwijnen er vrolijk uitzien?’ Hij kijkt Bronco Gil onderzoekend aan en vervolgt dan zijn inspectie van het dier. ‘Het is een mooi exemplaar. Ik zou die kop wel aan de muur willen hebben. Wat een flinkerd.’ Hij zwijgt en bestudeert de snuit van het zwijn, bijna neus aan neus, slaat zich dan opgetogen op het bovenbeen.

    ‘Geweldig. Ze gaan met een glimlach dood. Maar vertel, indiaan, hoe heb je hem te pakken gekregen?’

    ‘Ziet u die pijl in zijn rug?’

    ‘Daarmee? In één keer raak?’

    ‘Dat is de plek. Dan zijn ze op slag dood.’

    ‘Wat ik me afvraag, indiaan, als jij twee goeie ogen zou hebben, hoe zou dat zijn? Gods wegen…’

    ‘En nu onze afspraak.’

    ‘Waar heb je het over?’

    ‘Ik zou dat beest afschieten…’

    ‘Die demonen uit de wildernis. Ze mollen alles.’

    ‘Het is gewoon een groot varken. Demonen krijg je met een pijl niet dood.’

    ‘Nee, dat klopt. Hij gaat aan het spit. Maar die kop wil ik opgezet hebben. En ik hang hem daar,’ hij wijst naar de muur achter zijn bureau. ‘Naast de kop van het zwijn dat ik een paar maanden geleden heb geschoten.’ Melquíades brengt een hand naar zijn kin en kijkt aandachtig naar de plek waar nu een ingelijste foto van de president hangt.

    ‘Onze deal, meneer.’

    ‘Waar heb je het over, Bronco? Bronco… wat een naam. Bronco…’ Hij herhaalt hem als een rochel.

    ‘Ik breng u het zwijn en u…’

    ‘Ja ja, ik weet het. Komt goed. Vanaf vandaag kunnen jullie in de speelzaal muziek luisteren, vrouwtjes ontvangen… al zal het in deze uithoek, zonder telefoon ook nog, niet meevallen om een mokkel te regelen. Maar…’ vervolgt hij met geheven wijsvinger, ‘… er zullen wel regels en tijden gelden.’

    Bronco Gil glimlacht flauwtjes. ‘Ik ga hem in stukken snijden en in de vrieskist stoppen.’

    ‘Vraag gelijk aan Taborda of hij die kop kan opzetten. En zeg hem ook dat ik wil weten hoe het staat met de kop die hij nu al zeker twee maanden voor me aan het prepareren is. En eh…’ Melquíades wijst naar de pijl en boog die Bronco Gil over zijn schouder heeft hangen, ‘… dat blijft hier.’

    Bronco Gil legt pijl en boog op de grond, bij de deur, groet en sleept het everzwijn aan het touw mee naar buiten, het centrale paviljoen uit. Taborda zit nog steeds waar hij zat, in de schaduw van de amandelboom. Bronco Gil legt het everzwijn klaar, met de poten gespreid, pakt een klein kapmes en begint het in stukken te hakken. Als eerste haalt hij de kop eraf, die hij naar Taborda brengt.

    ‘Melquíades wil dat je deze opzet.’

    ‘Is er nog zaagsel?’

    ‘Ja. In de werkplaats. En hij vroeg naar de kop waar je mee bezig bent.’

    ‘O ja. Daarvan moeten alleen de ogen nog. Ik weet niet hoe ik in deze uithoek aan een goed paar ogen moet komen.’

    Taborda kijkt omlaag, naar de everkop op de grond. Er kruipen al onderzoekende beestjes overheen.

    ‘Het is een mooie kop, maar je hebt hem een beetje beschadigd hier,’ zegt hij, terwijl hij een tikje geeft op de wang van het beest. ‘Je had wel wat voorzichtiger kunnen doen.’

    Taborda zucht, hijst zijn zware lijf moeizaam overeind en gaat op weg, met de everkop in zijn armen en een dun spoor van bloeddruppels achter zich aan.

  • Details
    • Genre Fictie
    • Aantal bladzijden 128
    • NUR-code 302
    • Oorspronkelijke titel Assim na terra como embaixo da terra
    • Uitvoering Paperback met flappen
    • Verschijningsdatum 22 oktober 2026
    • ISBN 9789083722559
Uitgeverij Koppernik Boeken Ana Paula Maia Op de aarde, onder de aarde