
Het laatste elftal
€ 22,50
- Synopsis
Hoofdpersoon Barbi groeit eind jaren tachtig op in het dan nog bestaande Joegoslavië. Haar vader neemt haar regelmatig mee naar het voetbalstadion, een wereld waarin competitie boven saamhorigheid gaat en het jonge voetbaltalent Piksi wordt aanbeden als een heilige. Haar vader, zelf ooit voetballegende, hoopt dat zijn dochter in zijn voetsporen zal treden, maar Barbi is meer geïnteresseerd in schrijven. Als Joegoslavië tijdens het wk in 1990, aan de vooravond van de Joegoslavische Burgeroorlog, met strafschoppen van Argentinië verliest, is heel het land in diepe rouw: ook de laatste gemeenschappelijke liefde lijkt gesneuveld.
In Het laatste elftal verweeft Barbi Marković, in een virtuoos spel met de taal van sportcommentators, op geheel eigen wijze herinneringen aan voetbal, haar afwezige vader en aan een mythisch Joegoslavië, dat zelfs met het naderende onheil nog gelooft dat voetbal het verschil kan maken.
- Recensies
‘Geschreven in de typische Marković-stijl: pathosloos, excentriek, vol zelfironie, soms raadselachtig en juist daarom zo ontroerend.’ Kurier
‘U voelt zich na het lezen van deze snelle tekst als na een belangrijke voetbalwedstrijd die uw eigen team dramatisch heeft verloren: uitgeput, verdrietig en toch dankbaar dat u erbij was.’ WOZ
‘Een klein boekje over grote veranderingen. Nu al een klassieker in de voetballiteratuur!’ Welt am Sonntag
- Fragment
We heten je welkom in het stadion van de Belgradose Academische Sportclub (bask). Voor wie nog nooit van deze club heeft gehoord, hebben we wat achtergrondinformatie op een rijtje gezet. bask was een van de eerste voetbalclubs van het Koninkrijk Joegoslavië. Zijn grootste successen dateren van voor de Tweede Wereldoorlog. Nu, eind jaren tachtig, zit de club al geruime tijd in een neerwaartse spiraal. bask heeft ondanks de slechte prestaties een handjevol trouwe fans die in de wijk Senjak zijn opgegroeid en nog met zelfgenaaide ballen hebben gevoetbald, gemaakt van oude vodden. Voor deze fans betekent de voetbalclub meer dan hun eigen geluk. De afbrokkelende tribunes, het groezelige maar goede grillrestaurant, de onverzorgde grasmat, het afval, de fiasco’s, zielsveel houden ze ervan! Maar dit verhaal gaat niet alleen over een stel willekeurige mannen en hun ziekelijke liefde voor dat wat ze voetbal noemen. Ze horen er natuurlijk bij, anders zou het verhaal niet eens verteld kunnen worden, maar ze zorgen alleen voor een bepaalde sfeer, ze vormen een brullende, bezopen coulisse.
Ik zit op de tribune en kijk niet naar wat er op het veld gebeurt. Met een kletsnat zakdoekje probeer ik mijn grasallergie in toom te houden, voordat de wereld uit elkaar valt en alles verzuipt in het snot. Het is mijn verjaardag vandaag, ik word acht. Net stond een man vreselijke dingen over de moeder van de scheidsrechter te roepen. Ik maak me zorgen om de scheidsrechter en zijn familie. Elk jaar wordt er op het veld een verjaardagsfoto van mij gemaakt. De uitzondering is de foto uit 1986, waarop ik voor een regenboog sta. Dat lijkt een leuke afwisseling. Blijkbaar vond de fotograaf het ongemakkelijk worden, hij nam een kamerscherm mee, zodat het niet zou lijken alsof ik al mijn verjaardagen op het voetbalveld doorbracht. Maar dat was wel zo, elk jaar weer.
Ook jij bent hier in het stadion, waar het boek begint. Tot je verrassing wordt er vandaag geen wedstrijd gespeeld, op de tribunes zitten maar weinig mensen. De aanwezige jeugdspelers rennen over het gras en vertrappen de madeliefjes en vergeet-me-nietjes die ondanks alle inspanningen van de daartoe aangewezen personen om het veld op internationaal niveau te houden vrolijk groeien en bloeien. De bloemen groeien, maar de spelers stagneren. Wat ze ook proberen, het wordt door de grote groene vlakte verzwolgen.
Het is een onbeduidend jeugdelftal. Het boeit niemand iets. Een rondstruinende hond en kat worden uitgekafferd door de paar mannen op de tribune. Daarna zijn weer alleen de paarden op de renbaan te horen en de auto’s in de verte. Een man duwt een volledig verroeste graswals voor zich uit en stalt hem achter het doel. In het restaurant kletteren de borden op elkaar. De mensen staan ver van elkaar af en moeten hun grappen naar elkaar schreeuwen. Er komt een vrachtwagen aan die voor het restaurant parkeert. De trainer laat de jeugdspelers een rondje om het veld rennen. De wind schudt de populierenpluisjes uit de bomen. Iemand verzamelt afval met een spitse stok.
Op wedstrijddagen valt er meer te beleven. De voetbalvaders nemen hun voetbalzonen mee naar het stadion om ze kennis te laten maken met het team waarmee ze een emotionele band moeten opbouwen. Bij zulke gelegenheden zitten de tribunes vol, de jonge en de oude mannen sabbelen op zonnebloempitten en spugen grijze fluimen op de grond als papegaaien. De voetbalfans die alleen op wedstrijddagen komen om hun team aan te moedigen, houden meer van voetbal dan ik, maar ze hebben geen idee van het echte stadionleven, als het saai is, als er niemand zit, als er alleen maar getraind wordt en de wals in actie komt. Als een paar brulapen de scheidsrechter en iedereen die iets op het veld probeert genadeloos affakkelen. Op wedstrijddagen kijk ik al jaren toe hoe andere kinderen hun best doen om de code te kraken, ze beginnen vlug te klappen als hun vader glimlacht en spugen op de grond als hij zijn voorhoofd fronst. Dat zijn de mooiste dagen voor de voetbalzonen. Dan leren ze wat het wij-gevoel is en dat ze alleen in groepsverband hun stem kunnen laten horen. Dat ze alleen worden opgemerkt als ze zingen voor de club, als ze klappen, onzin uitkramen en op de vuist gaan voor de club. Ze proberen allemaal hetzelfde te zijn. Ze hebben hun eigen choreografieën en spreekkoren, ze zijn een dans- en een zangvereniging. Hun liederen zijn waardeloos, een en al haat. De voetballerij drijft op haat. Die haat noemen ze liefde.
Zoals de gele druppel op de cover van een gezondheidsmagazine symbool staat voor urine, zo staat de voetballiefde van de voetbalzonen vaak symbool voor de complexe relatie met hun eigen vader. Slobodan Marković is mijn vader. Hij heeft me meegenomen naar deze plek. Over de liefde heb ik niets te zeggen. De liefde is het onzekerste en het kwetsbaarste op de hele wereld. Maar Slobodan Marković is geen doorsnee voetbalfan. Integendeel, alles wat normaal en doorsnee is verdraagt hij niet, hij zou sterven als hij doorsnee zou moeten zijn. Deze man is een hedonistische excentriekeling, een unicum, een uitzonderlijke verschijning, ook in het stadion. Hij brult geen liederen mee en is niet voor één club. Hij komt vooral graag in het stadion als er helemaal geen wedstrijden zijn. Hij moedigt het jeugdteam aan. Hoe onbelangrijker de wedstrijd, hoe aandachtiger Slobodan Marković toekijkt. Het draait voor hem allemaal om eenvoudige mensen die hogerop komen, in de sport en daarbuiten, een mogelijkheid die zowel het voetbal als het socialisme biedt.
Ik hoor een hard fluitsignaal. De training zit erop. schaam jullie, schreeuwen de paar tandeloze critici vanaf de tribune, mijn moeder kan nog beter voetballen, ga lekker terug naar de boerderij, en ze begeven zich naar het restaurant. Tijd voor een reclameblok.
Sokken en maillots van Udarnik. Het merk waarmee u gegarandeerd goed zit: Panonka. bmw rijden is puur genieten. Kasko met citroensmaak. Het snoepje voor échte chauffeurs. Meer heb je niet nodig: mayonaise van Dijamant. Eric Clapton, vier uur lang muziek, pgp-rtb. Cremissimo-ijs, mmmmmmm. Tien minuten per dag en het zal iedereen opvallen: de Buikeliminator, extreem compact in gebruik. De Buikeliminator, gegarandeerd tevreden, veilige investering. Kapper Stevan, modern en aantrekkelijk, perfect afgestemd op uw gezicht.
Mijn lege maag brult als een leeuw wiens poot klem zit tussen de deur van zijn kooi. Uit het restaurant komt de geur van gegrild vlees. Ik zit alleen in de volle zon. Een gewonde duif sleept zichzelf naar mijn kant van de tribune en trippelt achter mijn voeten langs. Hij vindt een plek in de schaduw en gaat zitten. Ik verveel me. Dit is wel erg weinig actie als je het mij vraagt. Ik moet deze situatie zien te doorbreken. Ja, mensen, op een dag willen we wel de Nobelprijs winnen! Dat er niets gebeurt, wil nog niet zeggen dat het commentaar ook saai moet zijn. Een goede commentator schittert juist op dit soort momenten. Verderop in het restaurant loopt iemand te tieren: ‘Ik slacht je af als een varken!’ Ik stop mijn vingers in mijn oren. Het is voor mij onmogelijk zulk gescheld zelfs maar aan te horen. Slobodan Marković heeft het zijn vrienden, andere amateurspelers en willekeurige voorbijgangers altijd verboden om in mijn bijzijn te schelden. Met een kamikazeachtige roekeloosheid liep die slungelige, bruinverbrande man op de herrieschoppers af. Ooit vroeg hij zelfs een hele groep losgeslagen supporters om zich netter uit te drukken, aangezien zijn dochtertje erbij was. Dat leverde hem in eerste instantie vooral veel verbouwereerde blikken op. Ze hadden hem verrot kunnen slaan, maar zijn principes waren belangrijker voor hem dan onze levens, en hij zei:
‘Vrienden, alsjeblieft. Mijn dochter!’
Uiteindelijk lachten die gasten ons alleen maar uit, we overleefden het. Nu zit ik in een leeg stadion zonder te weten wanneer ik word opgehaald. Slobodan Marković heeft me weliswaar meegenomen naar het stadion, maar hij is zelf niet gebleven. Hij moest ineens iets aan iemand geven, een wedformulier invullen of geld van de bank halen, de precieze details krijg ik doorgaans niet te horen.
Mooi. Mooie achtergrondinformatie. Het verhaal knapt er meteen van op. Barbiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiii, Barbi Marković, het is ongelooflijk, in het eerste hoofdstuk, in de zesde leesminuut, recht in de kruising. Niemand doet haar dit na. Tjongejonge. Meesterlijk geschreven. Hoe mooi is dat?! Barbi Marković, ijskoud. De enige die op een andere manier over voetbal schrijft. Sensationeel. Grandioos. Achteraf zo kunnen scoren in de literatuur, terwijl je in het echte leven de winst aan je voorbij hebt zien gaan.
Marković, de Slobodan Marković die zich een paar jaar geleden door de sociale druk van andere ouders gedwongen voelde om mij voor een klein onopzettelijk vergrijp te ‘straffen’. We weten allemaal nog hoe hij liep te zweten, hij leek wel bang. Hij zuchtte herhaaldelijk en veegde de zweetparels van zijn voorhoofd. Op een gegeven moment stak hij zijn wijsvinger in de lucht en zei dat ik zoiets nooit meer mocht doen. Slobodan Marković is niet in staat tot geweld en dat is in deze omgeving vrij uitzonderlijk. Hij is bovendien een Belgradoër van de oude stempel. Mensen die geboren en getogen zijn in het oude Belgrado combineren een burgerlijke habitus en verfijnde culturele gewoonten met een avontuurlijk straatschoffiebestaan. Het zijn kunstschilders, maar ook geldvervalsers, het zijn voetbaltrainers, maar ook smokkelaars. Aan de ene kant het stadscentrum, de trams en kafana’s, aan de andere kant de modder, de zelfgenaaide ballen en de aangelengde melk, aangezien de meesten na de Tweede Wereldoorlog in grote armoede zijn opgegroeid. Slobodan Marković is van mening dat precies deze complexe, oud-Belgradose mentaliteit in het voetbal tot uiting dient te komen: ‘De sport moet voor iedereen toegankelijk zijn, uit welk milieu je ook komt, hoeveel scholen je ook hebt bezocht, al heb je in de gevangenis gezeten, in het stadion moet iedereen zich thuis voelen.’ Maar hij benadrukt ook altijd: ‘Je moet naar voetbal kijken zoals je naar toneel kijkt, de spelers en het stadion moet je respecteren.’ Daarom is hij ook zo dol op bask, de voetbalclub van de stedelijke academici, vanwege het woord academici.
Er waait een oude, verbleekte ijswikkel voorbij en als ik opsta om hem op te rapen, wordt het zwart voor mijn ogen. Ik blijf even staan, wankel, voel mijn handen niet meer. Het licht wint van het donker en het bloed stroomt terug naar mijn handen, ik kan het papiertje oppakken en in mijn broekzak stoppen. Door de groei wordt het voortdurend zwart voor mijn ogen, meestal maar een paar seconden. Ik heb ook nog niet ontbeten. Ontbijt moet je verdienen door eerst wat energie te verbranden, dan pas snijdt Slobodan Marković een stuk paprika met witte kaas voor je af. Ik haat paprika. Ik haat het dat ik het stadion op orde moet houden, omdat wij Markovićes zo nodig het goede voorbeeld moeten geven. Als iedereen op de grond loopt te spugen, als iedereen zijn afval laat rondslingeren, dan komen wij het oprapen en in de vuilnisbak gooien. We laten de mensen zien dat het nobel en voorbeeldig is om voor onze mooie witte stad te zorgen, zodat iedereen er nog lang van kan genieten. Eén keer heb ik zelf een ijswikkel op de grond gegooid. Ik was met een groepje kinderen, we hadden allemaal een ijsje gekocht en liepen ergens heen. Ik had een Stopi. De anderen smeten hun Cornetto-, Rumenko- en Tigerwikkels allemaal op de grond en liepen verder, ik aarzelde, kon geen vuilnisbak vinden, maar wilde de groep niet uit het oog verliezen. Ik wist niet wat ik moest doen, liet mijn eigen wikkel uiteindelijk ook maar op de grond vallen. En ik werd betrapt. Een vrouw die op een bankje zat en alles in de gaten had gehouden, zei dat types zoals ik de stad verpestten. Ze dwong me de papiertjes op te rapen, ook die van de anderen, en in de vuilnisbak te gooien. Toen ik dat allemaal had gedaan, was mijn groepje al weg.
Hoe steekhoudend de markovićiaanse afvalfilosofie ook is, ik schaam me kapot als we op mensen afstappen om hun picknicktroep op te ruimen. Ze kijken ons aan met een blik vol minachting. Slobodan Marković zit daar niet mee. Hij glimlacht en recht trots zijn rug, maar ik zou het liefst door de grond zakken. Ik kan die blikken en dat gelach niet aan, ook al blijft hij benadrukken dat we erboven staan. Dat we beter zijn. Als iedereen lang haar heeft, wordt het mijne afgeknipt. Als iedereen Nikes draagt, krijg ik ingewikkelde Italiaanse sandalen. Als roze rokjes de nieuwste trend voor de schoolfoto zijn, word ik in een overhemd met stropdas de deur uit gestuurd. Het is vermoeiend.
Alleen de gewonde duif in de schaduw is naar mijn verjaardagsfeest gekomen. Ik heb het bloedheet. Vandaag heb ik voor de verandering schoenen aan, omdat ik jarig ben en omdat er gisteren een wedstrijd was. Na wedstrijden liggen er vaak overal glassplinters. Laatst ben ik op het veld in een gebroken colaflesje gaan staan en tegen de tijd dat ik water en een zakdoek had gevonden, was ik al aardig wat bloed kwijtgeraakt.
Slobodan Marković kan helemaal geen dichte schoenen aan. Stel je een gigantische voet voor, die boven de stad zweeft en heel Senjak inclusief het beursterrein de grond in stampt. Vroeger droeg hij naar het schijnt gewoon maat vierenveertig, maar dat moet lang geleden zijn. Met elke trap en elke breuk groeiden zijn tenen, het hele zooitje dijde alsmaar verder uit. Zijn rechter grote teen lijkt zelfstandig te opereren. Het betreft een bolvormige uitstulping met een diameter van vijf centimeter die de lucht in steekt. Zelfs in ontspannen toestand raakt hij de grond niet. Er zit geen nagel meer op, alleen nog een soort grijze korst, de rest is een rommelige samenklontering van botten en spieren, met een dikke, ondoordringbare eeltlaag erbovenop. Die voet is een gevolg van voetballen zonder schoenen en stelt zijn eigenaar tegelijkertijd in staat om te blijven uitblinken in een discipline die hij sinds jaar en dag toch al min of meer in zijn eentje beoefent – blootvoets voetballen met mensen die twintig jaar jonger zijn (en wél sportschoenen dragen) op hard, schuurpapierachtig beton. Regen is geen enkel probleem. Voeten worden veel sneller droog dan schoenen. Alleen in de winter is het te koud. In de winter draagt hij sandalen.
De zon staat inmiddels loodrecht boven mijn hoofd. Een nieuw groepje begint aan de warming-up. Ik zit er met een half oog naar te kijken: vanwege de hitte hebben de spelers hun haar natgemaakt, de jongens met langer haar schudden hun hoofd en het water spettert op hun teamgenoten.
Ik zou eigenlijk wat water moeten drinken, maar opstaan lijkt me te vermoeiend. De critici zitten ook weer op hun plek, met volle flesjes bier. Later, als de training weer in volle gang is, roept een van de stadionstamgasten de hele tijd: ‘Buitenspel!’ De andere mannen lachen. Ik kijk naar het veld, het zou gek zijn als er aan de lopende band iemand buitenspel stond. Al snel heb ik door dat het blijkbaar een geintje is van de inmiddels behoorlijk beschonken stadionstamgasten. De junioren spelen helemaal niet tegen elkaar, ze oefenen met schieten op doel. Als je maar lang genoeg naar buitenspel staart, kijkt buitenspel op een gegeven moment terug. Als je maar lang genoeg aan de stadionstamgasten overgeleverd bent, verlies je je verstand. Het zijn kansloze figuren, alcoholisten, maar erg gemeen. Ze weten precies hoe ze je op de knieën kunnen dwingen, ze prikken waar het pijn doet. En als er even niemand is om te prikken, halen ze dit soort fratsen uit. Dan roepen ze: ‘Buitenspel!’
Het is nadelig om een dochter te hebben, maar het is ook nadelig om een dochter te zijn. Mijn haar is altijd kortgeknipt, mijn kleren zijn absoluut niet meisjesachtig en ik word aangesproken als een jongen. Maar waar gevoetbald wordt, wordt nou eenmaal ook gescholden, en dat is een probleem. Dan ben ik plotseling toch weer een zij.
Elke keer als Slobodan Marković jongens met een bal ziet, springt hij ertussen en probeert met ze mee te doen. Als een ambassadeur van de goede wil motiveert hij alle kids om hun beste beentje voor te zetten, en als het echt lekker loopt, als iemand een mooie actie maakt, schreeuwt hij enthousiast: ‘Dit is pas voetbal!’ Zelf heb ik best wat sporten beoefend en meestal kan ik goed meekomen. Alleen bij voetbal niet.
Ik staar naar het veld. De kleur groen is mooi en maakt alles weer goed, groen biedt troost en stemt optimistisch, maar alleen als je andere lichaamssignalen weet te negeren. Twee kraaien komen elkaar tegen in het gemaaide gras. Dan wordt de zon weer fel, de kleuren intens. Alles wat me kwelt, doemt ineens weer op vanuit de achtergrond. De misselijkheid, de jeuk aan mijn neus, dat soort dingen.
Water, denk ik, maar te laat. Nu is het zaak bij de les te blijven.
Terug naar het stadion. De wind blijft uit. De snelweg wordt stil. Het licht is fel, maar mijn huid brandt niet meer. De pijn verdwijnt. Zwak ben ik.
Lieve luisteraars, onthoud deze dag, dit moment, waarop het meisje op de tribune toch maar overeind komt en op pad gaat om het enige te halen wat hier te halen valt: water. Maar misschien redt ze het niet. Misschien is het te laat. Laat deze scène goed tot je doordringen, hier gaat het in voetbalverhalen maar zelden over. Ze vecht als een pelikaan die verstrikt is geraakt in een visnet. Vechten helpt in deze situatie niet. Ze haalt adem, haalt adem, hyperventileert. Onthoud deze naam. Onthoud dit gezicht, bleek als na een vampierenbeet. Haar lichaam speelt de laatste en wanhopigste troefkaart die een levend wezen achter de hand kan hebben: flauwvallen. We zien weliswaar dat ze zichzelf knijpt en wakker probeert te blijven, maar dat er tegelijkertijd al een zekere ontspanning intreedt. Mogen we het voorpret noemen?
Er drijven een paar vriendelijke wolken over. Iemand praat, ergens ver weg, het gaat je allemaal niets aan. Net als bij voetbal, haha, gebeurt ergens ver weg, gaat je allemaal niets aan. Het binnenpretje landt en vervliegt weer. Een stem dringt zich aan me op, maar het is alsof die stem uit een andere kamer komt, uit een ander land, vanachter een berg, vanaf de tegenoverliggende kust. Langzaam rollen de woorden mijn kant op. Nee! Ja, helaas, het is weer gebeurd. Stukje bij beetje komt de geur van de realiteit terug, een cocktail van bier, pis, aarde en parfum. Het werd me te veel. Gemiste kans. Iets drinken was mijn redding geweest. Boven me hangen verschillende gezichten, dat weet ik, maar ik kan niet zeggen of mijn ogen open zijn. Ben ik bij zinnen of buiten westen, een van de twee krijgt de bovenhand, je merkt de overgang het eerst aan het geluid, alsof je in een rijdende trein je hoofd uit het raam steekt. Ik ben nog niet helemaal terug, iemand helpt me overeind en zegt:
‘Niks aan de hand.’
Maar ik kan niet staan, ik moet weer gaan zitten en staar naar de grond. Onder mijn neus zweeft de ronde grote teen van Slobodan Marković, met een dikke pleister erop.
- Details
- Auteur Barbi Marković
- Genre Fictie
- Vertaling Lotte Lentes
- Aantal bladzijden 96
- NUR-code 302
- Uitvoering Paperback met flappen
- Verschijningsdatum 21 mei 2026
- ISBN 9789083616278

