Het oogappeltje van dokter Josef

Het oogappeltje van dokter Josef

 23,50

  • Synopsis

    In de broeierige zomerhitte kijken de zusjes Leokadia en Czechna terug op hun jeugd. Samen met de andere bewoners van een bejaardenhuis vlak buiten Warschau proberen ze zich te verzoenen met een leven dat voorbij is gegleden, een lijf dat af en toe tegensputtert, en wachten ze eindeloos op kinderen die hen bijna nooit bezoeken. Maar de verhalen van de zusjes steken schril af tegen die van de anderen. Op twaalfjarige leeftijd werden Czechna en Leokadia afgevoerd naar Auschwitz, waar ze overgeleverd waren aan dokter Josef Mengele, de nazi-officier en genetisch wetenschapper die als legerarts gevangenen, voornamelijk tweelingen, martelde onder het mom van wetenschappelijk onderzoek. Op de mooie Czechna was hij bijzonder gesteld, en de zusjes overleefden het. 

    Zyta Rudzka drijft de taal tot het uiterste, meedogenloos maar vol humor, om uitdrukking te geven aan diepmenselijke worstelingen met ouder worden, vervulde en onbeantwoorde liefdes, herinneringen, en de fragiele grens tussen goed en kwaad. Maar boven alles onderzoekt Het oogappeltje van dokter Josef wat het betekent om een lichaam te hebben, dat ons zowel kan redden als verraden.

  • Recensies

    Het oogappeltje van dokter Josef is een beklemmende roman over twee tweelingzussen die de gruwelijke experimenten van Josef Mengele overleefden en nu in een tehuis worstelen met hun herinneringen. Erg mooi vertaald door Charlotte Pothuizen.’ Gerdien Verschoor in Trouw

    ‘Bezield en teder, en in glasheldere taal, zeer mooi vertaald door Charlotte Pothuizen.’ Ilse Josepha Lazaroms in De Groene Amsterdammer

    ‘Dit boek is benauwend als een hete, zwoele zomer waarin je hopeloos wacht op regen. Maar je kunt het niet in de boekenkast zetten of onder een stapel kranten verstoppen. Het heeft een enorme kracht.’ Wyborcza

    ‘Zyta Rudzka confronteert ons met een waarheid die we niet al te vaak willen horen, en die oppervlakkig gezien ook banaal is: onsterfelijkheid bestaat niet. Ook al loert digitale onsterfelijkheid al om de hoek.’ Nowe Książki

    Het oogappeltje van dokter Josef laat zien hoe ons geheugen werkt, en hoe verrassend goed we zijn in het vervormen van verschillende ervaringen.’ Newsweek



  • Fragment

    De eerste keer dat ze voor dokter Josef stond, twaalf jaar oud en naakt, kon ze zijn verrukking voelen. Een krachtige, aandachtige blik. Een gebalde hand in een witte handschoen. Regelmatige klappen van de zweep tegen opgepoetste laarzen.

    Hij had haar direct opgemerkt. Gratig. Pezig. Capillair. Een gezicht omsluierd door dichte krullen. Een berijpte onderbuik. Kromme kuiten. Dijen waartussen zich een bel winterlucht had gewurmd.

    Ze stond in de groep tweelingen, gebochelden, kreupelen en dwergen. Tussen de kinderen met misvormde ledematen die over een paar weken in het biologiemuseum tentoongesteld zouden worden. Naast haar huilden blozende kleintjes, nog warm van hun moeders armen. Ze lieten hem ook zigeunerbaby’s zien met prachtige tanden en perfect gewelfde schedels, die na het uitkoken vele bureaus zouden tooien. Ze zouden goed passen bij de stilte van Berlijnse werkkamers en bibliotheken.

    Hij had alleen oog voor haar. Ze hadden haar tweelingzus bij haar geschoven. Hij wierp een blik. Anders. Hij knikte amper. Zond zijn wijsvinger naar rechts en wijdde haar tot onderzoeksmateriaal.

    Weer bekeek hij alleen haar. Hij gunde haar geen woorden of aanraking. Zijn bewondering was stil. Hij betastte haar met zijn blik. Bezoedelde in gedachten. Gleed met zijn ogen langs haar borsten. Kinderlijke. Ineengekrompen. Met minuscule tepelhoven. Tepels die leken op bleekroze aardbeien in de vroege zomer.

    Ineens naderde hij. Een stap. Twee. Bleef dichtbij staan. Stak zijn arm uit. Raakte haar met de zweep. Het lichaam gaf mee. De huid verzakte tot een geultje. Hij duwde. Het deed pijn. Ze bewoog niet. Ja, gut. Ze beviel hem wel.

    Hij haalde de zweep weg. Ze was anders. Huilde niet. Alsof ze de kou niet voelde. De stank niet rook. De lucht van verbrand mensenvlees. Ze stond daar verveeld. Leunde van het ene op het andere been. Met een dreigend gezicht. Gespannen. Ze voerde de opdrachten uit. Hurkte. Ging op haar tenen staan. Hief haar armen. Draaide. Met haar zij naar hem toe. Met haar rug. Ze bukte. Stak haar achterste uit. Ging rechtop staan. Keek hem recht in de ogen. Dat vond hij verrassend, maar ook vermakelijk. Er kleefden wat haren aan haar mond, ongehaast streek ze die weg. Ze bracht daarbij een vinger naar haar lippen, alsof ze hem gebood te zwijgen.

    Hij was tevreden. Het was een gecondenseerd genoegen dat ze zoiets voor hem hadden meegebracht.

    Hij wilde haar een zet geven. Haar zien gaan. Op het zand. Hij duwde haar uit alle macht. Ze viel. Lag. Met gespreide armen. Benen uit elkaar. In het grind gedrukt. Maar nog niet dood. Ze verroerde zich. Bewoog. Herrees. Strekte zich. Veegde de afscheiding van haar gezicht die er bij de val uit was gespoten.

    Iedereen was bang voor de zomer, maar niemand sprak erover.

    Maar die naderde. Traag. Ongehaast. Onverbiddelijk. Eerst had het kort fris geregend, maar het gras had de dauw al snel afgeschud. Toen begon de zon harder en harder te branden. De stromen fel licht groeiden en veroverden de ene na de andere beschaduwde plaats in de tuin.

    De knaagdieren waren vertrokken naar de velden. De penetrante lucht van muizenurine was niet eenvoudig uit de eetzaal te verjagen. De gewitte tafels waren buitengezet. Daar werd nu gegeten, gerust, gewacht op familiebezoek. Het terras was geplaveid met tuintegels. Gekartelde. Gebarsten. Enkele grassprieten wurmden zich eronderuit.

    Mevrouw Czechna zette een eerste stap. Ze bewoog behoedzaam, alsof ze vanbinnen helemaal verbrokkeld was. Haar hoofd deinde vervaarlijk, het paste niet bij de romp en leek met kracht op de slappe hals te zijn geplant.

    Al lopende keek ze naar de bewoners. Ze zaten op het terras. Keken voor zich uit. Genoten van de zon als roerloze hagedissen tussen de stenen. Ze lieten zich zalven door de warmte. Schedels begroeid met enkele dorre haren. Gezichten die van meerdere stukken huid leken te zijn genaaid. Wangen bezaaid met blauwe plekken, wonden, etterende schrammen. Oogleden van vloeipapier. Ziekelijk gezwollen buiken. Gegroefde handen. Knoestige vingers. Dijen als jabots. Losjes hangend. Die schommelden bij elke lichaamsbeweging. Uit schoenen en muiltjes bevrijde voeten. Knobbeltenen. Aanhangsels. Gezwelletjes. Weke uitstulpingen.

    Ze leken ergens op te wachten. Urenlang tuurden ze naar de toegangspoort. Tegen het middaguur was die nog amper te zien, ze smolt in de zonnehitte, vervloeide met de roestige spijlen van de omheining. Het verweerde deurtje leek altijd gesloten te blijven. Alsof het nep was en niemand erdoor naar buiten zou kunnen. Waarachter niets bestond.

    Mevrouw Czechna bleef staan. Ze kreeg een kop met warme vloeistof te pakken. Haar vingers sloten zich om het glas. Ze greep het vast zoals iemand wie het duizelt steun zoekt tegen een muur. Ze kneep haar kleefogen tot spleetjes.

    In bakken waren eenjarige planten gepoot. In aardewerken potten gevangen ficussen werden in de frisse lucht gezet. Hun gezwollen, vlezige bladeren torenden boven het gazon uit. De oude ranken van de wingerd maakten plaats voor jonge groene, die algauw het hoge hek om het terrein bedekten.

    De parasols van verleden jaar werden afgestoft. Ligbedden, plastic stoelen, campingtafeltjes op het terras gezet.

    Aha, dus het is zo weer juni.

    Zei ze zachtjes in zichzelf.

    Ze ging even zitten. Pakte haar poederdoos. Deed de pluk haar boven haar oor goed. Bekeek zichzelf een poos in het kleine ovale spiegeltje. Ze was trots op haar gladde huid. Als ze een bril had gedragen, had ze een dicht net van kleine sneetjes in haar wangen gezien, zoals die door een papierrand worden gemaakt. Ze leek op een porseleinen pop uit een antiekzaak.

    Dat was ik jullie vergeten te vertellen.

    Begon haar tweelingzus, mevrouw Leokadia. Ze had een kinderstemmetje.

    Luister, gister kwam er een lieveheersbeestje op m’n rok zitten. Een schitterend klein lieveheersbeestje. Op de radio zeiden ze dat er weiden zijn met achtendertig varianten wilde orchideeën en twintig bijensoorten. Is dat niet schitterend?

    Ze glimlachte haar bruine tandvlees bloot.

    Een poosje later sprak ze weer:

    Ruiken jullie het? Het is al zomer, hè? Het liefst zou je naar je buitenhuisje gaan. Al wat leeft is in de weer, bruist, bloeit. Moedertje Natuur maakt zich mooi voor ons. Alsof ze over een dag of twee iets belangrijks te vieren heeft. Een schitterende gebeurtenis. Kijk nu toch hoe mooi het hier is. Zie je dat, Czechna? Je bent blij, hè? Gisteren waren we hier twee jaar, we hebben wat gehuild, maar vandaag kunnen we weer gelukkig zijn. Schitterend. De lente is voorbij, maar het is nog steeds zo mooi.

    Ze keek om zich heen. Haar kin trilde.

    Ik ben het volledig met u eens, mevrouw Leokadia. We zijn geluksvogels.

    Beaamde meneer Henoch knikkend.

    Hij was bijna tachtig. Hij was opgeblazen, opgezwollen, zijn eivormige schedel was bedekt met restjes haar waar levervlekken doorheen schemerden.

    We kunnen recreëren. Frisse lucht scheppen. Naar hartenlust ontspannen.

    Riep hij verrukt.

    Hij wierp een blik op de huismeester bij het schuurtje met het tuingereedschap. Zijn bouw kwam hem log voor, roerloos als een obelisk. Toen keek hij naar mevrouw Czechna. Ze showde haar slanke benen in een bietenrode broekrok. Naast haar mevrouw Leokadia. Ze ging schuil onder een jurk van dunne crêpe met een diep decolleté, omzoomd met een ruche, waarover ze een sjaal met een geel sleutelbloemenmotief had geslagen.

    Meneer Henoch glimlachte om zijn eigen gedachten. Aan de kleding van de zussen kon je zien dat het zomer was geworden. Ze hadden de donkere kleuren losgelaten. Het vilten hoedje van mevrouw Leokadia had plaatsgemaakt voor een strohoed met een golvende rand, mevrouw Czechna droeg haar haar nu liever los.

    Ze waren altijd perfect gekleed. Zelfs aan tafel deden ze hun verfijnde handschoenen niet uit. Ze hadden bleke, bijna aristocratische gezichten. Meneer Henoch had een zwak voor bleke vrouwen. Al wilde mevrouw Leokadia wel eens baksteenrood blozen, een neveneffect van vermoeiende bloeddrukschommelingen. Bovendien werd haar schoonheid ontsierd door haar neus, met een bot zo puntig dat het leek alsof het bij een volgende grimas de huid zou doorboren.

    Mevrouw Czechna was fijner. Frêle. Een fijn ovaal gezicht. Beschaduwde, altijd half geloken ogen; zo waren ze geschapen, of ze waren gevoelig voor licht.

    Ze had nog altijd het profiel dat dokter Josef ooit had bewonderd. Het gebeurde wel dat hij haar aanraakte. Haar lange haar aaide, het naar achteren streek zodat het een ruime cape vormde. Haar kegelvormige borsten streelde. Naar de plek tastte waar een assistent even later de bruinige vloeistof afkomstig uit de etterende onderarm zou injecteren.

    Die onderarm had mevrouw Czechna niet meer. Haar lege mouw eindigde in de insteekzak van de broekrok. Ze was elke week gefotografeerd. In de ziekenhuisbarak. Bij het afnemen van bloed uit haar oren. Op een draagbaar bij daglicht. Dokter Josef was trots op deze fotocollectie. Hij documenteerde zijn maandenlange werk, toonde aan dat het menselijke materiaal niet verspild werd.

    Ruiken jullie de zee, beste mensen?

    Begon meneer Henoch terwijl hij rechtop ging zitten in zijn stoel.

    Duidelijk een bries, nietwaar?

    Zei hij en hij keek naar mevrouw Czechna, op zoek naar bevestiging.

    Een zuchtje frisse lucht. De zee is te proeven. Zoute deeltjes. Jodium, jodium, proeven jullie het?

    Vroeg hij en hij ging met zijn tong langs zijn lippen. Ruwe lippen. Gebarsten, van het afgezette zeezout, leek het wel.

    Proeven jullie de zee?

    Zei hij opgewekt smakkend.

    Ze antwoordden niet.

    Ze zaten te wachten op kersen. Ze mijmerden over kersen in hun slaapkamers, de recreatiezaal, de behandelruimte, op het terras en op de gangen. Ze haalden herinneringen eraan op tijdens de medicijnronde, het rusten, in de rij voor het bad. Wanneer ze zich verveelden. Terwijl de temperatuur werd opgenomen. Ze uitkeken naar familie. Ze leden. Ze naar de rozen en anemonen in de vazen keken.

    Ze hadden het alleen nog maar over kersen. Wie van welke hield: grote met een dun velletje, kleine, zoete, waterige. Vezelige, zure, die op morellen leken. Of lichte, donkere, purperrode, vlezige, bijna melige. Mooie stevige, bijna zonde om op te eten. Misvormde, stukgepikt door spreeuwen, rottende, schimmelige, met een bittere, waterige blaas. Met een piepklein pitje, een broze dop. Of juist met een enorme harde, die zich in het vruchtvlees had genesteld en alle zoetheid voor zichzelf had gehouden.

    Zo nu en dan deed meneer Henoch zich tegoed aan zijn herinneringen aan de mango’s die hij in Afrika had gegeten. Hij beschreef het dikke weeë sap, dat traag langs zijn kin droop. Maar ze overschreeuwden hem dan altijd: Kersen, onze kersen.

    Iedereen wilde vertellen over de kersen waarvan ze in hun jeugd hadden gesmuld. De mannen schepten op over hoe hoog de bomen waren geweest waarin ze waren geklommen. Snel. Blootsvoets. Met hun knieën de weerbarstige stam omklemmend. Hoe ze het fruit helemaal uit de top plukten, hoe de takken schudden, doorbogen tot de grond. De vrouwen haalden lieflijke herinneringen op aan tweelingkersen. Die hingen ze aan hun oren. Ze droegen ze trots, als oorbellen met robijnen.

    Ze lieten elkaar niet aan het woord. Iedereen wilde gehoord worden. Eens, heel lang geleden, aten ze die allerbeste, allerlekkerste kersen. Uit oma’s mandje. Uit opa’s eeltige handen. Uit hun moeders mond. Van hun vader. Van een minnares. Verloofde. Bruid. Een onbekende.

    Ze zaten te wachten op kersen. Onderwijl vulden de dessertschaaltjes zich met aardbeienpuree, rabarbertoefjes, perenmoes en stukgekookte appels bestrooid met kaneel.

  • Details
Uitgeverij Koppernik Boeken Zyta Rudzka Het oogappeltje van dokter Josef