Er was eens een stenen hoofd

Er was eens een stenen hoofd

 22,50

Dit boek is nog niet verschenen, u kunt wel alvast een exemplaar reserveren.
  • Synopsis

    De grote tempel Borobudur op Java bevatte ooit meer dan vijfhonderd Boeddhabeelden. Nu is de helft ervan hoofdeloos. De losse hoofden werden afgelopen eeuwen grif verzameld en door musea in het Westen tentoongesteld. Maar waar zijn de hoofden gebleven die werden meegenomen door particulieren? In negen steeds kortere hoofdstukken – verwijzend naar de negen verdiepingen van de taps toelopende Borobudur – ontvouwt zich een grimmig sprookje waarin een stenen beeld de zwijgende hoofdpersoon is. Nadat een fotopionier het vindt, belandt het onder andere in handen van een theeplanter, de weduwe van een schilder en een Nederlandse verzetsvrouw.

    Er was eens een stenen hoofd is een avonturenroman die de magie verkent die plekken en objecten onmiskenbaar bezitten. In haar kenmerkende poëtische stijl toont Ineke Riem dat we allemaal onherroepelijk worden geconfronteerd met het leven en met onze geschiedenis, die maar moeilijk ongedaan kan worden gemaakt.

  • Recensies

    Over de bundel Onderwaterverhalen:

    ‘Sinds haar debuut bouwt Riem boek na boek aan een eigen literair universum dat gewild haaks staat op de dagelijkse realiteit waarin geen plaats meer is voor contemplatie en verwondering.’ Knack Focus ****

     

    Over de roman Zeven pogingen om een geliefde te wekken:

    ‘Een bundel verhalen, die ongelofelijk knap is geconstrueerd en tot in de puntjes klopt, met onvergetelijke personages, een even geraffineerde als originele vorm en een vertelkracht die van de bladzijden spat.’ Jury Dioraphte Jongerenliteratuur Prijs

    ‘Opvallend, beeldend taalgebruik en stilistische veelzijdigheid. Feeëriek en meeslepend.’ Jury Bronzen Uil

    ‘Dit filosofische sprookje is een ode aan de verbeelding en de droom als redmiddel.’ Jury Academica Literatuurprijs

    ‘Als lezer raak je gegarandeerd in de ban van Riems bezwerende stijl.’ Marnix Verplancke in Knack ****

    ‘Onderscheidt zich van vele eigentijdse debuten. Ongewone figuren, intiem en poëtisch geschilderd.’ Esther Wils in Algemeen Dagblad ****

    ‘Bloemrijke zinnen die van de pagina’s afspatten.’ Thomas de Veen in NRC Handelsblad

     

    Over de dichtbundel Fantasii:

    ‘De bezielde gedichten in Fantasii zijn opzienbarend. Riem laat zien: taal kan wat stuk is heel maken.’ Janita Monna in Trouw

    ‘Een intieme, intelligente verkenning van de vrouwelijke psyche.’ Jeroen Dera in De Standaard ****

    ‘Een groot feest. Het is absoluut een gave van de dichteres om de verbeelding ongebreideld op elke bladzijde los te laten en de lezer daarin vol overgave mee te nemen.’ Dietske Geerlings in Poëziekrant

  • Fragment

    Er was eens een kunstenaarsvrouw. In haar donkere woonkamer, met ramen op het noorden (het winterse park) en met half gesloten gordijnen, had ze niet gezien waar ze liep en de doos met glasnegatieven laten vallen. Daar lag haar laatste grote reis met hem samen, Nederlands-Indië, in zeventienduizend stukken om haar heen – een eilandenrijk van glassplinters. Ze zag een half paardenhoofd, een stuk berg of vulkaan, de hand van een godenbeeld, welke kon ze niet zeggen.

                De schrik klopte in haar keel. Ze keek om zich heen alsof ze verwachtte dat op elk moment uit de hoeken van de kamer suppoosten konden komen aanrennen om haar te straffen voor haar onzorgvuldige omgang met erfgoed van belang – maar er kwam niemand. Ze was gewoon thuis en zo heel belangrijk was dit erfgoed niet: het waren maar opnamen van plekken die ze bezocht hadden, kiekjes van kennissen. Het waren gedeelde herinneringen van twee mensen van wie er een al was verdwenen en de ander dat vroeg of laat (liever vroeg wat haar betreft) ook zou doen. Niks van waarde voor de eeuwigheid. Niks vergeleken bij de Breitners en Israels die op de purperen wanden van de kamer hingen, de bijzondere boekbanden die in de kasten aan weerszijden van het raam stonden, de kunstvoorwerpen uit het Oosten – een porseleinen Guanyin, een Boeddhahoofd dat per ongeluk mee terug was gereisd uit Indië.

                De vrouw raapte een grote scherf op. In negatief zag ze het grote, onafgewerkte Boeddhabeeld dat aan de voet van de Borobudur op een verhoging zat. Tijdens de renovatie van ’07-’11 was het – volgens de gids die haar man ter plekke had aangeschaft bij de opzichter – gevonden in de grote, holle stoepa op de top van het heiligdom. Men wist niet of het daar al sinds de bouw in verborgen had gezeten – en waarom: een onaf beeld? – of dat het er later was geplaatst. Een mysterie, dat beeld. Het geheim van de Borobudur.

                Ze zakte op de grond – in niets anders dat het hemd van wijlen de kunstenaar – en trok haar nog mooie benen op, leunde met haar kin op haar knieën. Muze op latere leeftijd – maar wie zou haar schilderen? Ze dreef af in gedachten, bleef lang zitten tussen de negatiefscherven, onbeweeglijk alsof ze poseerde, alsof ze mediteerde, tot ze vroeg in de ochtend (had ze werkelijk de hele nacht niet bewogen?) uit haar stille staat werd gewekt door luide, hoge kreten. Even raakte ze gedesoriënteerd, meende ze weer op Gambar te zijn en de apen te horen in het oerwoud achter de plantage. Maar het waren natuurlijk de apen uit het dierenpark aan de andere kant van de Singelgracht die zo hard joelden (om fruit, om oerwoud?) dat ze ze helemaal aan de Parkstraat kon horen. Ze stond op, alles was stijf, haalde haar voet open aan een stukje glas.

    Er werd over haar gesproken, in de buurt, onder de kunstenaarsvrienden van haar man. Ze sloot zich op in huis, vereenzaamde. Dat was niet goed, niet zij, niet hun Marietje. Ze wilde niks wegdoen, niks verplaatsen. Zijn schilderjas, palet lagen op de plek waar hij ze achterliet, maar zijn laatste onvoltooide zelfportret hing ze aan de wand. Buiten haastte de tijd zich al dansend en champagne drinkend de ronkende, toeterende, filmische jaren twintig door. Maar geen charleston voor haar, geen korte jurk met kraaltjesfranje. Binnen bleef het 1923, voor altijd 1923, haar huis een tijdcapsule waarin zij steeds minder deed, steeds minder at. Langzaamaan veranderde ze daar in een museumstuk.

                Dat kwam ervan als je een liefde beleefde die haast een sprookje was. Dan moest het boek wel open op tafel blijven liggen, was het onmogelijk je ertoe te brengen de laatste bladzijde om te slaan. Liefde, mijn hart, eeuwig – in gedachten herhaalde ze de laatste woorden van de kunstenaar als een oud-Indiase mantra. De alleskunner was op zijn doodsbed ook nog dichter gebleken.

                Hij was de neef van haar man. Toen ze hem ontmoette had hij al kinderen, een vrijgevochten echtgenote. Ze hoopte dat hij gelukkiger was dan zij, dat ze niets hoefde met de spanning die haar bekroop als ze hem bij gelegenheden zag. Hij was begin veertig, zij nog een twintiger. Toen zijn huwelijk strandde en hij definitief terugkeerde naar Amsterdam stuurde ze hem ansichtkaarten zonder afzender. Ze durfde wel.

    Later bekende hij dat zijn eerste vrouw en hij onverenigbare naturen hadden gehad. Ook zijn neef, haar echtgenoot, en zij waren een slechte match geweest: haar man hield niet van haar. Dat hele huwelijk was een vergissing geweest. In afwachting van haar eigen scheiding betrok ze met haar dienstmeisje de bovenverdieping van het huis waar hij beneden zijn atelier had. Ze hadden elk een eigen voordeur, hij aan de linkerzijde van het pand, zij rechts. Keurig gescheiden. Maar halverwege haar trap was een tussendeur.

                Wie hem niet kende, vond de kunstenaar zwijgzaam, zwaarmoedig zelfs. Opgesloten in donkere kleuren – een Van Gogh die nooit naar Frankrijk was gegaan. Misschien omdat hij hardhorend was, zich niet kon mengen in het gekrakeel. Hij vond zichzelf een raar misbaksel. En dan speelde hij ook nog cello, de sombere koning van alle instrumenten. Maar in haar had hij een dartele pianiste gevonden, een muze met grote, zachte ogen die in een witte kimono het contrast tussen donker en licht bracht dat zijn etsen zo goed maakte – al schold de pers hem uit. (Hij gaf niet om dat gelul, hij wilde gewoon werken. In zijn schuit over de grachten gaan en schilderen wat hij zag.)

                Maar in Indië was hij snel oud geworden, ze had het zien gebeuren in de winter van ’20-’21. Het kwam door het verrekte portret dat haar geliefde daar had gemaakt, een opdracht die hij niet kon weigeren. Later noemde hij het ’n failure, maar het was wel een (niet eens zo erge) mislukking die zijn levenskrachten uit hem had weggetrokken. Hij was uitgeput toen het af was, kortademig. Ze was bang voor opspelende bronchitis. Opeens was hij een man van zestig geweest met een smal gezicht en een futloze snor, iemand op de drempel van de ouderdom. Haar Wim!

    Hij had er een maand aan gewerkt. Elke dag toog hij naar het paleis te Buitenzorg om daar in de onbarmhartige hitte, uren staand achter een niet-verstelbare ezel, de ridderordes en epauletten, de strenge ogen en de rol staatspapieren te schilderen van niemand minder dan de Gouverneur-Generaal. Terug in Hotel Bellevue kon hij ’s avonds niet meer op zijn benen staan en was zij het die zijn penselen uit ging wassen.

                Nadat de zeer eervolle opdracht af was – het Bataviaasch Nieuwsblad wist niets beters te schrijven dan dat het werk ‘een sieraad voor het gebouw’ was geworden; de maker verklaarde dramatisch dat hij zich ging opknopen – zouden ze per spoor doorreizen naar haar broer, die een onderneming leidde in Oost-Java. Toen ze vooraf inkopen deden in Batavia zag de kunstenaar in een zaak met kantoorbenodigdheden een tropencamera van teakhout met gelakt messing. Een uitklapbaar model met bijpassende leren schoudertas, zowel geschikt voor rolfilm als voor de oudere droge platen. De prijs was natuurlijk hoog, maar dat was nooit een bezwaar geweest voor iemand als hij – telg uit een geslacht van handel drijvende burgemeesters en welgestelde verzamelaars.

                 Toen hij de camera in zijn handen nam, zag zijn vrouw in zijn blik iets van de jonge kunstenaar die hij moest zijn geweest in de jaren achttientachtig, voordat ze hem kende, in wiens warm gestookte atelier zijn kunstenaarsvrienden zich verzamelden, waar wijn (zijn wijn) en sigaren (ook van hem) rondgingen. In 1891 kocht hij zijn eerste platencamera, een Liesegang, en maakte hij onbevangen, soms dolle portretten van hen. Hij had een doka geïnstalleerd in een kast die later het wijnkabinet zou worden van twee dichters die op de etage verbleven nadat de kunstenaar met camera en al vertrokken was naar een villa op de Veluwe waar hij alleen nog zijn eerste vrouw en kinderen fotografeerde.

                De winkelbediende vroeg of mijnheer gelatineplaatjes of rolfilm in de houders geplaatst wilde hebben. Was het de herinnering aan een onbevangen tijd van vriendschap en artistieke idealen die hem deed kiezen voor de glazen negatieven? Of had hij zich te moe gevoeld voor het nieuwe?

  • Details
    • Genre Fictie
    • Aantal bladzijden 128
    • NUR-code 301
    • Uitvoering Paperback met flappen
    • Verschijningsdatum 27 augustus 2026
Uitgeverij Koppernik Boeken Ineke Riem Er was eens een stenen hoofd