Het einde van de wereld is een trein

Het einde van de wereld is een trein

 26,50

Dit boek is nog niet verschenen, u kunt wel alvast een exemplaar reserveren.
  • Synopsis

    Eind jaren veertig, in het noorden van Roemenië, dicht bij de Moldavische en Oekraïense grens. Het leven van Ștefan, Saveta en hun vijf kinderen is sinds de Sovjetbezetting veranderd in een wanhopige strijd om te overleven. De bronnen zijn opgedroogd en de dorpelingen lijden honger. Lijken liggen verspreid over de straten en geruchten over kannibalisme spoken door elk huis. In deze apocalyptische setting gaan Ștefan en zijn oudste dochter werken op een bouwplaats in een naburig dorp om treinkaartjes te kunnen kopen: hun enige hoop om te ontsnappen.

    Daniela Rațiu onderzoekt op basis van haar eigen familiegeschiedenis de lugubere onderdrukking van haar volk. Het einde van de wereld is een trein is een hartverscheurende getuigenis van de menselijke veerkracht, die in de context van hedendaagse oorlogen extra resoneert.

  • Recensies

    ‘Deze overlevingsroman wordt verlicht door glimpen van hoop, met een emotionele lading die des te verschrikkelijker is omdat het verhaal rechtstreeks van de bron is gedocumenteerd. De geschiedenis is wreed, en Daniela Rațiu verzacht haar niet.’ Revue des Deux Mondes

    ‘Alle zintuigen worden geprikkeld. Elektrisch geladen draden doorkruisen het decor als een verbinding tussen verleden en heden.’ Libération 

    ‘Het is een roman over een schokkende periode in onze recente geschiedenis, geschreven in een precieze en scherpe stijl, met herhalingen die de gruwelen van de mensen in dit deel van Bessarabië stilistisch accentueren.’ Observator Cultural

  • Fragment

    Midden op de weg het lijk van een soldaat. Hij zal worden opgegeten. Er landen zwermen vliegen op zijn gezicht. Ze bedekken zijn witte, uitgedroogde mond, gebarsten en bloederige lippen, open ogen. Een verblufte blik. Zijn laatste blik. Hij zal door zijnmedemensen worden opgegeten. Maar pas later, wanneer de schemering zich met de nacht vermengt. De zomerhitte heeft alles uitgedroogd. Al ruim twee jaar is er geen druppel regen gevallen. Er blaft geen enkele hond. Honden zijn in dit dorp nergens meerte bekennen. Ze zijn door mensen opgegeten. Die niet zijn opgegeten, zijn gevlucht. Ze verschuilen zich in de nabijgelegenbossen. En vallen aan. De honden vallen mensen aan. De mensen vallen honden aan. De bossen zijn ver van het dorp, het is moeilijk om ze te bereiken, om tussendoor te schuilen voor de ondraaglijke broeierigheid. De hitte maakt je gek. Onderweg kun je de geest geven, een lijk worden. Een lijk betekent vlees, voedsel, voor het oprapen. Een lijk is geen mens meer of een hond. Ofeen kat. Een lijk kan worden opgegeten. Het verstand is afgestompt door de hongersnood die deze hele streek in zijn greep houdt,van hier tot aan de overkant van de Prut, tot aan de overkant van de Siret. Elke gedachte draait om overleven. De geest is een lijkgeworden. Een grijs gebied op de grens tussen dier en mens. De geest is een dier. De hongersnood is almachtig, hier en ver weg, heel ver weg. Dit Moldavië, en aan de overkant van de Prut, Bessarabië, en nog verder, tot in Oekraïne. En nog verder. Ver. Tot inSiberië, aan de rand van de wereld.

    Het lijk zal worden opgegeten. Het soldatenuniform is vuil, stoffig. Het stinkt naar zweet en bloed. Gezoem van vliegen. Ze bedekken zijn gezicht. Zijn neusgaten. Zijn oren. Van hieraf, ter hoogte van het door vliegen bedekte hoofd, strekt de weg zich uit tot aan het einde van het dorp. In de verte is de rode hemel te zien. De zon gaat onder. In het dorp kun je een speld horen vallen. In die onnatuurlijke stilte de huiver voor hen die, zodra het donker wordt, het lijk zullen verslepen. Ze zullen het door het stof en de steentjes op de weg sleuren. Ze zullen zijn wapen en ransel meenemen. Ze zullen de dode verslepen. De zon is onder. Het heledorp is in schemering verzonken. Alle contouren vervagen. Van huizen, schuttingen, bomen, mensen. Er klinken naderende voetstappen. De vliegen zijn één geworden met het lijk. Hun gezoem sterft weg. Handen grijpen de ransel en het wapen. Andere handen grijpen de benen van het lijk. Het lichaam wordt over het midden van de weg getrokken. Het hoofd slaat tegen de stenen. Handen houden de ransel vast en slepen het wapen door het stof. Hij heeft de puf niet om het als een soldaat over zijn schouder te dragen. Taktaktak, het geluid dat het meegesleepte wapen tegen de steentjes maakt. Het gekrijs van een vogel. Schel. Het gekrijs begeleidt de bende van drie mannen die het lijk achter zich aan slepen. Een van hen, die met het wapen door het spoor van de versleepte dode loopt, kijkt op alsof hij wil zien waar in die duisternis, die het dorp versluiert, de krijsende vogel zit. Hij struikelt over het hoofd van de soldaat en valt met de ransel en het wapen over het lijk. Het blijft stil. De anderen kijken om en zien dat de derde met de spullen in zijn handen over het hoofd van de dode op het levenloze lichaam is gevallen. Het lichaam van de soldaat is blijven steken in de klauwen van de dood. Ze blijven staan.

    ‘Kom. Sta op.’

    Hij ligt languit over het koude lichaam van de dode. Bloedgeur. Stroperig bloed op het gelaat van de soldaat. De smaak van bloed en van huid. Zout en bedorven. Hij staat op en veegt met zijn mouw over zijn gezicht. Ze lopen verder en verslepen hetlichaam. Achter hen trekt het ontvelde hoofd een bloedspoor door het stof. De stilte van de nacht. Ze voelen allemaal eenonbestemde rilling in hun maag. Draaierigheid en buikpijn. Geen woord. De lijken worden ’s nachts opgehaald, want ’s nachts zijnde ogen van de ander niet te zien. ’s Nachts worden er geen woorden gesproken. Zonder de blikken van anderen gaat het uitbenenwerktuigelijk. Ze haasten zich niet, ze hebben de kracht niet om zich te haasten. Hoe dan ook zouden ze zich niet haasten, ze weten dat ze het lichaam van een dode achter zich aan slepen. Het is als een rouwstoet. Die bewuste gedachte is er nog, slechts een schaduw ervan, maar ze is er nog. Af en toe blijven ze staan. Ze komen op adem. Het is drukkend. Ze luisteren in denachtlucht of er iets te horen is, of er iemand aankomt. Er kunnen nog soldaten langskomen, er kunnen nog Russen langskomen.

    De Russen wil je niet tegen het lijf lopen. De mensen verstoppen zich. De Russen laten je niet zomaar sterven, zodat ze je als lijkkunnen verslepen. Nee. Totdat je door hun toedoen sterft, tot op dat moment, heb je een lange weg te gaan. Ze slaan je, snijden jelevend aan stukken, zonder je te laten sterven. De Russen brullen met uitpuilende ogen of hakken in stilte, nauwgezet, met hun priemende blik. Niemand komt je redden. De verkrachtingen. Op vrouwen jagen ze door hen achterna te rennen, terwijl ze huntanden bloot lachen. Het is geen lach, het is een bloedstollende grijns. Als ze het in hun hoofd krijgen om de driften tussen hun benen te stillen, is geen vrouw veilig. Geen van hen ontkomt als zij hun zaad willen lozen. Vrouwen vluchten halsoverkop zodraze tanks, pantservoertuigen, paarden horen naderen. Het gebrul van de Russen wanneer ze dorpen of steden binnentrekken. Devrouwen zoeken een schuilplaats. Sommigen ontkomen niet. Velen ontkomen niet. De Russen jagen op mensen. Voor zaad, voor moord, voor voedsel. Klaarkomen. Ontlading. Vrouwen, mannen, kinderen. Ze overrijden mensen, laten ze door hun paarden vertrappen. Alles wordt gevorderd. Uit het land vertrekken door locomotieven moeizaam voortgetrokken treinen, met graan, houtof aardolie volgeladen wagons. Alles wat kan worden meegenomen, wordt meegenomen. Oorlogsschuld. Aan het front is de oorlogtot een einde gekomen. De Duitsers zijn vertrokken. De Russen hebben hun plaats ingenomen. De Grote Broeder uit het Oosten.Het Rode Leger is met duizenden en duizenden en duizenden soldaten en tanks binnengevallen. De hemel trilt. Duizenden tanks,de rupsbanden walsen de steentjes plat wanneer ze door het stof op de weg rollen. De Russen duiken overal op. Dit is een andersoort oorlog. Een wurggreep waar je net niet aan sterft. Een doodsstrijd.

    Als de Russen komen, verberg je je in het diepste hol. Alles wat eetbaar is, wordt in beslag genomen. Gevorderd. Gestolen. Alles. Ze stormen je huis binnen, breken spullen, schieten voor het oog van de kinderen hun geweer leeg op ouders, steken met messen, snijden, scheuren, verkrachten, roven alles leeg. Er klinken salvo’s wanneer de Russen door het dorp trekken. Nu is er niets te horen. Maar veilig is het nooit. Het kabaal kan plotseling en zonder waarschuwing losbreken. Als ze binnendringen, zijn de laarzen van de Russen in het hele dorp te horen, kriskras door het dorp. De wapens net zo. Het lijk draagt laarzen. Een soldaat. Een jonge man. Voorheen. Nu een lijk. Hij is verdwaald, zijn makkers kwijtgeraakt. De oorlog is al een tijdje voorbij. Waar zou hij zijn verdwaald. Van wie zou hij er eentje zijn. Het soldatenuniform. De schouderinsignes zijn eraf getrokken. Hij hoort niet bij de Russen. De laarzen van de soldaat zijn gemaakt van dik leer. Zonder de zool kunnen de laarzen worden gekookt. Alleen het leer. Dat moet je lang koken. Het leer van de laarzen is eetbaar. Op het gekookte leer wordt lang geknaagd, dat stilt de honger. De stiltevan de nacht. Het gekrijs van de vogel. Geen van hen schrikt op. Ze lopen verder. Taktaktak, het wapen sleept over de uitgestorven weg. Als de Russen verschijnen, hebben zij ook een wapen. Dan zouden ze de trekker kunnen overhalen. Nu trekken ze het lichaam voort. Ze moeten oppassen dat de laarzen niet van de voeten van de dode vallen. Als de Russen verschijnen, kunnen ze niet met de ransel, met het wapen, met de dode en de laarzen wegkomen. Ze kunnen ze ook niet van zijn voeten halen. Dat zou deze zorgvuldige verplaatsing bemoeilijken. De magere man is nog een slungel, een tiener haast, en amper sterk genoeg om de ransel en het wapen te dragen. De andere twee moeten het lijk goed vasthouden. De mannen moeten het lijk, het wapen en de ransel meetorsen. Dat is zat om op te moeten letten. De laarzen mogen niet van de voeten van de dode vallen.

    Zweet loopt tappelings over de uitgemergelde lichamen van de lijkendragers. De verzengende hitte van overdag is blijven hangen. De nacht is even warm als de dag. De man met de ransel en het wapen duwt tegen een poort en houdt die open, totdat de andere twee het lijk het erf op hebben gesleept. Ze werpen een blik over hun schouder om te kijken of iemand hen heeft gezien.Dat zou hun niet uitmaken, maar ze willen wel weten of ze zijn gezien of niet. Het is bekend wie de lijken versleept. Mensenlijken, hondenlijken, elk lijk. Alleen ’s nachts. Zelfs al ziet geen levende ziel het gebeuren, iedereen weet het. De mensenweten hoe ze ’s nachts moeten sluipen zonder dat iemand hen hoort. Ziet. Of ze nou zelf lijkendragers zijn of dat de nacht hen onderweg heeft overvallen. Het is bekend wie de doden versleept en opeet door de geur van mensenvlees die zich ’s nachts verspreidt. Het is een penetrante geur. De stank van de nacht die zijn klauwen in je hart slaat. Je weet wat je ruikt zonder de geur te kennen, zonder zelf ooit iets te hebben bijgedragen aan het ontstaan van die geur. Je instinct vertelt het je. Dat is de geur vanmensenvlees. De geur verspreidt zich, de mensen ruiken hem, daarna kunnen ze niet meer slapen. De slaap wordt eennachtmerrie. De slaap kwelt je. De penetrante geur. Als het lijk wordt gebakken, als het wordt gekookt. Gedroogd kan het wordenbewaard, in zakken of op zolder. In de wind die het uitdroogt. De vogel krijst in de nachtlucht. De messen snijden. In stilte. Ze hakken. Ze klieven zoals je een watermeloen klieft. Het hart. Het is warm. Het lijkt een bloederige vuist.

  • Details
Uitgeverij Koppernik Boeken Daniela Rațiu Het einde van de wereld is een trein