Meester van de trommels

Meester van de trommels

 24,50

  • Synopsis

    Een geheim genootschap van Ovimbundu-krijgers; een magiër-koning; een vrouw die de geheimen van onzichtbaarheid kent; een soldaat die fotograaf wil worden – via wonderlijke personages vertelt Leila Pinto vanuit een nabije toekomst het liefdesverhaal van haar grootouders, Jan en Lucrécia, en schetst tegelijkertijd een geschiedenis van het koninkrijk Bailundo – en het hedendaagse Angola.

    In Meester van de trommels keert de gelauwerde auteur José Eduardo Agualusa terug naar zijn geboortegrond om een alternatieve, antikoloniale werkelijkheid te creëren die ons helpt begrijpen hoe veelvormig de geschiedenis van een land is, hoe een land ontstaat – en uiteindelijk verloren gaat.

  • Recensies

    ‘Meester van de trommels is een voorbeeldig eerbetoon. Agualusa is de meester van de tussentinten, een bevlogen pleitbezorger van de kruisbestuiving tussen culturen en identiteiten.’ de Volkskrant

    ‘Agualusa’s enorme en opmerkelijke verbeeldingskracht transformeert zijn romans in momenten die even episch als melancholisch en liefdevol zijn.’ The Independent

    ‘Een fascinerend verhaal over oorlog, liefde en identiteit en een hommage aan de rijke geschiedenis en mythologie van het Ovimbundu-volk.’ De Standaard

    Over Regentijd:

    ‘Agualusa’s unieke gave: lichtvoetig schrijven over gruwelen, zonder dat het ooit misplaatst voelt.’ de Volkskrant

    ‘In het prachtig geschreven Regentijd wisselen personages regelmatig van loyaliteit. Uit lijfsbehoud.’ Trouw

    ‘Een kleurrijke roman met als centrale figuur een legendarische trommelaar, wiens ritmes fungeren als dragers van het collectieve geheugen. Een liefdesverhaal, een reflectie op macht en verzet én een liefdevol eerbetoon aan de Angolese bakermat met haar magische cultuur. Agualusa is één van de beste Portugeestalige auteurs van het moment.’ Humo ****

  • Fragment

    1

    Als eerste zagen ze de andua liggen, op zijn zij in de rode modder, als een schitterende afwijking. Zijn felgroene veren glommen in de klamme stilte van die ochtend in januari 1902. Een van de soldaten, Nande, rijzig als een baobab, knielde neer bij de vogel: ‘Hij heeft geen verwondingen.’

    Vaandrig Luís Gomes Mambo hurkte nieuwsgierig naast de soldaat: ‘Ziek dus?’

    De jonge soldaat haalde zwijgend zijn schouders op. Een paar meter verderop troffen ze nog meer dode vogels aan en kort daarna een kleine gazelle. De berg Halavala rees als een drijvend eiland boven de mist uit toen ze na een bocht in de weg een legerkamp in het oog kregen. Dat moest het peloton van sergeant Pedro Amado zijn. Luís Mambo had instructies gekregen om zich daar bij de sergeant te voegen, zo’n tien kilometer verwijderd van de mythische berg. Het was de bedoeling dat ze dan allemaal samen, de Portugezen en Boeren van Pedro Amado en de lokale eenheden onder leiding van Luís Mambo uit Cabinda, oprukten naar het gebied van een Portugese handelaar, Silvestre Souto da Mata, bijgenaamd ‘De sukkel’, wiens winkels waren overvallen en geplunderd door strijders van Mutu-ya-Kevela, de koning van Bailundo. 

    Luís Mambo stond op. Hij was iets kleiner dan Nande en ongeveer even oud, maar hij liep altijd zo kaarsrecht dat hij langer leek, en was altijd zo in zichzelf gekeerd dat iedereen dacht dat hij ouder was. De vaandrig vermoedde het drama nog voor ze de eerste lichamen zagen.

    ‘Ik werd doodzenuwachtig van de stilte,’ legde hij drie maanden later uit aan luitenant Jan Pinto. ‘Je hoorde nog geen mug zoemen. Het was vroeg in de morgen en de lucht was kil en zwaar, als op een begrafenis. Op de hoogvlakte sta ik altijd vroeg op om tussen de bomen en struiken naar de vogels te luisteren. Dan is het net alsof de wereld voor je ogen ontstaat. U weet wel wat ik bedoel. Die ochtend voelde ik exact het omgekeerde.’

    Ze telden vijfentwintig lijken. De meeste zonder steekwonden, kogelgaten, blauwe plekken of kneuzingen. Sommige soldaten lagen in foetushouding, met hun ogen open en hun gezicht verstard tot een uitdrukking van intens verdriet. Een van hen had een gat in de grond gegraven en zijn hoofd daarin gestoken. Vier mannen hadden zichzelf door het hart geschoten. Twee hadden hun polsen doorgesneden. Sergeant Pedro Amado had zijn geweer vastgezet tussen twee rotsen en zich daarna voorover op de scherpe punt van de bajonet laten vallen.

    Niet in staat om te begrijpen wat er gebeurd was liep Luís Gomes Mambo van lichaam tot lichaam, probeerde zijn angst en afgrijzen te onderdrukken en dwong zichzelf de doden te bestuderen.

    Zou iemand dat geloven?

    Toen schoot hem te binnen dat hij foto’s kon maken. Hij liep naar de Boerenkar met dedrie ossenkoppels, pakte zijn plunjezak en haalde zijn fototoestel tevoorschijn, een Kodak-pocketcamera die hij twee jaar tevoren in Luanda bij een weddenschap had gewonnen van een Engelse reiziger. Het vierkante toestel in een hoes van rood leer was makkelijk te bedienen. ‘Een ware fotografierevolver!’ zo had de Engelsman het omschreven, en hij had gelijk. Luís Mambo maakte voor de verbijsterde ogen van zijn manschappen een tiental foto’s en stak het toestel terug.

    2

    Luitenant Jan Pinto bestudeerde de foto’s een voor een en hij werd bevangen door een stroom heftige emoties: angst, beklemming, immense nieuwsgierigheid. Ten slotte gaf hij de kaartjes met trillende vingers terug aan generaal João Crisóstomo, minister van Oorlog, die ze in een grote envelop stak en opborg in de la van zijn bureau, terwijl hij de jongeman hardvochtig honend aankeek: ‘Heb ik u laten schrikken, luitenant?’

    De jonge luitenant rechtte zijn rug: ‘Zoiets heb ik nog nooit gezien, excellentie. Wie heeft die foto’s gemaakt?’

    ‘Wat? Nog nooit een dode gezien?!’

    Jan Pinto bloosde. De middag daarvoor had een adjudant van de minister van Oorlog zijn schermles onderbroken om hem een dubbelgevouwen vel papier, zonder lak of zegel, te overhandigen met de boodschap: ‘Komt u morgenvroeg naar mijn kantoor.’ Was getekend, generaal João Crisóstomo. De jongeman had slecht geslapen van de zenuwen, hij snapte niet waarom de minister geïnteresseerd zou zijn in iemand als hij. En nee, hij had nog nooit een dode gezien. Hij had zelfs nog nooit deelgenomen aan een militaire actie.

    ‘Vertel eens, wat ziet u op die foto’s.’ De stem van de generaal was wat minder hard van toon geworden. Zijn staalblauwe ogen keken de luitenant niet meer spottend aan maar nieuwsgierig. ‘Wat vindt u het meest indrukwekkend?’

    ‘De uitdrukking op het gezicht van de doden,’ mompelde Jan Pinto. ‘Zo verschrikkelijk triest…’

    Generaal João Crisóstomo stond op: ‘Weet u wat ik zie? Ik zie vijfentwintig Portugese soldaten, allemaal dood. Waarom is volstrekt onduidelijk. De meesten van hen hebben geen enkele wond.’

    ‘Geen wond?!’

    ‘Ik weet dat het onzinnig klinkt, maar het is echt zo. Geen wond, niets! En we denken dat degenen die wel gewond waren zelfmoord hebben gepleegd.’

    [In die tijd bestond het koloniale leger in de eerste plaats uit Portugese soldaten, aangevuld met Boeren. Daarnaast had je de zwarte compagnieën, met niet alleen soldaten uit diverse delen van Angola, maar ook uit Mozambique en zelfs uit Guinee-Bissau. Die Afrikaanse compagnieën waren van fundamenteel belang in de strijd met diverse lokale koninkrijken. Als je kijkt naar het zogenaamde sociaaldarwinisme is het interessant te zien dat veel Portugese intellectuelen, hoezeer doordrongen ook van de racistische geest van hun tijd, de bijzondere waarde van de Afrikaanse soldaten erkenden. Zo schreef Sebastião José Pereira in zijn boek Vijfenveertig dagen in Angola. Reisimpressies, gepubliceerd in 1862: ‘Dat de Afrikaanse soldaat superieur is aan de Portugese wordt maar al te goed duidelijk op marsen door het binnenland: de Portugezen worden eerder moe, hebben meer last van het gebrek aan water en telkens als het struikgewas hen tegenhoudt, zijn het de empacaceiro’s die naar voren moeten komen om een weg open te hakken.’]

    João Crisóstomo was om zijn bureau heen gelopen en stond nu voor de jonge officier. Die was ook snel opgestaan, schutterig in zijn verwardheid, en keek zenuwachtig naar zijn schoenen. De generaal nam hem zwijgend op en plukte aan zijn lange
    sik.

    ‘Ik heb me laten vertellen dat u de taal van de Bailundo’s spreekt.’

    ‘Dat klopt, en ik versta ook de taal die ze in Luanda spreken, het Kimbundu.’

    ‘Mooi, heel mooi. Ik heb ook gehoord dat u hebt gestudeerd in Parijs…’

    ‘Ja, antropologie.’

    ‘Antropologie… Juist ja. En als ik het wel heb, hebt u een paar maanden geleden een voordracht gehouden in de sociëteit van het Aardrijkskundig Genootschap in Lissabon. Iets over de filosofie van de negers, begreep ik.’

    ‘Over de geschiedenis van het Koninkrijk Bailundo, ja, en het gedachtegoed…’

    De generaal zwaaide verveeld met zijn hand, alsof hij een vlieg uit zijn geest wilde wegslaan. De luitenant begreep het onmiddellijk. Die vlieg was een idee. Hetzelfde idee als hijzelf had gewaagd te verdedigen in het genootschap. Luitenant Jan Pinto was van mening dat de Portugezen zich om Afrika beter te koloniseren moesten verdiepen in de talen en gebruiken van de Afrikanen. Andere beroemde kolonisten waren hem daarin voorgegaan. Alleen ging de jongeman veel verder dan dat. Hij geloofde dat bestudering van de geschiedenis van de inheemse volkeren en hun gedachtegoed de hele mensheid kon helpen op haar weg naar vooruitgang en beschaving.

    ‘Op welke geschiedenis doelt u, als ik vragen mag?’ beet een vooraanstaand historicus hem onmiddellijk na zijn lezing toe met een stem die trilde van woede en verachting. ‘De geschiedenis van Afrika begint met de komst van de eerste Europeanen. De bewoners van Afrika, embryonaal ontwikkelde volkeren, afgestompt door hun manier van zijn, hebben nooit het schrift gehad en hebben dus ook geen gedachtegoed of geheugen!’

    De minister van Oorlog kuchte en haalde daarmee zijn gesprekspartner terug naar het heden.

    ‘Ik wil u op geheime missie naar Afrika sturen,’ zei hij met gedempte stem. ‘U vaart met het eerstvolgende schip naar uw land van herkomst… U bent toch in Angola geboren, nietwaar? Hoewel u eerlijk gezegd eerder een Zweed of een Hollander lijkt dan een Afrikaan… In Luanda wordt u opgewacht door vaandrig Luís Gomes Mambo, de maker van die foto’s. Ik wil trouwens ook een gedetailleerd verslag over dat heerschap, ik wil alles weten, om te beginnen hoe het komt dat zo’n zwarte zich interesseert voor de fotografeerkunst. Vervolgens gaat u samen met hem uitzoeken wat er precies gebeurd is. Dat was niet het eerste incident.’

    Jan Pinto voelde een duizeling: ‘Zijn er nog meer doden gevallen?’

    ‘Ja, en dat mag niet bekend worden. Ons gezag in Afrika berust volledig op infantiel bedrog. De Afrikanen denken dat wij sterk, dat we machtig zijn, onoverwinnelijk.’

    ‘En dat zijn we niet?’

    Generaal Crisóstomo schudde zijn hoofd en lachte hard maar treurig. Hij keek de luitenant aan met een mengeling van ironie en medelijden: ‘Nee, beste kerel. Wij zijn zo’n klein landje dat we eerder de achtertuin van Spanje lijken en hebben even weinig financiële middelen als een dorpspastoor. Een land bewoond door dorpelingen die niet kunnen lezen en schrijven en bestuurd door een stel halfbakken slappelingen die bijna net zo analfabeet zijn als de lui die ze zogenaamd besturen. Kortom een zootje! Zoals een van onze journalisten schreef, dit is geen bestaan maar een straf.’

    Luitenant Pinto keek zo verbouwereerd naar de minister van Oorlog dat die opnieuw medelijden met hem kreeg. Hij gaf hem een schouderklopje, alsof ze kazernematen waren. Daarna richtte hij zich op en zei met zware stem: ‘Als de Afrikanen ontdekken dat onze soldaten op een mysterieuze manier sneuvelen, zonder enige weerstand te bieden… sneuvelen door, wie weet, een door de Engelsen gebrouwen vergif of, erger nog, door een inheemse betovering, als dat bekend wordt verliest Portugal alle aanzien die het heeft. En als we ons aanzien verliezen onder de Afrikanen zijn we verloren. Dan zullen de opstanden en de overvallen op Portugezen en legerposten binnen een paar dagen verdrie- of vertienvoudigen. Dan worden we met stenen en stokken uit Afrika verjaagd, ze schoppen ons weg en wij druipen af met de staart tussen onze benen, tot grote vreugde van die vervloekte Engelsen. Met andere woorden, het lot van het rijk ligt in uw handen.’

    ‘Wat moet ik precies doen, generaal?’

    ‘In de eerste plaats alle beschikbare informatie verzamelen. Praten met de overlevenden.’

    ‘Zijn er dan overlevenden?’

    ‘Ja, van een vorige overval. Een luitenant heeft die overleefd. Hij zit in afzondering opgesloten in het Sint-Michielsfort. Praat met hem. Daarna vertrekt u met vaandrig Mambo en twee of drie door hem uitgekozen manschappen op een geheime expeditie, tenminste zo geheim mogelijk, naar Bailundo en Bié. In burger. U onder het voorwendsel van een bezoek aan uw vader, João Pinto, een moedig en integer man, een Portugees van de oude stempel. Maak gebruik van uw kennis van de plaatselijke taal en het gedrag van de inboorlingen om dit mysterie op te helderen. Ik wil antwoorden hebben voor het te laat is.’

  • Details