Een van de belangrijkste stemmen in de hedendaagse literatuur

De roodgevleugelde jongen Gerion is onsterfelijk verliefd op Herakles, die de jongeling niet kan weerstaan. Op het hoogtepunt van hun erotische relatie laat Herakles Gerion vallen en stort deze in het diepste leed. Maar dan reist Gerion op magische wijze uit de antieke oudheid naar de tegenwoordige tijd – en vindt troost in de fotografie.

De dichteres Anne Carson heeft het meest bandeloze en vreemdste verricht wat de literatuur van deze tijd te bieden heeft. Ze plaatst Homerus in een deeltjesversneller om in de versplintering van oude betekenissen een spiegelbeeld van onze huidige tijd te schetsen. Rood is ongehoord erotisch en even boosaardig als de Griekse mythen.

Rood verenigt twee werken in één band: Autobiografie van rood, dat in 1998 verscheen, en het vervolg Rood Doc>, dat in 2013 verscheen. Anne Carson heeft in Rood een nieuw genre uitgevonden; het is zowel roman als poëzie, zowel een onconventionele herschepping van een oude Griekse mythe als een volstrekt origineel coming-of-ageverhaal dat zich in het heden afspeelt.

Met een voorwoord van Jan Lauwereyns

‘Een diepzinnig liefdesverhaal… sensueel en grappig, aangrijpend, muzikaal en teder.’
The New York Times Book Review

‘De Canadese is een veelgenoemde kandidaat voor de Nobelprijs…: ze heeft de roman in verzen op een vreemde manier voor de moderne tijd gered.’ Die Zeit

‘Geweldig. Ik heb in jaren niets meer gelezen wat zo heerlijk verontrustend is.’ Alice Munro

‘Een zeldzaam talent – briljant en vol humor, hartstochtelijk en ook heel aangrijpend.’
Michael Ondaatje

‘In haar roman in verzen mengt Anne Carson met een vrolijke vrijheid de Griekse oudheid met de moderne tijd, zonder zich te laten beperken door welke vorm dan ook.’ Le Monde

‘Een roman in de vorm van een gedicht, een klassiek verhaal dat hedendaags is gemaakt – wrang, aangrijpend, prachtig en bij vlagen erotisch. Carson schrijft als een engel.’ Time

ROOD VLEES: WAT WAS ER NA STESICHOROS ANDERS?

Ik vind het een prettig gevoel
als woorden doen wat ze willen en moeten
                     GERTRUDE STEIN

Hij kwam na Homeros en vóór Gertrude Stein, in een moeilijke tussentijd voor een dichter. Hij werd omstreeks 650 v.C. aan de noordkust van Sicilië geboren, in een stad die Himera heette, en hij woonde te midden van vluchtelingen die een dialect spraken dat een mengeling was van Chalkidisch en Dorisch. Een bevolking van ontheemden smacht naar taal en weet heel goed dat er van alles gebeuren kan. Woorden stuiteren. Als je woorden hun gang laat gaan, doen ze precies wat ze willen en moeten. De woorden van Stesíchoros werden samengebracht in zesentwintig boeken, waarvan ons nog een handvol titels en wat verzamelde fragmenten resten. Over zijn werkend bestaan is niet veel bekend (behalve dan het beroemde verhaal dat hij door Helena met blindheid werd geslagen; zie Appendix a, b, c). Hij schijnt als schrijver alom succes te hebben gehad. Hoe oordeelden de critici over hem? In geschriften uit de klassieke Oudheid wordt zijn naam vaak gekoppeld aan lof. ‘De meest homerische van alle lyrische dichters,’ zegt Longinus. ‘Geeft oude verhalen een nieuw gezicht,’ staat in de Suidas. ‘Gedreven door zucht naar verandering,’ zegt Dionysios van Halikarnassos. Een verrukkelijk genie in het gebruik van het bijvoeglijk naamwoord!’ voegt Hermogenes eraan toe. Dit brengt ons bij de kern van de vraag ‘Wat was er na Stesíchoros anders?’ Een vergelijking zou hier van nut kunnen zijn. Toen Gertrude Stein haar oordeel moest geven over Picasso zei ze: ‘Hij werkte.’ Zo kun je van Stesíchoros zeggen: ‘Hij maakte bijvoeglijke naamwoorden.’

Wat is een bijvoeglijk naamwoord? Zelfstandige naamwoorden benoemen de wereld. Werkwoorden activeren wat benoemd werd. De adjectieven, de bijvoeglijke naamwoorden, zijn van andere herkomst. Het Latijnse woord adjectivus (in het Grieks epitheton) is op zich een bijvoeglijk naamwoord en betekent ‘bovenaan geplaatst’, ‘toegevoegd’, ‘bijgevoegd’, ‘geïmporteerd’, ‘vreemd’. Bijvoeglijke naamwoorden lijken tamelijk onschuldige toevoegingen maar hou ze in de gaten. Deze kleine geïmporteerde mechanismen hebben de taak om alles ter wereld vast te pinnen op zijn specifieke plaats. Ze zijn de sluitpennen van het bestaan.

Maar de ene manier van bestaan is de andere niet. Zo is in de wereld van het homerische heldendicht het bestaan stabiel en is specificiteit in traditie verankerd. Als Homeros het over bloed heeft, is bloed zwart. Als er vrouwen in voorkomen, zijn vrouwen elegant-geënkeld of zijdelings-blikkend. Poseidon heeft altijd de blauwe wenkbrauwen van Poseidon. Het lachen van de goden is onblusbaar. Mensenknieën zijn rap. De zee is onvermoeibaar. De Dood is slecht. De levers van lafaards zijn wit. De bijvoeglijke naamwoorden van Homeros zijn een vaste uitdrukkingswijze waarmee hij al het stoffelijke ter wereld met het daartoe geschiktste bijvoeglijk naamwoord verbindt en op zijn plaats houdt voor epische consumptie. Hij doet het met hartstocht, maar met welke? ‘Consumptie is geen hartstocht voor de essentie maar een hartstocht voor de regel’, stelt Baudrillard.

Zo werd Stesíchoros in het verstilde oppervlak van deze regel geboren. En bestudeerde die zonder ophouden. Het oppervlak week van hem terug. Stesíchoros kwam dichterbij. Het bleef zoals het was. ‘Hartstocht voor de essentie’ lijkt een goede beschrijving voor dat moment. Stesíchoros trok, niemand kan zeggen waarom, de sluitpennen van het bijvoeglijke naamwoord eruit.

Stesíchoros bevrijdde het bestaan. Alle essentie ter wereld kwam aan het licht. Er was plotseling niets dat het holgehoefd zijn van paarden nog in de weg stond. Of het wortelzilvere van een rivier. Of een kind dat kneuzingloos is. Of een hel zo diep als de zon hoog. Of een beproevingsterke Herakles. Of een middennachtelijk vastgelopen planeet. Of een slapeloze buiten het genot. Of roomzwarte moorden. Soms bleek de essentie ingewikkelder. Zo was aan Helena van Troje een bijvoeglijke traditie van hoererij gekoppeld die al oud was die toen Homeros haar gebruikte. Toen Stesíchoros Helena’s toenaam ontsloot, stroomde daaruit zo’n licht naar buiten dat het hem wellicht een ogenblik heeft verblind. Dit is de grote vraag, de vraag of Helena Stesíchoros met blindheid sloeg (zie Appendix a, b), hoewel men doorgaans zegt daarop het antwoord schuldig te moeten blijven (maar zie Appendix c).

Een handzamer voorbeeld is Gerion. Gerion is de naam van een personage in een oude Griekse mythe aan wie Stesíchoros een zeer lang, episch gedicht wijdde in een dactylo-epitriet metrum en triadische structuur. Er zijn zo’n vierentachtig fragmenten op papyrus en een stuk of vijf citaten van over, die in standaardwerken vermeld worden onder de naam Gerioneis (‘Het materiaal over Gerion’). Ze vertellen over een vreemd gevleugeld rood monster dat op een eiland woonde dat Erytheia heette (een bijvoeglijk naamwoord dat eenvoudig ‘Waar het rood is’ betekent) en daar vredig een kudde magisch rood vee hoedde, tot op een dag de held Herakles van over de zee kwam en hem doodde om het bezit van zijn vee. Er waren vele manieren om een dergelijk verhaal te vertellen. Herakles was een belangrijke Griekse held en de liquidatie van Gerion was een van zijn gevierde Werken. Als Stesíchoros een behoudender dichter was geweest, had hij zich wellicht op het standpunt van Herakles gesteld en een spannend verhaal verzonnen over hoe beschaving monsterlijkheid overwint. Maar nee, de resterende fragmenten van Stesíchoros’ gedicht bieden ons een reeks zowel trotse als deerniswekkende taferelen geschreven vanuit Gerions beleving, een dwarsdoorsnede die ons naar meer doet verlangen. We zien het leven van deze rode jongen en zijn hondje. Een onstuimige smeekbede van zijn moeder, die plotseling wordt afgebroken. Hier en daar een beeld van Herakles die over de zee nadert. Een flits van de goden in de hemel die naar Gerions ondergang wijzen. De strijd zelf. Het moment waarop alles plotseling vertraagt en Herakles’ pijl Gerions schedel doorklieft. We zien Herakles die met zijn beroemde knots het hondje doodt.

Maar dit is inleiding genoeg. Door beschouwing van zijn meesterwerk kunt u zelf de vraag ‘Wat was er na Stesíchoros anders?’ beantwoorden. Enkele van de belangrijkste fragmenten eruit volgen hierna. Als u het een moeilijke tekst vindt, bent u niet de enige. De tijd heeft Stesíchoros wreed behandeld. Er wordt nergens een passage van hem geciteerd die langer is dan dertig regels en de vodjes papyrus (die nog steeds worden gevonden: de laatste fragmenten werden in 1977 in Egypte aangetroffen in het materiaal van een mummiekist) houden evenveel achter als ze vertellen. De hele verzameling fragmenten van Stesíchoros in het oorspronkelijke Grieks is tot nu toe dertien keer door verschillende samenstellers gepubliceerd, te beginnen met Bergk in 1882. Geen enkele uitgave is naar inhoud of ordening precies gelijk aan een andere. Bergk stelt dat de geschiedenis van een tekst één lange liefkozing is. Hoe het ook zij, de fragmenten van de Gerioneis laten zich lezen alsof Stesíchoros een lang verhalend gedicht had geschreven, het toen verscheurde en de snippers in een doos met songteksten en collegedictaten en flinters rood vlees begroef. De nummers van de fragmenten geven een ruwe indicatie hoe de snippers uit de doos zijn gevallen. U kunt de doos natuurlijk blijven schudden. ‘Geloof me op het vlees en eigen ik,’ zoals Gertrude Stein het uitdrukt. Alstublieft. Schudden maar.

ROOD VLEES: FRAGMENTEN VAN STESICHOROS

I. GERION

Gerion was een monster alles aan hem was rood
Als hij ’s morgens zijn neus uit de dekens stak was die rood en
Stug was het rode landschap waar zich in rode wind zijn
Vee tegen hun kluisters schuurde
Hij begroef zichzelf in de rode ochtendgelei van Gerions
Droom

Gerions droom begon rood maar glipte dan weg uit het vat en
Ontsnapte zilver zeilopwaarts als een loot uit zijn wortels omhoog

Geheime loot. Aan de voorzijde van een volgende rode dag.

II. INTUSSEN KWAM HIJ

Hij was het van over de zoute bulten
Wist van het huiselijk goud
Had boven de rode spitsen de rode rook gezien

III. GERIONS OUDERS

Als je per se bij het avondeten je masker wilt dragen
Ga je maar slapen Zeiden zijn ouders en dreven hem
De bloedende trap op naar de hete droge Armen
Naar de kloppende rode taxis van de incubus
Ik wil niet ik wil Beneden blijven lezen

IV. GERIONS DOOD BEGINT

Gerion liep langs zijn rode gedachten en antwoordde Nee
Het was moord Was verscheurd het vee te zien liggen
Al die schatten zei Gerion En nu ik

V. GERIONS OMKEERBARE LOT 

Zijn moeder zag het zo zijn moeders
Vertrouw op mij zei ze Brein van zijn zwakheid
Je hoeft niet meteen te beslissen
Gerion zag hoe achter haar rode rechterwang
De spiraal van de kookplaat begon te gloeien

VI. INTUSSEN IN DE HEMEL

Athene keek omlaag door de boot met
Een bodem van glas. Athene wees
Zeus’ blik zei Híj

VII. GERIONS WEEKEND 

Later veel later vertrokken ze uit het café gingen terug naar
De woning van de centaur hij gebruikte een schedel als nap
Daarin pasten drie maten wijn Hij hief hem op en dronk Kom hier
Breng je wijn maar mee als je niet alleen durft te komen De centaur gaf
Een klopje naast zich op de bank Een roodachtig geel levend beestje
Geen bij kroop vanbinnen door Gerions ruggengraat naar omhoog

VIII. GERIONS VADER

Een stille wortel kan de kunst van het schreeuwen beheersen
Hij zoog met genoegen de woorden Hier komt een geweldige
Die hij na dagenlang staan in de open deur zei
NACHTBOLSNOOF

IX. GERIONS OORLOGSVERLEDEN

Gerion lag op de grond en bedekte zijn oren Geluid
Van paarden als rozen die levend worden verbrand

X. SCHOOLOPLEIDING

Politie was toentertijd zwak Familie was sterk
Gerions moeder bracht hem de eerste dag hand in hand naar
School Ze streek zijn rode vleugeltjes glad en duwde hem
Door de deur naar binnen

XI. GELIJK

Denken veel jongetjes dat ze een monster
Zijn? Maar ik heb gelijk zei Gerion tegen de hond
Ze zaten op de hoge oever De hond keek blij
Naar hem op

XII. VLEUGELS

Stapt van een geschuurde maartlucht af en verzinkt omhoog
In de blinde Atlantische morgen Kilometers lager springt
Een rood hondje als een bevrijde schaduw
Over het strand

XIII. HERAKLES’ DODENDE KNOTS

Klein rood hondje zag niet maar voelde de knots
Alles mondt uit in één voorval

XIV. HERAKLES’ PIJL

Pijl beduidt doden Trok als een kam een scheiding door Gerions schedel
Zette de jongenshals scheef In een rare langzame zijwaartse hoek als een
Klaproos wanneer ze zich schaamt in een zweepslag van Naakte wind

XV. TOTAAL VAN WAT ER OVER GERION BEKEND IS

Hij hield van bliksem Hij woonde op een eiland Zijn moeder was een
Waternimf in een rivier die zeewaarts stroomde Zijn vader was van
Snijdend goud Volgens oude scholiën had Gerion bij Stesíchoros
Zes handen zes voeten en vleugels Hij was rood en zijn
Ongewone rode kudde wekte de afgunst Herakles kwam en
Doodde hem om zijn vee

En de hond

XVI. GERIONS EINDE

De rode wereld En net zo rode winden
Bleven bestaan Gerion niet

 

Anne Carson
Rood
Twee romans in verzen

Oorspronkelijke titel Autobiography of Red en Red Doc>

Vertaling Marijke Emeis

Paperback met flappen, 336 blz.

€ 29,90

ISBN 9789083135182

NUR 306

Verschijnt oktober 2022

Anne Carson

César Aira
Uitgeverij Koppernik

Meld u aan voor onze nieuwsbrief en ontvang bericht bij nieuwe boeken.

Dank voor uw aanmelding.