Wanneer een expeditieleger van zeshonderd manschappen, tien vrouwen, vier schepen en bijna honderd paarden in 1527 uit Zuid-Spanje vertrekt om het nog onbekende land rondom de Golf van Mexico te veroveren, kan niemand bevroeden wat hen boven het hoofd hangt. De expeditie onder de incapabele leider Pánfilo de Narváez pakt van meet af desastreus uit. Als ze in april 1528 in Florida aan land gaan zijn er nog drie schepen, driehonderd mannen en veertig paarden over.

De tocht die dan volgt, grenst aan het onwaarschijnlijke. Op vier expeditieleden na is er na een jaar niemand meer in leven. Het viertal vindt elkaar pas na zeven jaar terug aan de Texaanse kust, waar zij als slaven van indiaanse stammen zwaar werk moeten verrichten. Álvar Núñez is de onbetwiste leider die een vluchtweg bedenkt. In 1535 beginnen ze aan een zwerftocht van duizenden mijlen die hen, naakt en barrevoets, als eerste Europeanen langs de Rio Grande via Nieuw Mexico en Arizona naar Sinaloa in Noordwest-Mexico voert, waar zij na acht jaar de eerste Spanjaarden ontmoeten. 

In De beproevingen heeft H.C. ten Berge het wel en overvloedige wee van de expeditie poëtisch in kaart gebracht. De reeks van 45 scènes is gevat in een losse, ritmische structuur die beantwoordt aan het narratieve karakter van deze poëzie.

‘Wat mij betreft de belangrijkste en veelzijdigste dichter van zijn generatie.’ Cyrille Offermans in De Groene Amsterdammer 

Hans Puper op Meander: ‘Een goede regisseur zou van De beproevingen van Álvar Núñez Cabeza de Vaca een boeiende film kunnen maken. Ik zou er beslist naartoe gaan, maar in het besef dat ik veel zou missen: een verhalend gedicht met een natuurlijke, onnadrukkelijke gelaagdheid in de heldere, ritmische taal van Ten Berge.’

https://meandermagazine.nl/2019/11/h-c-ten-berge-de-beproevingen-van-alvar-nunez-cabeza-de-vaca/

Peddelend met hun zavelhouten spanen
bereiken ze na weer een week
de monding van een ontzagwekkende rivier
die nog niet de Mississippi heet.
Ze komen kracht tekort, de stroming 
stuwt de schuiten steeds terug, het water
blijkt nog zoet tot ver op zee.
Na korte tijd zien zij van meer nabij
de pollen en poelen, een wirwar 
van drassige landjes en bochtige geulen, 
omrand soms door klapzand of slijk –  
een ronduit verraderlijk netwerk van grillige 
wateren waarin men verdwaalt en verdwijnt.
Er doemen kano’s op, een hele vloot
komt dreigend nader. Choctaw-indianen sluiten
vlug de monding af, waarna omsingeling volgt. 
Tegen de zin van de vijf schippers in 
varen twee christenen als afgezanten 
met de indianen mee.
Zij keren niet terug.

De vijandigheid zwelt aan, men zwaait
met steenslingers en spant de bogen.
Het is raadzaam om te gaan…
De wind wakkert juist aan
waardoor de kano’s moeten wijken.
De schuit van Pánfilo maakt vaart 
en zeilt al roeiend weg. 

Núñez roept hem toe 
de vlotten te verbinden 
om elkaar niet kwijt te raken.
Narváez weigert even 
bars als laf, van nu af
offert hij zich niet meer op: 
de leider geeft geen snars
om zijn geplaagde mannen,
ieder moet zichzelf maar redden 
en vertrouwen op de enige God.

Hij knijpt er als een wezel tussenuit.

Het vloteskader valt uiteen.
Zonder verse waar & water 
bezwijken ze van honger, dorst en angst.
Door straffe winden voortgejaagd 
blijven alleen Núñez en de roerganger 
die nacht nog duizelend overeind – 
de rest ligt buiten kennis door elkaar.

Een schipbreuk wordt verwacht.

Paperback met flappen, 72 blz.
€ 18,50
ISBN 9789492313782
Verschijnt oktober 2019

Auteur