Nevenwezen

 23,50

Dit boek is nog niet verschenen, u kunt wel alvast een exemplaar reserveren.
  • Synopsis

    Twee jongens, twee werelden; de een groeit op onder de rook van een Zaanse cacaofabriek, de ander werkt op een plantage in West-Afrika. Ze worden door balenlossers, molenaars, middenstanders, een stenen adelaar, een rondreizende verhalenverteller, een chauffeur, een panter en een krokodil op sleeptouw genomen door de jaren zeventig. Hun levens raken elkaar – door de geur van cacao en de grillen van de Azteekse scheppergod Quetzalcoatl en zang- en bloemen-god Xochipilli, die hoog boven de twee jonge protagonisten hun glorie proberen te herwinnen. 

    Op sprankelende wijze laat Donald Niedekker in het even geestige als ontroerende Nevenwezen zien hoe mythe en werkelijkheid, verleden en heden elkaar voortdurend spiegelen.

  • Recensies

    Over Waarachtige beschrijvingen uit de permafrost:

    ‘Een hallucinant mooie roman.’ de Volkskrant *****

    ‘Dit is een uitdagende roman met in elke zin wel een onverwachte plooi of rimpel en overal die flonkering, die knipoog van een geweldige schrijver.’ Humo

    ‘Een vrolijk, gelaagd, en lyrisch boek waar je als lezer heerlijk omheen kan denken.’ Trouw

    ‘In verrukkelijke zinnen wekt Niedekker het nieuwsgierige, onderzoekende karakter van de 16de eeuw tot leven.’ De Tijd

    ‘Nu al een van de wonderlijkste boeken van dit jaar.’ Het Parool

    ‘Niedekker groeit, hij ontwikkelt zich, met een roman die een echte roman is en die door niemand anders geschreven had kunnen worden.’ NRC Handelsblad

    ‘Deze poëtische roman is een unicum in de Nederlandstalige literatuur.’ Juryrapport F. Bordewijk-prijs 2022 

     

    Over Ochtenden:

    ‘Uit vrijwel alle stukjes spreekt een heel prettige, mijmerende sereniteit; prachtige zinnetjes te over.’ de Volkskrant

    ‘Het zijn juweeltjes, de miniaturen waarin Niedekker van herfst tot herfst de ochtenden in de omgeving van zijn huis beschrijft, ergens tussen bos en duinen.’ Trouw



  • Fragment

    Over kapper Pluis

    Kapper Pluis kneep, pfiet-pfiet, in een roze rubberen bolletje, waaraan een dampwolkje ontsnapte, en het wonder was geschied. Het haar zat in model, dat wil zeggen in het bloempotmodel of het eidop-
    model, want sinds kort had kapper Pluis om met zijn tijd mee te gaan voor de mannelijke klanten twee modellen, of ‘stijlen’ zoals hij ze noemde. Niemand zag het verschil.

    Terwijl de wolk oploste werd de jongen gezeten in de turkooizen leren kapstoel een hoofd in de spiegel gewaar. Hij proestte het uit. Wat had dat ventje een ridicuul kapsel. Dat woord gebruikte zijn zus sinds kort, ridicuul, ze sprak het uit met een brouwende ‘r’ en een lichte ‘l’, en als hij dan moest lachen keek ze hem vinnig aan.

    Nu keek kapper Pluis een tel pinnig naar hem, vermande zich en wierp met een theatraal gebaar het linnen kleed van de jongen af, als zou die gelijk een konijn uit een hoge hoed huppen. Ongeloof, ohhh, applaus voor de goochelaar met de schaar. De jongen had ’t liefst een van de drie reukflacons tegen de spiegel gesmeten. Nooit meer ging hij naar kapper Pluis, maar hij zou zich telkens laten verleiden door het roze toverbolletje. Daarenboven had hij wat kappersbezoeken betrof niet veel te willen, helegaar niets. Elk Zaans dorp had zijn Stationstraat of Stationsstraat met elk een
    eigen kapper Pluis.

    Over de streek

    In deze streek waar de jongen opgroeide en elk dorp zijn Station-straat of Stationsstraat met kapper had vingen de mensen wind. In de zomer met rode en witte doeken, in de herfst en winter met bruine en okergele, in de lente weer met witte en rode doeken, en ze lieten de wind voor hen werken, de wind die van wie weet waar komt en zomaar ergens heen waait, op zijn weg tientallen, wel honderden molens liet draaien en dat maal vier, want elke molen heeft vier wieken, dus ontelbaar veel rood-wit beklede wieken of in de herfst en winter bruin-okergeel gedoekte wieken, die suizen, suizen, of guiten zoals ze in de streek zeiden als het wat harder woei, wieken die suizen en guiten in de wind, waarvan niemand weet waar die vandaan komt en waar die heen gaat, anders dan uit het niets komend en oplossend in het niets, de wind waar Prediker geen hoge pet van op heeft, want najagen van wind is volgens hem als water naar de zee dragen, zinloos en ijdel op de koop toe. Hij moest eens weten hoe rijk ze in deze streek zijn geworden van najagen van wind. Ze keken nergens van op, ze wisten dat alles vangen van wind was, ze aten geen rijst maar toverrijst en van cacaofantasie maakten
    ze flinterdunne, ademdunne, droomdunne koetjesrepen. Je nam een hap en voor je chocolade had geproefd vervloog de smaak, als een briesje over net niet rijpe appels of over voorjaarsgras.

    Is alles wind?

    Ja.

    Is alles droom?

    Ja.

    Is alles smaak?

    Ja.

    Is alles fantasie?

    Ja, cacaofantasie.

    Over boekhandelaar Noomen

    De jongen die van zijn zus het woord ridicuul had geleerd en in een van de stationsstraten woonde waar de windvangende streek rijk aan was reikte op zijn tenen naar de een-na-bovenste plank, maar kwam nog niet tot de plank daaronder. Hij probeerde de blik van boekhandelaar Noomen te vangen, die – handen plat op de toonbank – de in een strak kobaltblauw mantelpak gestoken mevrouw Pouw te woord stond. Tussen hen in lag een boek.

    ‘Klaas zei dat hij de grootste is. Niet die drie…’

    ‘Als Klaas het zegt,’ bromde het uit de mondhoek die de pijp van Noomen vrijliet. ‘Hij heeft hem vroeger geloof ik uitgegeven.’

    ‘Klaas?’

    De jongen kon net ‘jungle’ lezen op de omslag van het kleine boek. Erg dun ook. Mevrouw Pouw verplaatste haar gewicht op haar andere been en hij las iets als ‘tringel’.

    Wat zou dat voor dier zijn, een tringel, er viel veel te ontdekken, en daarom reikte hij naar de een-na-bovenste plank, waar hij
    De zwerftochten van Odysseus zag staan.

    ‘Cadeautje?’

    ‘Nee, dank u.’

    ‘Zakje eromheen?’

    ‘Ja, graag.’

    Toen mevrouw Pouw met achterlating van een wolkje amberzoet parfum de winkeldeur dichttrok, uiterst behoedzaam, voelde de jongen een schaduw in zijn rug. En zie, de schaduw sprak:

    ‘Dat is niks voor jou. Daar ben je veel te jong voor.’

    Wat de jongen tegen zijn moeder heeft gezegd? Niet veel, hij heeft het geld teruggegeven en zij begreep het. Zijn moeder gaf hem drie biljetten die hij nog nooit had gezien. ‘Koop heel die serie, je wilt ze toch allemaal? Wedden dat Noomen dan inbindt.’

    Na het nodige geharrewar legde boekhandelaar Noomen zijn pijp op de toonbank en pakte een rij van acht boeken met witte ruggen van de plank waartussen De zwerftochten van Odysseus stond. Hij vroeg niet of het een cadeautje behelsde, hij stapelde ze op in twee papieren tasjes.

    De jongen kwam thuis met Geschiedenis van het Perzische rijk, Griekse mythen en sagen, Romeinse keizers, De race naar de Noordpool, De tocht van de Argonauten, De ridders van de Ronde Tafel en Karel de Grote. En, de aanleiding tot deze aanschaf en tot een heikel, aftastend bestand tussen de jongen en de boekhandelaar, De zwerftochten van Odysseus.

    Een boek was acht boeken geworden. Acht boeken konden, hij had net de tafel van acht geleerd, vierenzestig boeken worden. Een schaakbord had vierenzestig vakken. Dus acht schaakborden hadden – nu moest hij een potlood pakken, een gele van Bruynzeel, om onder op de doos van het Apollo-bouwpakket de som uit te rekenen van acht maal vierenzestig – vijfhonderdtwaalf vakken. Vierenzestig boeken konden vijfhonderdtwaalf boeken worden. Verder rekenen had geen zin want zoveel boeken zouden er niet bij Noomen in de hoge kasten van zeven planken te koop zijn. Die waren er wel te koop, en veel meer zelfs, om dat te snappen was de jongen te jong.

    Over de straat

    Haaks op de rivier die de streek doorkronkelde liep de straat waarin de jongen woonde. Hier bakte bakker Fijn zijn brood, gevulde koeken, cake en gebak. Hier had kapper Pluis zijn met een potplant ingerichte zaak. Hier (voor dit verhaal hier) legde boekhandelaar Noomen een stapel Boekenweekgeschenken op de toonbank. En hier mocht melkboer Kaas in concurrentie met de supermarkten het assortiment van zijn zuivelwinkel uitbreiden. 

    Zij bevolkten een kant van de straat, de andere kant werd in beslag genomen door de cacaofabriek. Van de rivier tot de provinciale weg en het spoor strekte het terrein zich uit met de loskade, een brekerij, branderij en malerij, het ketelhuis, een smelterij, het directiegebouw, de inpakafdeling, de kantine en de portiersloge. Aan die kant van de straat stond het huis van de jongen, omgeven door magazijnen van de fabriek en de spoorweg. In een rechte lijn liep de beklinkerde straat van de rivier naar het station, waaraan ze haar naam ontleende.

    Het huis grensde met de achtertuin aan het met betonplaten geplaveide open terrein voor de opslagloodsen en keek met de westzijde uit op de weg die de dorpen van de streek aaneenreeg en op het spoor, terwijl het aan de andere kant het postkantoor als buur had. De voorkant met erker keerde zich naar de straat. Hier woonde de jongen, tussen het station en de rivier, tussen de fabriek en de winkels, tussen het postkantoor en de loskade. Achter in de tuin stond een kastanje. 

    Over de kastanje

    De kastanje was zijn droomboom, zijn in de werkelijkheid van de geplaveide achtertuin tussen het station en het postkantoor gewortelde fantasiegigant. Gezeten op een tak niet ver onder de kruin keek hij van boven door het open raam in de kamer van zijn zus. Gegiechel en gepalaver. Een briesje droeg dennenkerst aan want zijn zus had haar benen met hars ingesmeerd. Hij zag knieën, schenen, kuiten besmeerd met stopverfgrijze pap, in viervoud, want het ontharen van haar benen deed zijn zus met haar vriendin Karin, die anderhalve kop groter was dan zij en die navenant lange benen en armen had. Die laatste zag hij niet, maar daarmee had Karin, toen de poes haar jongen onder de schuur had verstopt – voor haar hoefde het moederschap niet –, drie jonge katjes onder het houten bouwsel vandaan gehaald, twee zwarte en een rode, terwijl moeder een streepjeskat was, dus ze was lekker bezig geweest. Ze blies naar haar babykatjes, die Karin met haar lange armen een voor een uit hun benarde situatie wist te bevrijden.

    De jongen in zijn droomboom zag naast de met smurrie bedekte benen van zijn zus de al even ondergekliederde lange benen van Karin zich uitstrekken, niet ver waarvan op de vloer een Paris Match lag. Op het bureau wist hij de Petit Larousse te staan met het dunne ritselpapier en de kleurenillustraties op dikke gesatineerde vellen. Als hij dit alles zag en hoorde en vermoedde, en zijn zus en Karin, onder het uitstoten van gepijnigde zuchten afgewisseld met gegiechel om elkaars kreetjes, voorzichtig millimeter voor millimeter de gedroogde en verharde plakken hars lostrokken, als schilden ze zichzelf, werd het licht in het hoofd van de jongen alsof hij uit de kastanje door het open raam van zijn zusters kamer naar Frankrijk keek, naar de vrouwen met lange benen in Paris Match bij het showbizznieuws en bij de Faits Divers. Hij hoorde het brouhaha van een Parijs café, het getinkel van een lepeltje waarmee eindeloos in een porseleinen kopje werd geroerd, een schelle lach tussen het geroezemoes van vele stemmen, de rauwe roep om een bestelling tot – Pok! – het boek waarvoor hij de boom in was geklommen uit zijn handen gleed en onder de kastanje viel. Zijn zus sloot, terwijl ze haar tong naar hem uitstak, het raam.

    Daar lag Odysseus op de grond.

    Over lezen

    Hij las en las en las, te hooi, te pas, te gras, te onpas, vooral te onpas en te gras, te boom, te bed, hij las in het wilde weg, zonder methode of plan, zijn leeshonger stillend en tegelijk voedend, onderwijl iets oppikkend, een sfeer, een wijze van zeggen, en dat, zonder het te beseffen, diep in zich borgend, waar hij het jaren later gerijpt zou vinden, klaar voor, tot zijn eigen verwondering, gebruik in heel nieuwe verbanden. De tondeuse beet met de metalen snuit in zijn nek maar voor hem hing het roze rubberen
    toverbolletje waaraan een wolk ontsnapte. Zoals op school als juf de bordenwisser uitklopte een poederwolkje zich losmaakte dat een geschiedenisles bevatte, of de tafel van acht, of de vervoeging van een sterk werkwoord – lopen liep gelopen, mijden meed gemeden – of op vrijdagmiddag een gedicht voor het weekend, dat de leerlingen maandag, tot verdriet van hun ouders, die er ook flink zoet mee waren, uit hun hoofd moesten kennen, of plaatsnamen
    – Memphis, New Orleans, Kentucky, Mississippi, Tennessee – dan zweefden zoeken-zocht-gezocht, een gedicht, riviernamen, Floris v
    in een wolk krijtsporen voor het uitgewiste zwartgrijze bord.

    De tondeuse zoemde, de bordenwisser wiste en wolken schoven voorbij, wolken waarin hij sommen las van dertien maal drie en vijfentwintig gedeeld door vijf, jaartallen, versregels, eilanden, schapen met herder Teun, schiereilanden, de rivieren van Duitsland, die zich terug lieten toveren tot krijtdeeltjes en die weer tot woorden en cijfers op het schoolbord.

  • Details