
Misleiding
€ 23,50
- Synopsis
Na decennia van kolonisatie, militaire bezetting en de mislukte vredesplannen van de jaren negentig worden een jonge vrouw en een jonge man op gewelddadige wijze steeds meer naar de rand van de samenleving gedrukt. Namen, plaatsen of data worden niet genoemd; alleen de wisseling van de seizoenen legt getuigenis af van levens die worden verminkt en uiteengedreven, van dromen die langzaam vervliegen.
Met haar messcherpe, minimalistische taal onderzoekt Adania Shibli in Misleiding de voortdurende dreiging van onderwerping, arrestatie en landonteigening, en de verwoede pogingen van de Israëlische autoriteiten om de Palestijnen tot vreemdelingen te maken in hun eigen land.
- Recensies
Over eerder werk:
‘Een klein detail is een prachtig gecomponeerde, huiveringwekkende tekst die geen tegenspraak duldt.’ De Groene Amsterdammer
‘Een geserreerde, beklemmende stijl die onmiddellijk overtuigt.’ de Volkskrant
‘Een verbluffend, onheilspellend werk dat je in je maag stompt.’ Jaap Robben
‘De kracht van Een klein detail is onmiskenbaar. De twee helften sluiten zich om je heen. Ik ben helemaal in voor alles wat Shibli schrijft.’ Daisy Johnson
‘Met Een klein detail schreef Shibli een even zintuiglijke als uitgepuurde verkenning van geweld.’ Humo
‘Shibli’s indirecte methode rechtvaardigt zichzelf volledig naarmate het boek zijn hartverscheurende conclusie bereikt.’ J.M Coetzee
‘Shibli’s schrijfstijl is subtiel en scherpzinnig.’ The Guardian
‘Een geraffineerde, indirecte roman over empathie en de drang om onrecht te herstellen.’ The Observer
- Fragment
de grond kan niet langer ontsnappen aan zijn lot, dat beschikt dat hij onder de zware regens in een modderpoel zal veranderen. De stortregen slaat tegen het wegdek en slingert bruine druppeltjes de lucht in, die woest alle kanten op vliegen wanneer de wielen van de auto naar de berm van de onverharde weg uitwijken om andere voertuigen te laten passeren. Soms belanden ze op de voorruit en vormen ze ovale vlekjes, waarvan de ruitenwissers de meeste snel weer wegvegen. Wat niet kan worden uitgewist, is de condens van de adem van twee inzittenden, aan de binnenkant van het glas, waardoor de modderplassen aan weerskanten van de weg en in de akkers, op de vlakten en op de verre, donkergroene heuvels met hun natte bomen, met elkaar samenvloeien tot een gekleurd waas, dat door de aanhoudende regen nog ondoorzichtiger wordt. Het staat vast dat wij geen invloed hebben op wat er gebeurt.
Buiten is het ijzig koud, maar in de auto is het iets draaglijker, zoals de koefiyya lijkt te zeggen die op het dashboard ligt in de vorm van een slang die aanstalten maakt om zijn prooi te besluipen. Van tijd tot tijd grijpen de vingers van de chauffeur ernaar, om het beslagen deel van de voorruit ermee af te vegen, voor zover dat mogelijk is. Een deel van de rechterkant blijft wazig. Dat is het deel vóór de passagier, die met haar ogen de grillige loop van de horizon volgt, voorafgegaan door de afwisseling van akkers, vlakten en heuvels.
Buiten het zicht van de passagier snakt de aarde naar deze regen, die haar sinds het einde van de vorige winter is onthouden, met uitzondering van een paar lentebuien en één bui halverwege de herfst. Het uitblijven van de regen, waarvan niemand de oorzaak kent, wekt onrust onder de mensen. De aarde is uitgeput, het oppervlak is gebarsten en de bodem is hard geworden door gebrek aan water, nadat ze een heel jaar lang al het vocht waarover ze beschikte heeft afgestaan aan de bomen en struiken die op haar groeien. Er zijn veel verschillende soorten die de meeste vlakten en heuvels bedekken, maar het zijn merendeels amandel- en olijfbomen.
Vanuit hun huidige sluimering zullen rond het midden van de winter, als de regen op de bruine takken klettert, boven in de amandelbomen tere, donkergroene blaadjes ontspruiten, een paar dagen eerder voorafgegaan door bloesems, waaraan witte, rijpe bloemblaadjes ontspringen, die door de harde wind uit de kruinen worden gerukt. Daarna vallen ze onder de boom op de grond, die ze bedekken met een zachtwit tapijt. In de kroon van de boom, waar de blaadjes de bloemen hebben verlaten, komen kleine, fluwelen lichtpaarse amandelen tevoorschijn, die geleidelijk groen kleuren naarmate ze groter worden, tot ze de omvang hebben van een kleine steen die soms wordt gegooid om onheil af te wenden. In het begin van de zomer wordt de buitenste schil geel. Dan drogen ze uit en barsten ze open, waarna er een andere, harde bruine schil zichtbaar wordt met daarin een pit. Wanneer de zomer vordert en de hitte toeneemt, lijken de amandelen bijna vanzelf uit de boom te vallen, al gebeurt dat sneller als je aan de takken schudt. De bladeren beginnen uit te drogen en op te krullen, en sommige vallen op de grond. Daarna blazen de opstekende herfstwinden alles weg en blijven alleen de takken over. Zo verloopt de normale cyclus bij amandelbomen. De olijfbomen daarentegen doorstaan de vier seizoenen zonder noemenswaardige verandering. Hun bladeren vallen niet af, maar geven de heuvels het hele jaar door een blauwgroene gloed. Tussen de bladeren zijn de groene olijven, die in de loop van de maanden tot rijping komen, nauwelijks zichtbaar. Sommige worden tegen het einde van de herfst zwart, terwijl ze nog steeds bijna verborgen worden door de bladeren. Af en toe verschijnen er in het midden van de boomgaarden kale plekken met kuilen, waar bomen zijn gerooid.
Op de akkers, die nu een bruine, modderige aanblik bieden, kunnen van decennium tot decennium of van eeuw tot eeuw nieuwe gewassen worden aangeplant, soms om de bodem te laten herstellen van een bepaalde plantensoort die haar krachten heeft uitgeput, en soms vanwege andere veranderingen onder invloed van de situatie die met de dag slechter wordt. Dat laatste gaat vaak gepaard met een wisseling van landeigenaren. Met de komst van de lente verschijnen er allerlei tinten groen, waarvan sommige tot aan het begin van de zomer hun kleur behouden. Zo is er het zachte, veranderlijke groen van de wuivende tarwe, het donkergroen van de woekerende bonenplanten waartussen kleine witte bloemetjes groeien, de vaalgroene benen van de zonnebloemen met hun schreeuwende gele koppen, en de dikke felgroene bladeren van de katoenplanten, waartussen zich lichtgele bloemetjes verschuilen die na een dag of twee donkergeel, rood en paars worden, tot ze verdrogen en op de grond vallen. Na ongeveer twee maanden maken ze plaats voor het vertrouwde witte pluis van de katoen, dat zich ophoopt op de bruine, houtachtige stengels, die tegen het einde van de zomer broos en droog worden. Dat is het kleurenpalet dat de akkers gedurende een aantal maanden domineert, soms doorbroken door andere vormen en groentinten, mogelijk toebehorend aan een oude boom – een eik of een johannesbroodboom – of aan een gewas dat het vorige jaar op dezelfde akker is gezaaid en weer is opgekomen zonder dat iemand daar de hand in heeft gehad, naast de wilde struiken die het gecultiveerde land omzomen en de percelen van elkaar scheiden. Wanneer de herfst aanbreekt, de oogst voorbij is en de gewassen zijn gemaaid, veranderen de vlakten in gele stoppelvelden, die later in het seizoen worden omgeploegd tot harde aardrichels, waarin de droge wortels vast blijven zitten, totdat de regen komt die alles loswoelt en zompig maakt, zoals nu.
Plotseling zegt de chauffeur iets tegen de passagier naast hem wat ze blijkbaar niet goed kan verstaan. Ze kijkt zijn kant op en verlegt haar blik van de wazige buitenwereld naar hem. Zijn heldere aanwezigheid verrast haar, wat te zien is aan haar ogen, die zich heel even wijd opensperren. Ze vraagt hem wat hij zei en hij antwoordt dat ze de koefiyya weg moet halen. Ze vraagt het nog een keer, ditmaal op verbaasde toon. De chauffeur herhaalt zijn verzoek. Kennelijk heeft de passagier nog steeds moeite het te begrijpen, want ze vraagt hem opnieuw waarom. De chauffeur antwoordt kortaf en enigszins gespannen dat ze de koefiyya weg moet halen en daarmee uit. Maar waarom?
Zijn kortaangebondenheid dreigt om te slaan in een woede-uitbarsting, die zich tegen de passagier kan keren, die koppig naar de reden blijft vragen. De chauffeur antwoordt met ingehouden ergernis dat er een ‘vliegende’ controlepost op de weg staat. Door de voorruit speurt ze de weg af, voor zover die zichtbaar is. Ze ziet niets anders dan groene, grijze en bruine vlakken die over elkaar heen golven. Ze vraagt hem waar die controlepost precies staat. Hij antwoordt klappertandend – waarschijnlijk niet van de kou – dat hij recht vóór hen op de weg staat. Het kan zijn dat ze vervolgens iets groens boven een brede zwarte lijn ziet trillen. Toch blijft ze het een vreemd verzoek vinden. Ze probeert het eerst zelf te begrijpen en vraagt opnieuw naar de reden. De tanden van de chauffeur beginnen nog heviger te klapperen als hij schreeuwt dat ze die koefiyya weg moet halen en daarmee basta! Ondertussen rijdt de auto onverstoorbaar verder, ongehinderd door wat zich binnen afspeelt, tot de mist openbreekt en er midden op de weg een groep soldaten opdoemt, waar die een vliegende controlepost hebben opgezet. De chauffeur mindert vaart en brengt de auto op een teken van een van de soldaten tot stilstand. Intussen doet de passagier snel wat de chauffeur van haar heeft gevraagd. Ze pakt de koefiyya van het dashboard en propt hem onder de stoel van de chauffeur, die met samengeperste lippen zegt dat het niet meer nodig is en dat ze hem kan laten liggen. Maar de soldaten maken een einde aan de discussie en gebaren dat de chauffeur zijn raampje moet opendraaien, wat hij doet. Een van de soldaten zegt iets tegen hem, waarop er een grimas op het gezicht van de chauffeur verschijnt, die doet vermoeden dat hij een neiging om te grommen onderdrukt. Hij draait zijn bovenlichaam iets naar rechts, haalt zijn portefeuille uit zijn achterzak en neemt zijn identiteitsbewijs eruit. Daarna buigt hij zich naar voren, opent het dashboardkastje en pakt een plastic hoesje, met daarin enkele opgevouwen documenten. Hij overhandigt alles aan de soldaat. Na een nauwkeurige inspectie zegt de soldaat nog iets en daarna loopt hij samen met zijn collega’s weg. Midden op de weg blijven ze staan en bekijken ze de papieren opnieuw. Terwijl ze door het persoonsbewijs bladeren, overleggen ze met elkaar en praten ze onverschillig met anderen via een portofoon. De regen gaat langzaam over in gemiezer.
Er daalt een stilte neer over de chauffeur en zijn passagier, die beiden in de auto blijven zitten, terwijl de koude lucht die door het open raam naar binnen komt de sporen van hun warme adem van de rechterhelft van de voorruit wist. Een van de soldaten komt terug met de papieren van de chauffeur. Deze wil de motor al starten, maar op datzelfde moment begint de soldaat te zwaaien met de hand waarmee hij de papieren vasthoudt, die slap en nat zijn geworden als een versleten waaier. De chauffeur zet de motor weer uit. De soldaat gebaart naar de chauffeur dat hij moet uitstappen en met hem mee moet komen.
De chauffeur staat met de soldaten aan de rechterkant van de weg. Ze stellen hem allerlei vragen, waarop hij korte, bondige antwoorden geeft. Zij blijft in de auto zitten en kijkt naar hun silhouetten, die nu duidelijk te zien zijn. Nu en dan vangt ze een paar losse woorden op waar ze niets van begrijpt, en dat is nog maar één van de nadelen van het grote leeftijdsverschil tussen haar en haar broer: haar lessen Hebreeuws zijn nog niet begonnen.
De chauffeur loopt terug naar de auto, waar hij zijn jongere zus aantreft, rillend van de kou. Hij draait het raampje omhoog en de auto rijdt weg naar de dreigende hemel. De wolken botsen tegen elkaar en verslinden de laatste restjes wit, tot ze samenvloeien tot een kolkende grijze massa, die nog meer regen aankondigt. En inderdaad, het begint weer te regenen. De twee in de auto hebben niet gemerkt dat de regen was opgehouden, waarschijnlijk omdat hun gedachten te veel in beslag worden genomen door het incident met de soldaten. Alleen de aarde is zich bewust van de neerkletterende regen, volledig verzadigd en niet langer in staat om ook maar één druppel op te nemen, waardoor de hevigheid van de stortvloed toeneemt, die van de heuvels, de rotsen, de daken van de auto’s, de wegen en de huizen spoelt en samenstroomt in de moddermassa die kolkt onder de kracht van de stroom en de razende storm. De auto slaat een smalle zijweg in en vervolgt, alleen onder het hemelwater, zijn klim in de richting van de wolken die zich aan de horizon hebben samengepakt. Daar aangekomen, stuurt de smalle weg de auto de laaghangende mist in, die langzaam optrekt en verlaten straten onthult, omzoomd door eenvoudige huizen met gesloten deuren en ramen. De natte grijze muren zijn beschilderd met groene, rode en zwarte leuzen, haastig geschreven in schuine letters die bijna aan de woorden lijken te ontsnappen, maar zonder het schrift van zijn schoonheid te beroven. Weg met de bezetting! Palestina trots en vrij! Eeuwige opstand! Revolutie tot de overwinning! Vrijheid voor de gevangenen van de vrijheid! Zwarte… Plotseling stormt er een groep gemaskerde jonge mannen op de auto af, gewapend met stokken en stenen. De chauffeur stopt onmiddellijk en buigt zijn hoofd als de eerste steen het dak raakt, terwijl de passagier in dezelfde positie blijft zitten en verbijsterd het tafereel gadeslaat dat zich voor haar ogen afspeelt. Als er met een stok op de achterkant van de auto wordt geslagen, trekt haar broer iets onder de stoel vandaan, en bij de tweede klap springt hij naar buiten, terwijl hij met zijn koefiyya naar de jonge mannen zwaait. Ze blijven verstijfd staan, en de handen waarmee ze de stenen en de stokken vasthouden blijven in de lucht hangen. Even later zijn ze verdwenen, in een oogwenk opgeslokt door de wolken en de muren van het huis. Daarna heerst er een diepe stilte.
Haar broer loopt snel om de auto heen om de deuken en krassen te bekijken die door de stokken en stenen zijn veroorzaakt, en ondertussen staart zij weer naar de muren die de jonge mannen hebben opgeslokt. Er is geen spoor meer van hen te bekennen. Alleen de handgeschreven leuzen zijn er nog. Ze leest verder waar ze was gebleven: Zwarte panter. Rode adelaar. De laatste leus wordt gedeeltelijk aan het zicht onttrokken door een amandelboom met dikke grijze takken. Van de natte bruine uiteinden vallen nu en dan druppels naar beneden, en wanneer er een zwerm vogels op neerstrijkt zijn het er veel meer. Nu de regen helemaal is gestopt, komen de vogels aarzelend terug. Sommige scheren over het plein, andere strijken neer bij kleine regenplassen, steken hun snavels in het water om te drinken, of wassen hun vleugels, waarna ze terugkeren naar de amandelboom om zich bij de andere vogels te voegen. De passagier volgt aandachtig de rusteloze bewegingen van de vogels, totdat er plotseling iets groots – iets wat lijkt op een dikke, verdroogde, bruine amandel – van een van de takken valt en vlak bij een strookje groen gras rond de stam neerkomt. Haar blik blijft op de amandel rusten. Zelfs van deze afstand is zijn ongewoon zachte textuur duidelijk te zien, en het lijkt alsof hij een klein beetje heeft bewogen. Na lang kijken is hij eerder groen dan bruin, of misschien verandert hij van kleur. Bij nadere beschouwing blijkt deze amandel iets te hebben wat een staartje zou kunnen zijn. Haar broer vervolgt zijn ronde om de auto en als hij bij het portier aan de bestuurderskant komt, gooit hij de koefiyya op het dashboard en gaat achter het stuur zitten. Ineens verstijft ze, wanneer de kameleon in het gras rond de boom heel langzaam zijn kopje beweegt en haar recht aanstaart.
- Details
- Auteur Adania Shibli
- Genre Fictie
- Vertaling Djûke Poppinga
- Aantal bladzijden 208
- NUR-code 302
- Uitvoering Paperback met flappen
- Verschijningsdatum 29 oktober 2026
- ISBN 9789083722528


