Aantekeningen van een eiland

Aantekeningen van een eiland

 21,50

Dit boek is nog niet verschenen, u kunt wel alvast een exemplaar reserveren.
  • Synopsis

    In de gure herfstwind van 1963 bouwt Tove Jansson, geholpen door Brunström, een eigenzinnige visser, een hut op een boomloos eilandje in de Finse Golf. Het eiland heet Klovharun, en gedurende dertig zomers trekken Tove en haar geliefde, de grafisch kunstenaar Tuulikki Pietilä, zich daar terug om te leven, te schilderen en te schrijven, geïnspireerd door de eenzaamheid en de steeds veranderende zeegezichten. 

    Aantekeningen van een eiland, voor het eerst in het Nederlands gepubliceerd, is zowel een kroniek van deze periode als een eerbetoon aan de liefde die Tove en ‘Tooti’ deelden voor hun eiland en voor elkaar. Toves nauwkeurige proza en Tuulikki’s subtiele aquarellen vormen samen een werk van meditatieve schoonheid dat de lezer in opperste ontroering achterlaat. 

  • Recensies

    ‘Een liefdesbrief aan alles wat wild en verweerd is.’ New Statesman

    ‘Onbegrijpelijk rijk, zo simpel, zo lichtvoetig, zo allesomvattend.’ Ali Smith

  • Fragment

    1

    Ik hou van steen: van rotsen die steil in zee lopen, van onbestijgbare bergen, van kiezelstenen in mijn zak, van stenen uit de grond wrikken en wegsmijten, en van grote keien van de rotsen in zee laten rollen! Als ze ervandoor denderen blijft er een scherpe zwavelgeur hangen.

    Om bouwstenen te zoeken, of gewoon mooie stenen voor mozaïeken, bastions, terrassen, steunpilaren, rookovens of merkwaardige, nutteloze constructies gemaakt omwille van het bouwen zelf. Om aanlegsteigers te bouwen die de zee de volgende herfst weer meeneemt, om de volgende keer slimmer te bouwen en dat de zee dan alles toch weer wegsleurt.

    Ik ben de dochter van een beeldhouwer, maar Tooti’s vader was timmerman en daarom houdt ze van hout, of ze nu met prachtige zware planken werkt of met vederlicht balsa speelt. We zochten naar jeneverbesbomen in het bos. Aan het strand vonden we soms vreemde harde houtsoorten met onbekende namen. Daar maakte Tooti piepkleine dingetjes van die veel tijd en geduld vergden – zoals bijvoorbeeld het allerkleinste zoutlepeltje ooit.

    Maar, zegt Tooti, groot bouwen is echt anders, dan moet je besluitvaardig zijn en er volledig op vertrouwen dat je goed kunt rekenen en meten, zodat het tot op de centimeter klopt. Nee, tot op de millimeter.

    Soms bouwen we iets stevigs en blijvends, soms iets moois, soms allebei.

    Tooti maakt haar houtgravures trouwens in peren- of beukenhout en haar houtsnedes meestal in berkenhout.

    Vaak sprak ze met Albert Gustafsson over materialen in zijn bootloods op Pellinge, en ze hadden het ook over boten. Hij gaf haar bruikbare stukjes teak en mahonie om mee te spelen, en Tooti nam alles mee naar huis en kwam op gloednieuwe ideeën.

    Albert heeft in 1962 onze boot gebouwd, overnaads, van mahoniehout en vier meter lang. Het is de mooiste boot van onze kuststreek. Ze was sterk en soepel, en danste echt op het water. Ze heette Victoria omdat zowel Tooti’s vader als de mijne Viktor heette.

    Na verloop van tijd werd de Victoria steeds meer Tooti’s boot, omdat zij er het meest van hield en haar heel zorgvuldig onderhield.

    Er zijn veel verschillende woorden voor ‘eiland’ in het Zweeds: holme, skär, haru, kobbe, klack.

    Op de zeekaart van het scherengebied Pellinge tekent zich ten westen van Glosholm een boog van onbewoonde scheren af, misschien vanwege een grillige bergkamformatie op de zeebodem. In die ketting is Kummelskär de grootste en mooiste parel.

    Ik was nog heel klein toen ik besloot om vuurtorenwachter op Kummelskär te worden. Weliswaar is daar alleen een onbemande vuurtoren, maar ik was van plan – als ik groot en rijk zou zijn – een veel grotere te bouwen, een machtige vuurtoren die alles overzag en heel het oostelijke deel van de Finse Golf in de gaten hield.

    Later veranderde die droom van het onbereikbare in een spel met het voorstelbare, en nog later in geïrriteerde koppigheid en de weigering om het op te geven, totdat de Visserijvereniging liet weten dat ik de zalm zou verstoren, en toen was het gewoon klaar.

    Maar ongeveer 2,5 zeemijl van Kummelskär richting de kust bevonden zich eilandjes waar niemand rekening mee hield. Een van die eilandjes was Bredskär en daar was iets te huur.

    Vreemd dat zo’n grote, langdurige teleurstelling zo snel kan worden vergeten door een nieuwe verliefdheid, maar zo ging het – we verhuisden erheen en vonden al vrij snel dat dit het paradijs was. We maakten met hetzelfde blije enthousiasme dingen mooier en lelijker. We hadden alles, al was het in miniatuurvorm: wat bos met een pad en mos, een zandstrandje waar de boot veilig lag en zelfs een moeraslandje met een paar dotten veenpluis. We waren trots op ons eiland!

    We wilden ook bewonderd worden, alles laten zien, we lokten er mensen heen en er kwamen er zomer na zomer steeds meer terug. Soms namen ze een vriend mee en soms het verlies van een vriend, en ze hadden het steeds maar over hun verlangen naar het eenvoudige, het primitieve, en vooral over hun verlangen naar eenzaamheid.

    Langzamerhand vulde het eiland zich met mensen. Tooti en ik overwogen om verder weg te verhuizen.

    We deden een halfslachtige poging voor een vergunning op Kummelskär, maar ze zeiden dat we de kabeljauw zouden verstoren.

    Voorbij Kummelskär liggen Musblötan, Käringskrevan en Bisaball, lastig te bereiken scheren waar alleen vissers en jagers ooit aan land gaan, en de laatste in het rijtje is Klovharun, het gekliefde eiland, zoals de naam al zegt. Daar wilden we wonen.

    Klovharun beslaat zo’n zes- tot zevenduizend vierkante meter, heeft de vorm van een atol, een lagune met rotsen eromheen en bij laagwater wordt die een binnenmeer.

    Er werd gezegd dat er vroeger zeehonden in de lagune speelden, voordat ze wijzer werden en verder weg trokken.

    Op de zeekaart staan de kleinere, uitgestrooide eilanden aangegeven als eigendom van de staat, maar dat klopt helemaal niet.

    Het zit namelijk zo: volgens sommige oorkondes brak er ergens in de achttiende eeuw naar aanleiding van de Grote Ruilverkaveling ruzie uit op een bestuursvergadering – misschien ontstond er nog meer onduidelijkheid toen de secretaris niet kwam opdagen omdat het ijs nog niet dik genoeg was –, hoe dan ook, in alle haast werden de eilandjes aan de gemeente Pellinge toegevoegd; of ze wel of niet bewoond waren werd niet nader gespecificeerd.

    In de loop der tijd was het bewonerscomité steeds groter geworden en werd het onmogelijk iedereen om toestemming te vragen Klovharun te pachten.

    Maar Pellinge had, zoals zoveel andere eilanden met zelfbestuur, een eigen profeet die men bij moeilijke kwesties over lokale aangelegenheden om raad kon vragen. Hij adviseerde ons om niet te veel te hopen en vooral niet op officiële papieren te vertrouwen, die leiden vroeg of laat alleen maar tot problemen, geen pachtcontract dus, maar wel graag een kleine donatie aan de Visserijvereniging. Hang gewoon in Söderby een lijst op met ‘ja’ en ‘nee’, zei hij, als ik ja invul, volgen de anderen waarschijnlijk wel.

    We hingen de lijst aan de verandadeur van de kruidenier en iedereen vulde ‘ja’ in.

    We stuurden die naar de gemeente Borgå en vroegen een bouwvergunning aan.

    Terwijl we daarop wachtten, sliepen we op Klovharun in een tent. Het regende de hele tijd. Tooti las het zesde deel van Le Vicomte de Bragelonne.

    Niets kan aan de klassiekers tippen, zei ze. Neem Les Misérables, de onverkorte versie, dan snap je dat je toegewijd moet zijn.

    Ik weet dat Tooti toegewijd is aan alles waarin ze gelooft, en zelfs naderhand nog.

    Onze tent stond vlak bij de Grote Steen, die is zo groot dat het een oriëntatiepunt is, in elk geval voor mensen die min of meer op beschrijvingen afgaan. Volgens schattingen weegt hij ongeveer vijftig ton. Hij ligt in een grote kikkervijver op de enige plek waar je kunt bouwen omdat die buiten bereik van de zee ligt.

    Het regende de hele week, de lagune stroomde over, het water sijpelde over de rotsen langs de tent en stonk verschrikkelijk. We droomden over hoe ons huisje eruit zou zien. De kamer zou vier ramen krijgen, één in elke wand. Op het zuidoosten willen we de grote stormen dwars over het eiland zien razen, op het oosten mag de maan zich in de lagune spiegelen en in het westen bevindt zich een rotswand met mos en eikvarens. Op het noorden moet je op de uitkijk kunnen staan om te zien wat eraan komt zodat je tijd hebt om eraan te wennen.

    We dachten dat we ons huisje het beste vrij hoog op de rotsen konden bouwen, maar niet op het hoogste punt, want dat is alleen voor het baken, misschien iets lager, zodat je vanaf zee slechts de schoorsteen ziet, dus alleen in het tegenlicht vanaf de boten die zomaar voorbijvaren.

    Op een avond laat hoorden we een motor afslaan op het strand, en er kwam iemand met een zaklamp langzaam de heuvel op. Hij stelde zich voor: Brunström van het eiland Kråkö.

    Brunström was op zalm aan het vissen en wilde in zijn boot overnachten, toen hij licht op het eiland zag. We zetten thee op de primus.

    Brunström is vrij klein. Hij heeft een uitgestreken verweerd gezicht en blauwe ogen, hij beweegt kwiek maar afgemeten, en gebruikt geen bijvoeglijke naamwoorden in zijn dagelijkse taal. Zijn boot heeft geen naam.

    We hadden meteen vertrouwen in hem.

    Brunström had van die lijst met ja’s en nee’s gehoord. Daar ga je het niet mee redden, zei hij. Zelfs niet in Borgå, waar ze vrij soepel zijn. Jullie krijgen nooit een bouwvergunning. Het enige wat jullie kunnen doen, is direct met de bouw te beginnen. Het duurt eeuwen voordat de overheid weet hoe ze het wil hebben, en juist dan moet je toeslaan. Volgens de wet mag niets worden afgebroken als het skelet tot aan de nok van het dak is opgetrokken. Geloof me, zei Brunström, ik weet hier alles van. Ik heb overal in nul komma niks huisjes gebouwd, al was het maar om sommige mensen in bijvoorbeeld Pernå of Pellinge dwars te zitten.

    Hij zei verder dat hij niet veel tijd nodig had, hoewel je het met herfstweer nooit wist. Hij zou Sjöblom meenemen en Charlie en Helmer misschien ook, maar eerst moest de Grote Steen met dynamiet worden opgeblazen.

    Brunström zegt dat opblaaswerk en de bouw van kelders niet als bouwwerkzaamheden worden beschouwd, daarvan is pas sprake als er een skelet staat, en zonder dak overleeft een skelet de winter niet. Er was dus haast bij. Nog voor de sneeuw, zegt hij.

  • Details
Uitgeverij Koppernik Boeken Tove Jansson Aantekeningen van een eiland