Het diner

Het diner

 22,50

Dit boek is nog niet verschenen, u kunt wel alvast een exemplaar reserveren.
  • Synopsis

    In een rustig Argentijns provinciestadje spenderen een failliete eeuwige vrijgezel van in de zestig en zijn moeder een avond bij een rijke kennis. Wat begint als een gezellige avond vol roddels over de buren, verandert langzaam in iets onvoorstelbaars. Tussen de wijn tijdens het diner en de tocht naar huis door de stilte van de nacht draait de werkelijkheid om: op de plaatselijke begraafplaats zijn de doden opgestaan – niet als monsters, maar als beleefde, verwarde wezens – en alles doet op de een of andere manier verontrustend aan het diner denken. 

    Met zijn kenmerkende mengeling van humor, absurditeit en filosofische diepgang voert César Aira de lezer mee naar de grens tussen het banale en het bovennatuurlijke. Het diner is een hallucinerende, tegelijk luchtige en verontrustende vertelling over leven, dood en de vreemde logica van de werkelijkheid.

  • Recensies

    ‘Door het groteske en het banale naast elkaar te plaatsen, creëert Aira een subtiele satire over de uitputtende invloed van de maatschappij op individuen.’ The New Yorker

    ‘Het diner is veel intelligenter dan een doorsnee zombieverhaal… Aira voegt extra diepgang toe aan wat er net onder de oppervlakte schuilgaat.’ The Times Literary Supplement

    ‘Aira brengt je hersenen in de war.’ The New York Times

  • Fragment

    Mijn vriend was alleen thuis en desondanks nodigde hij ons uit om te komen eten; hij was een erg gemoedelijke man, hij praatte graag en hield ervan allerlei verhalen op te dissen, al ging hem dat niet erg goed af, hij haalde voorvallen door elkaar, gevolgen hadden geen oorzaak, oorzaken hadden geen gevolg, belangrijke details bleven onvermeld, vaak vertelde hij de dingen maar half. Mijn moeder, die vanwege haar leeftijd in een toestand van geestelijke verwarring verkeerde vergelijkbaar met die waarvan mijn vriend al vanaf geboorte blijk gaf, zat daar niet mee, volgens mij had ze het niet eens in de gaten. Eigenlijk was zij degene die het meest genoot van de conversatie, en dat was dan ook meteen het enige waarvan ze die avond genoot. Dat kwam door de namen van families die veelvuldig vielen, magische woorden waarin heel haar belangstelling voor het leven leek te schuilen. Ik hoorde al die namen vallen zoals je het hoort regenen; moeder genoot van iets wat haar dagelijkse gesprekken met mij haar niet konden geven; op dat punt, en op dat punt alleen, kwam ze helemaal overeen met mijn vriend. Hij had een bouwbedrijf en bouwde al decennialang woningen in Pringles, daardoor was hij op de hoogte van de samenstelling en stamboom van alle families. De ene naam leidde naar de andere, helemaal in lijn met een lange traditie waarbij de mensen in het kleine stadje hun intellectuele en affectieve vermogens ontwikkelden door over elkaar te praten, en zonder namen zou dat een moeilijke zaak zijn geweest. Het is waar dat door ouderdom en aderverkalking dingen uit het geheugen verdwijnen, en namen verdwijnen als eerste, zo wordt gezegd. Maar ze zijn ook het eerste wat men vindt, want het zoeken ernaar gebeurt via andere namen. Ze wilden iets zeggen over een vrouw, ‘zij van… hoe heette ze ook weer? Die getrouwd was met Miganne, die tegenover het kantoor van Cabanillas woonde…’ ‘Welke Cabanillas? Die ene die getrouwd was met zij van Artola?’ En zo ging het maar door. Elke naam was een Borromeaanse knoop waarin vele andere strengen van namen samenkwamen. De verhalen spatten uiteen in een hagelbui van namen en bleven hangen in het vage, zoals ook de oude misdaden of bedriegerijen of verraderijen of schandalen van de families waarover de verhalen gingen in het vage waren gebleven. Voor mij betekenden die namen niets, ze hadden nooit iets betekend, maar daarom waren ze mij nog niet onbekend. Integendeel, ze klonken me zeer bekend in de oren, als wat ik het best kende op deze wereld durf ik haast wel te zeggen, want ik had ze vanaf mijn vroegste jeugd voortdurend gehoord, vanaf de tijd dat ik nog niet eens kon praten. Maar om de een of andere reden had ik die namen nooit in verband kunnen, of willen, brengen met gezichten of huizen, misschien omdat ik niets wilde weten van het kleinstedelijke leven, hoewel mijn hele leven zich had afgespeeld in een kleine plaats en nu ook ik met het klimmen der jaren steeds vaker niet op namen kon komen, deed zich de merkwaardige paradox voor dat ik begon kwijt te raken wat ik nooit had gehad. En toch werkte elke naam die uit de mond van mijn moeder of mijn vriend rolde als een bel die herinneringen boven bracht, lege herinneringen, louter klanken.

                En het was niet zo dat ik echte herinneringen, volle herinneringen, ontbeerde. Dat stelde ik vast na het eten, toen mijn vriend ons een oud stuk opwindbaar speelgoed liet zien dat hij uit een vitrinekast had gehaald. Het was klein, nauwelijks groter dan de palm van de hand die het vasthield, en toch verbeeldde het behoorlijk getrouw een slaapkamer uit vroeger tijden, met een bed, een nachtkastje, een kleed, een klerenkast, en een deur tegenover het bed die bij gebrek aan een wand eromheen ook een klerenkast leek, daar hij uitkwam op een rechthoekige doos waarin zich, zo vermoedde ik, een van de personages schuilhield. Het andere was duidelijk te zien en lag in bed: een blind oud vrouwtje, half rechtop zittend tegen de kussens. De vloer van deze kamer bestond niet uit tegels of parket maar uit smalle, donkere planken die me deden denken aan de vloeren die ik als kind in de huizen in onze stad had gezien. Mijn aandacht werd erdoor getrokken omdat het een herinnering bij me boven bracht aan het huis van een stel naaisters waar mijn moeder me toen ik heel klein was naartoe bracht, een heel vreemde herinnering. Op een dag gingen we ernaartoe en in het vertrek waar de naaisters werkten ontbrak de vloer, of althans grotendeels, er was een enorm gat gemaakt in verband met een reparatie, of de vloer was doorgezakt, de hele ruimte was in elk geval een grote put, erg diep, met donkere ravijnen van verschoven aarde en stenen, en met beneden water. De naaisters en hun assistenten en klanten stonden eromheen. Ze lachten, maakten opmerkingen over de ramp en gaven allerlei verklaringen. Het is een van die raadselachtige herinneringen die je overhoudt aan je vroegste jeugd. Ik denk niet dat het zo erg was als het me is bijgebleven, want niemand kan op een dergelijke plek wonen of werken. Ik was nog heel klein, misschien dat die put daardoor zo enorm groot leek. Omdat het mij nog altijd zo levendig voor de geest staat, vroeg ik een keer aan mijn moeder of zij het zich kon herinneren. Niet alleen herinnerde ze zich niets van een put in de salon van de naaisters, ook kon ze zich de naaisters niet herinneren. Dat ze het zich niet herinnerde bracht een onredelijke wrevel bij me teweeg, alsof ze het expres deed. Goedbeschouwd was er geen enkele reden waarom ze zich zoiets triviaals van zestig jaar geleden zou moeten herinneren. Maar het had haar hoe dan ook aan het denken gezet en ze bleef er de hele dag over malen. Ik kon maar één feit noemen dat haar zou kunnen helpen: een van de naaisters had een stijve vinger, een vinger die uitstak en zo hard was als een stokje. Beginnend bij die vinger, die ik nog heel duidelijk voor me zag, meende ik me de vrouw aan wie die vinger toebehoorde te kunnen herinneren als een oud, zeer knokig mens met donkerbruin haar en een heel stijf, groot en plat kapsel; die vinger was enorm. Overbodig om te zeggen dat dit gegeven nergens toe leidde. Mijn moeder vroeg: Kunnen het de dames Adúriz zijn geweest? Of de dames Razquín, of de dames Astutti? Het ergerde me dat ze het probeerde via namen die mij niets zeiden. Mijn ‘namen’ waren de put, de vinger, dat soort dingen, die geen naam hadden. Ik ging er niet langer op door en borg de herinnering aan de put weer op zoals ik ook tal van andere herinneringen had opgeborgen. De eerste herinnering die ik heb, de eerste aan mijn leven, heeft trouwens eveneens te maken met een gat: de straat waar we woonden was onverhard en toen die geasfalteerd werd, moesten er een heleboel grond en stenen worden verzet. Ik herinner me de hele straat als een aaneenschakeling van rechthoekige putten als massagraven, ik weet niet waarom, want ik geloof dat dat rasterwerk niet nodig is om een onverharde straat te asfalteren.

                Deze terugkomende herinneringen aan putten, heel primitief en wie weet wel aan mijn fantasie ontsproten, symboliseerden misschien ‘gaten’ in het geheugen, of liever gezegd gaten in verhalen die zich niet alleen voordoen in de verhalen die ik vertel, maar die ik altijd opvul in verhalen die mij worden verteld. Bij iedereen bespeur ik gebreken in de kunst van het vertellen, waar praktisch altijd een reden voor is. Maar mijn moeder en mijn vriend lieten wat dat betreft wel heel veel steken vallen, misschien vanwege hun passie voor namen, die een normaal verloop van het verhaal in de weg stond.

                Het was werkelijk magisch. Ze kwamen met een automatisch gemak over hun lippen, in enorme hoeveelheden. Woonden er zoveel mensen in Pringles – of hadden er zoveel gewoond? Elke reden volstond om een nieuwe tros namen aan te boren. Van hen die in de wijk woonden. Van hen die uit die wijk waren weggetrokken. Van hen die hun huis met verlies hadden moeten verkopen. Van hen die kruiden teelden. Dit laatste naar aanleiding van een goedkeurende opmerking van mijn vriend over het eten, die leidde tot het verhaal hoe hij aan de verse salie was gekomen die door de rijst zat. Salie uit een potje was lang niet zo lekker, tijdens het droogproces gaat veel van de smaak verloren. En zijn eigen saliehoekje was enkele dagen eerder per ongeluk verloren gegaan bij een van de vele reparaties aan en vergrotingen van het huis, waar hij altijd maar mee in de weer was. Zodat hij ’s middags had aangebeld bij kennissen die – wist hij – kweekbakken met kruiden hadden. Bij de eerste had hij geen geluk; zijn salie zat onder een stof die wellicht giftig was, je zou de blaadjes misschien nog kunnen gebruiken als je ze heel goed waste, maar wat had je daaraan wanneer je hoe dan ook het gevoel bleef hebben dat je er wel eens een vergiftiging aan over zou kunnen houden. Ik vroeg of er soms een insecticide was gebruikt. Nee, veel erger! Bovendien gebruikte Delia Martínez, want om haar ging het, geen enkel chemisch product in haar tuin. Haar naam, die mij niets zei, haalde mijn moeder uit haar stilzwijgen. Delia Martínez, getrouwd met Liuzzi? Die aan de boulevard woonde? Ja, zij was het. Ik werd getroffen door die gewoonte om vrouwen bij hun meisjesnaam te noemen; het was alsof voortdurend het verleden van de mensen naar boven werd gehaald. Moeder zei dat ze haar de vorige dag was tegengekomen en dat ze haar had verteld over de angst waarin ze leefde vanwege het standbeeld… Mijn vriend onderbrak haar, dat was nou precies de oorzaak van de verontreiniging van zijn salie, en van de overige kruiden, van de hele tuin. Ze vertelden me – ervan uit gaande dat ik het niet wist – dat die vrouw aan het pleintje van de boulevard woonde, waar sinds een paar maanden, in opdracht van de gemeente, een beeldhouwer aan een monument werkte. Het gruis van het marmer waaide naar haar huis, waardoor ze zich gedwongen zag alle ramen en deuren permanent potdicht te houden en waardoor haar tuin, haar grote passie en levenswerk, tot het laatste blaadje onder dat poeder zat. Ze had zich erover beklaagd bij de burgemeester, op de radio, op de televisie. Met bezorgde blik starend naar haar half leeggegeten bord zei moeder dat marmerpoeder zeer slecht voor de gezondheid was. Dat was nieuw voor mij, en het leek me een onzinnig verhaal, daarom wilde ik iets gaan zeggen met de bedoeling mijn vriend te verontschuldigen voor het geval hij die salie had gebruikt, maar hij gaf haar al volledig gelijk: het was het ergste van het ergste, puur gif, je kon eraan doodgaan. Hij moest het beroepshalve weten. Natuurlijk had hij geen salie geplukt uit de tuin van Delia, die hem er in die omstandigheden overigens ook nooit iets zou hebben meegegeven! Nee, de salie in de rijst die we aten kwam ergens anders vandaan. Delia Martínez had hem een goede tip gegeven. Wie salie had was mevrouw Gardey, de eigenares van Pensión Gardey. Zo knap! riep mijn moeder, en ze begon meteen hoog op te geven van die vrouw, die volgens haar met haar ruim negentig jaren nog steeds een schoonheid was, in haar jeugd was ze Miss Pringles geweest, en ze was net zo mooi vanbinnen als vanbuiten: de goedheid zelve, vriendelijk, zachtaardig, intelligent, een uitzondering onder de gemene oude besjes van de stad. Mijn vriend knikte mechanisch en eindigde zijn verhaal zeggend dat toen hij bij haar aanbelde de oude dame hem had ontvangen met de mededeling dat ze geen kamers beschikbaar had, dat het haar erg speet maar dat vanwege het huwelijk van een stel Franse grootgrondbezitters er zoveel gasten naar de stad waren gekomen (sommige zelfs uit Frankrijk) dat ze helemaal vol zat. Toen hij uitlegde waarvoor hij kwam, ging zij eerst een schaar halen en nam ze hem vervolgens mee naar de achtertuin en knipte een paar salieblaadjes voor hem af, maar niet zonder hem eerst te hebben vergast op een ‘rondleiding’ door haar logement. Mijn moeder: wat mooi, dat pension van haar, zo keurig onderhouden, zo schoon, toen ze jong was ging ze met carnaval naar de bals die Gardey zaliger daar organiseerde. Mijn vriend corrigeerde haar, dat was niet in dat pension… Maar moeder was zeker van wat ze zei, ze sprak hem vol overtuiging tegen en aangevuurd door haar herinneringen weidde ze erover uit. En toch klopte het niet, mijn vriend wist dat heel goed en legde haar met kennis van zaken het zwijgen op: het vroegere Pensión Gardey, een van de opmerkelijkste gebouwen van de stad, was afgebroken, waarna op dezelfde plek het huidige pension was verrezen, veel bescheidener en van een triviale architectuur. Daar was geen twijfel over mogelijk vanwege een geruchtmakend proces dat nog lang had nagedreund. Alles was ermee begonnen dat de eigenaar van het belendende perceel, dat braak lag, wilde gaan bouwen. Toen men de plattegronden van het kadaster bestudeerde bleek dat de bouwmaatschappij van het pension een vergissing had begaan door tien centimeter over de kadastrale grens, op het perceel van de buurman, een muur op te trekken. Het was een ernstige zaak: dat strookje, ingepikt door onoplettendheid, kon Gardey niet verwerven, aangezien stukken grond minder dan een meter breed niet officieel overgedragen konden worden, en het ingaan op het aanbod van een geldelijke compensatie werd overgelaten aan de welwillendheid van de andere partij. Dit leidde tot aanvaringen en fricties, en uiteindelijk kwam het tot een proces; de buurman was onvermurwbaar en daar hij het recht aan zijn kant had, draaide het erop uit dat het pension, dat fantastische Palais des Beaux Arts, de trots van de stad en locatie van de beste herinneringen van degenen die tijdens carnaval de grote bals hadden meegemaakt, gesloopt moest worden – vanwege tien centimeter! Op dit punt aangekomen gaf mijn vriend met duim en wijsvinger een afstand van tien centimeter aan. Het betekende de ondergang van Gardey, die een goed mens was; zijn buurman was een schoft, heel Pringles vervloekte hem. Kort daarna stierf Gardey als een verbitterd man, en het was zijn weduwe die het pension liet herbouwen en het de laatste decennia bestierde.

                Maar terugkerend naar het blinde poppetje van het stuk speelgoed dat mijn vriend ons na het eten toonde: aan de bodem zaten twee moertjes, een aan elke kant. Werkte het nog? Mijn vriend zei dat alles het nog perfect deed, hij had het uit de vitrinekast gehaald om er ‘een voorstelling’ voor ons mee te geven. Het ding was bijna honderd jaar oud, Frans fabricaat, hij wond het zo nu en dan op, niet heel vaak, want hij koesterde het als een van de parels van zijn verzameling, maar om te voorkomen dat het vastroestte moest het om de zoveel tijd opgewonden worden. In wezen betrof het twee onafhankelijke mechaniekjes, vandaar die twee moertjes. Het ene was een muziekdoosje, het andere stuurde de bewegingen aan. Met een knopje aan de voorkant kon je ze tegelijkertijd in werking zetten. Hij drukte op het knopje en ging over tot het opwinden. Het waren twee piepkleine bronzen vleugelmoertjes, waaraan hij draaide met de vaardigheid die de vrucht van een lange ervaring moest zijn. Zijn ruwe worstvingers leken weinig geschikt voor dat soort gepriegel, maar ze voerden hun taak perfect uit. Het waren de opgezwollen en tegelijk versleten handen van een bouwvakker. Op een keer had hij tegen me gezegd dat hij als hij een misdaad zou plegen niets zou hoeven te vrezen van sporenonderzoek, want door het voortdurende contact met bakstenen en metselspecie waren zijn vingertoppen spiegelglad geworden. Ik merkte dat mijn moeder die handelingen slechts uit beleefdheid met nauwverholen ongeduld volgde. Niet dat ze nu veel waarde hechtte aan beleefdheid, maar misschien was ze toch enigszins onder de indruk. Door die typische ongevoeligheid van verzamelaars zou mijn vriend nooit opmerken dat zijn speeltjes en zijn schilderijen en zijn snuisterijen haar koud lieten. En misschien nog wel iets meer dan dat. Moeder vond al die dingen even onbegrijpelijk als nutteloos (dat waren ze ook, in hoge mate zelfs), en bijgevolg schadelijk. Ik besefte dat wat bijdroeg aan dat gevoel, dat tijdens het diner alleen maar sterker was geworden, deels de verlichting betrof. We hadden gegeten bij kaarslicht, maar later, toen ik door de gangen liep, zag ik dat overal in huis schemerlicht heerste. Een stuk of wat staande lampen in hoeken, en kleinere schemerlampen op tafeltjes of langs de muren, verspreidden een gedempt schijnsel. Mijn moeder, onze hele familie, had thuis altijd fel licht aan, lampen zonder kappen, de krachtigste die er te krijgen waren, of tl-buizen. Ik voelde gewoon dat ze wantrouwen koesterde ten opzichte van dat systeem van subtiele lichtpunten die op artistieke wijze over de ruimte waren verdeeld, als een verdacht symbool van klassenonderscheid. Mijn vriend, die anders dan wij voortsproot uit het laagste proletariaat, had een lange en geleidelijke weg van verfijning afgelegd dankzij het contact met zijn rijke cliënten, voor wie hij huizen had gebouwd. Zijn passie voor antiquiteiten had de rest gedaan.

                Daarbij had hij gereisd. Het waren geen culturele of leerzame reizen geweest, maar iets moest hij hebben overgehouden aan zijn bezoeken aan de Oude Wereld. Net als zoveel andere Italiaanse immigranten was hij zodra hij daarvoor de middelen had, teruggekeerd om zijn familie op te zoeken. Zijn ouders, die met hem naar Argentinië waren getrokken toen hij nog een peuter was, hadden in Napels talrijke verwanten achtergelaten. Al heel jong, kort na het overlijden van zijn ouders, had hij zijn eerste reis gemaakt en daarna waren er nog vele gevolgd, die hem een ruime Europese ervaring hadden opgeleverd waaruit hij rijkelijk putte om met feiten en verhalen zijn conversatie te kruiden. Zo had hij ons tijdens het diner bijvoorbeeld vergast op enkele curieuze anekdotes. Een daarvan diste hij op naar aanleiding van ziektes (mijn moeder had, ik weet niet meer hoe ze daar op kwam, de kwalen genoemd waaraan een buurvrouw leed): zijn neven en nichten uit Napels, en misschien, zo concludeerde hij, wel alle Napolitanen die behoorden tot de volksklasse, verborgen hun ziektes als iets om je voor te schamen. Tijdens een van zijn bezoeken moest een tante van hem onder het mes voor een kleine ingreep. Er werd alles uit de kast gehaald om dat verborgen voor hem te houden, iets wat geenszins eenvoudig was. De gesloten deuren, de plotselinge stiltes, de afwezigheid van deze of gene, de evidente leugentjes (die mensen waren erg naïef), de gesprekken die stilvielen als hij binnenkwam, dat alles stelde hem voor een raadsel, en in een poging een verklaring te vinden kwam hij tot de conclusie dat het moest gaan om iets wat met de maffia te maken had. Wat anders kon er schuilen achter al dat geheimzinnige gedoe? De dag van de operatie moesten ze hem kwijt en dat deden ze met een smoes, namelijk dat ze hem naar een tentoonstelling van cactussen zouden brengen in een naburige plaats, maar ook weer niet zo naburig, waardoor de excursie een hele dag in beslag zou nemen. Hij werd in de auto meegenomen door een neef, samen met diens hele gezin. De kinderen, die op hun hart gedrukt hadden gekregen dat ze het spel mee moesten spelen, kwekten de hele rit met vals enthousiasme over cactussen, alsof met het ernaar gaan kijken hun grootste wens uitkwam. Uiteraard had hij geen bijzondere belangstelling voor cactussen en zat hij de hele tijd alleen maar vaag te denken dat hij werd meegesleept in een maffioze operatie die dood en verderf zou zaaien. Desondanks vond hij de expositie toch best interessant. Hij herinnerde zich een van de cactussen, heel klein, in de onmiskenbare vorm van een leunstoel, met een heleboel stekels; ‘schoonmoederszetel’ stond erbij vermeld.

                Toen mijn vriend de twee vleugelmoertjes eenmaal helemaal had opgedraaid drukte hij weer op het knopje aan de voorkant, waarna het stuk speelgoed zich in werking zette. Mijn vriend plaatste het ding op zijn handpalm in de richting van ons tweeën, zodat niets ons zou ontgaan. De slaapkamerdeur zwaaide open en er kwam een jonge dikke man binnen die bewegend over onzichtbare rails drie stappen zette totdat hij bij het voeteneinde van het bed was, waar hij in het Frans een tango begon te zingen. Ondanks de ouderdom van het apparaatje werkte het muzikale mechanisme nog goed, hoewel het geluid veel te wensen overliet. De stem van de gezette zanger klonk schel en metalig; de melodie was moeilijk te volgen, de woorden waren onverstaanbaar. Hij maakte gebaren met beide armen en gooide zijn hoofd in zijn nek, aanstellerig, fatterig, alsof hij op het podium van een theater stond. Het oude vrouwtje in het bed bewoog ook, hoewel in haar geval heel bescheiden, bijna onmerkbaar: ze schudde het hoofd naar links en naar rechts in een zeer geslaagde imitatie van hoe een blinde doet. En als je heel goed keek kon je zien dat ze met haar handen, tussen duim en wijsvinger, kruimels of pluisjes van de sprei plukte. Het was een waar wonder van mechanische precisie, in aanmerking genomen dat die beweegbare handjes van porselein niet veel groter dan vijf millimeter waren. Ik had ooit gehoord dat dat gebaar van oppakken van denkbeeldige kruimeltjes typisch iets voor mensen in doodsstrijd was. De makers van het stuk speelgoed moesten duidelijk hebben willen maken dat het einde van de oude vrouw nabij was. En dat gaf me het idee dat heel die scène de uitbeelding van een verhaal was; tot dat moment had ik slechts de wonderbaarlijke werking van het mechaniek bewonderd zonder bij de betekenis ervan stil te staan. Maar die betekenis bleef ondergedompeld in een nog grotere verwondering, waar je alleen maar naar kon gissen. Misschien ging het om een oude bedlegerige vrouw die op het randje van de dood zweefde en bezoek van haar zoon kreeg, die haar wat verstrooiing wilde bezorgen met zijn gezang. Of zou het om een beroepszanger gaan, die door het oudje besteld was? Voor deze hypothese pleitte het zwarte pak van de dikke man, evenals zijn houding en aplomb. Ertegen sprak het armetierige van het kamertje, een armetierigheid die heel bewust werd onderstreept door tal van details. Daarbij maakte de mythe van de tango het waarschijnlijker dat het om een zoon en zijn ‘oudje’ ging, in wie de in vrouwen teleurgestelde man bevestigd ziet dat zij de enige goede vrouw was, een vrouw die geen verraad pleegde. Misschien was hij teruggekeerd naar het ouderlijk huis nadat zijn echtgenote, zijn mina, hem in de steek had gelaten en hij zich had overgegeven aan vetzucht, zijn pyjama en pantoffels, maar alle dagen kleedde hij zich op een bepaald moment van de middag aan en zorgde hij ervoor dat hij er piekfijn uitzag (puur een ritueel, want zij, blind als ze was, kon hem toch niet zien) en diende hij zich in de slaapkamer van zijn moeder aan om voor haar tango’s te zingen met die stem en dat gevoel waarin zij heel het leven herkende dat uit haar gleed… Maar hoezo tango’s, als het om een Frans stuk speelgoed ging? Dat was vreemd, en was niet het enige wat onverklaarbaar bleef. Wat vervolgens gebeurde was nog vreemder.

  • Details
    • Genre Fictie
    • Vertaling Adri Boon
    • Aantal bladzijden 86
    • NUR 302
    • Uitvoering Paperback met flappen
    • Verschijningsdatum 14 mei 2026
    • ISBN 9789083616292