Verbruikt licht

Verbruikt licht

 22,50

  • Synopsis

    Een vrouw kijkt naar haar broodrooster en plotseling barst de hele wereld open in haar keuken, in al zijn brutaliteit en schoonheid. En ze blijft kijken: de broodrooster wordt geassocieerd met de cia, de eierwekker met de ira, haar telefoon met de uitbuiting van Congo – en langzaam dringt het besef door dat we omringd worden door objecten die weliswaar levenloos zijn, maar zeker niet onschuldig.

    In een meesterlijke mengeling van fictie, geschiedenis, memoir en liefdesbrief verheft voormalig oorlogscorrespondent Lara Pawson de netwerken van troep die we om ons heen verzameld hebben tot briljant, meedogenloos en extreem grappig proza. Verbruikt licht is een onthutsende leeservaring waarna u nooit meer op dezelfde manier zult kijken naar een wasmachine, een eekhoorn of een eierwekker.

  • Recensies

    ‘Lara Pawson laat scherp zien in haar debuutroman: er is geen ontsnappen aan de wereld.’ Joost de Vries in de Volkskrant

    ‘Met poëtische beschrijvingen lokt Pawson je in de val. Elegante zinnen maskeren de horror achter de dingen. Schijnbaar achteloos vertelt ze iets grappigs over een eierwekker en een regel verder serveert ze afgehakte vingers en uitgebrande oogbollen. Pawson weet hoe ze de menselijke hel in bloedmooie zinnen kan gieten.’ Roderik Six in Knack ****

    ‘In alles zit een verhaal. Heel erg mooi geschreven.’ Lidewijde Paris bij Nieuwsweekend

    ‘Lara Pawsons provocatie, om alleen maar te kijken naar roerloze objecten, is geslaagd. […] We zijn het niet meer gewend, langdurig naar iets te kijken. Hierin schuilt de onuitgesproken uitdaging van dit boek: wat gebeurt er als objecten verdwijnen? Wat, of wie, vult die lege ruimte dan?’ Ilse Josepha Lazaroms in De Groene Amsterdammer

    ‘Het kleine waagstuk Verbruikt licht is het verrassende relaas van een vrouw die de wereld in het vuile gezicht heeft gekeken.’ Roos van Rijswijk in NRC ****

    ‘Absoluut uniek boek.’ Koen Eykhout in De Limburger ****

    ‘Verbruikt licht is een verrassende poging om de wereld ten volle te laten doordringen. Pawson nodigt de lezer uit om beter te kijken: of het nu om het broodrooster gaat of om het leed dat mensen elkaar aandoen. Het boek is te lezen als een desoriënterende aanklacht tegen onverschilligheid. Wie langer kijkt, ziet meer dan hem lief is.’ Dieuwertje Mertens in Het Parool

    ‘Alsof Proust zijn madeleine in lsd sopt”: ‘Verbruikt licht’ van Lara Pawson is een boek vol excessen dat onder de huid kruipt. Pawson toont ons de donkere zijden van de objecten die ons omringen. De opeenstapeling van onuitwisbare beelden roept associaties op met het doomscrollen van nieuwsberichten, met dat verschil dat de woorden van Pawson onder de huid kuipen.’ Steven van Ammel in De Standaard ****

    ‘Ze schrijft zonder schroom over de wreedheid van de wereld. In Verbruikt licht, wat ons betreft een van de beste boeken van 2025, verweeft Lara Pawson alledaagse observaties van voorwerpen met rauwe herinneringen aan oorlog en geweld.’ Olaf Koens in interview De Standaard 

    ‘Het nodigt uit om eens op een andere manier naar de gewone dingen om je heen te kijken.’ Tzum

    Verbruikt licht vraagt ons onze spullen nauwkeurig uit te kiezen en daarbija niet onverschillig te blijven. Zo druk Pawson ons met de neus op ons vermogen weg te kijken.’ De Reactor

    Verbruikt licht is wild, gedurfd schrijven in combinatie met volkomen helder denken, en hoewel verontrustend is het ook komisch, op een bevredigend duistere en absurde manier.’ The Guardian

    ‘Lara Pawsons manier van schrijven is briljant, zenuwslopend en schokkend levendig.’ Times Literary Supplement

    ‘Soms afstotend, vaak verleidelijk, altijd resonerend en dwingend.’ The Irish Times



  • Fragment

    Als ik terugdenk aan onze eerste ontmoeting, staat Reg er glimlachend bij in een wollen jas in de winter, terwijl ik een korte broek draag en het warme zonlicht op mijn blote benen voel. Als ik inzoom op de herinnering van dat moment, vult Reg het scherm. Zijn roestvrijstalen bril, zijn zijscheiding en zijn stevig gestrikte, bruine derbyschoenen. Ik glijd buiten beeld.

    Ik zou niet durven zeggen dat we de kloof naar vriendschap ooit hebben overbrugd, maar warme gevoelens waren er vanaf het begin.

    Vaker wel dan niet werd ik op de heen- of terugweg van de winkel door Reg vanuit zijn deuropening begroet en bleef ik staan voor een praatje over ditjes en datjes. Jarenlang groeide onze relatie op deze manier. Laag op laag van gekeuvel over vakanties, het weer, onze buren, de lokale politiek, groenten, de Tweede Wereldoorlog en auto’s. Ik vernam dat hij altijd op de Conservatieve Partij had gestemd en dat hij nog elke woensdagavond, in zijn eentje, naar ballroomdansen ging.

    Hij sprak zelden over zijn vrouw, die dacht ik Jean heette. Het kan zijn dat de naam Jean bij me opkomt omdat een academica wier werk ik graag lees Jean heet en omdat haar partner, ook een academicus, wiens werk ik ook graag lees, zij het tegenwoordig minder graag dan vroeger, momenteel druk besproken wordt op de sociale media omdat hij door zijn studenten van seksueel overschrijdend gedrag is beschuldigd.

    Hoe ze ook mag heten, feit is dat ik Reg’ vrouw nooit daadwerkelijk heb gezien, zelfs niet in de vorm van een hand achter de vitrage van hun schone, gesloten ramen. Er waren dagen waarop ik twijfelde aan haar bestaan. Dagen waarop hij zei dat hij met haar naar de dokter was geweest en daarbij naar de auto gebaarde, de auto die dan altijd koud en leeg was. Tijdens een van deze gesprekken vernam ik dat ze nooit getrouwd waren, maar al sinds de jaren vijftig samenwoonden in dit rijtjeshuis halverwege onze straat.

    Toen de traplift in de voortuin verscheen, wist ik dat ze dood was. Reg kwam haastig het huis uit lopen en duwde me een broodrooster in handen. Ik heb toch een betere in Chingford, zei hij.

    Ik herinner me dat ik naar de lucht opkeek. Het gesteven licht van de zon drong door de wolken heen. Met half toegeknepen ogen probeerde ik te zien wat er achter de verblindend witte waas zat.

    Ik bedankte hem en stapte stevig door naar huis terwijl de stekker tegen mijn been botste en jouw zaad nog in het kruis van mijn broek lekte.

    Ik had nog nooit een broodrooster bezeten.

    H

    ij heeft goede afmetingen. Zoals die leren handtassen die vroeger aan de elleboog hingen van vrouwen van een bepaalde overtuiging, vrouwen die hun echtgenoot hun kousenbanden leenden en een pillboxhoed droegen naar begrafenissen.

    Aan de ene zijde: drie knoppen in de vorm van rattenkeutels. Boven elke knop omhult een bolster van rood plastic een piepklein lampje. Als ik even over een van deze lampjes wrijf, moet ik denken aan de tepel van de hond, of de trekkerpin van een ArmaLite semiautomatisch geweer, of de onbeschrijflijke golf van genot als jouw vinger mijn clitoris nadert.

    Boven elk lampje, een fractie uit het midden, staat een woord gedrukt in hetzelfde ingetogen lettertype dat je op cia-documenten aantreft. Samen vormen de woorden een samenvatting van het antropoceen: reheat defrost cancel.

    Rechts van deze knoppen zit een draaiknop ter grootte van de anale sluitspier van een volwassen mens. Hij heeft een rugvin, het elegantste aspect van het hele apparaat, die beelden oproept van een bruinvis die in en uit omkrullende golven duikt. Maar ook het meest sinistere aspect. Niet omdat de bruinvis stierf met drieëntwintig plastic tasjes in zijn maag en het touwtje van een tampon van een meisje dat in paniek de zee in rende om dit vreemde voorwerp uit te scheiden op de enige manier die ze kon bedenken, maar omdat de draaiknop de warmte bepaalt.

    Net als een scherpe prijsstijging van brood kan warmte de lont in het kruitvat zijn. Zo wordt brood in Egypte ‘aysh’ genoemd, wat in het Arabisch ‘leven’ betekent. 

    Een stalen omhulsel, met aan één kant de pootafdrukken van een verschrikte kat, omvat het hele ding. Het heeft ook een rok. Een dikke zwarte rok die dient om de pootjes van het apparaat en de complexe verbindingen die stroom in warmte omzetten te verbergen. Een rok die mijn gedachten op het spoor zet van de oude vrouw die in de bus naar Órgiva naast ons aan het gangpad zat.

    Terwijl het lange voertuig bocht in, bocht uit over de kronkelweg door de Alpujarras slingerde, brak het zweet haar uit, bewogen haar handen onrustig en verzamelden gal en ont-bijtresten zich tussen haar lippen. Er sprongen tranen in haar ogen, ze zei dat ze geen lucht kreeg door haar neus en hield de lange witte envelop als een kommetje voor haar mond.

    Pas na de laatste bocht voor het stadje ontspande ze. Ze spreidde haar voeten en vanonder haar lange zwarte rok verscheen de tong van een mollige oude hond, hijgend in de warmte.

    Ze zei dat ze zes was toen een stierenvechter genaamd Pepe haar moeder onder schot hield en opdroeg een slok te nemen van een fles wonderolie. Op heftig braken volgde een weeënstorm en het meisje zag de homp nat vlees op de kurkdroge straat van het fraaie heuvelstadje glibberen. Ze zei dat de stank van haar moeders diarree haar nog bijstond, net als de stilte die als zwaar fluweel neerdaalde zodra de baksteen de zachte schedel van haar broertje verbrijzelde.

    Omdat ik altijd aan deze vrouw denk als ik de broodrooster gebruik, en omdat ik aan haar moeder denk, die gedwongen werd wonderolie te drinken, stel ik me soms voor dat ook ik gedwongen word de olie te drinken. Soms stel ik me zelfs voor dat ik iemand anders dwing die te drinken.

    Wat had ik moeten meemaken om zo wreed te worden?

    T

    oen ik aan jou vroeg of je wist dat de zaden van de wonderboom ricine bevatten, zei je dat je daarvan geen idee had gehad. Ik toonde je een plaatje op internet met het doel je van hun aantrekkelijkheid te overtuigen. Ik vertelde er niet bij dat ik al bepaalde stappen had ondernomen om er een aantal voor mezelf aan te schaffen. Gewoon een handjevol om van de ene in de andere palm te laten glijden en de schoonheid van vergif te aanschouwen.

    Hun glanzende keverruggetjes zouden niet misstaan in de asbak die tot een kom was geblazen, als een opgekrulde kilo suikerstroop, ergens in Scandinavië. Het gewicht van dat glas is zo indrukwekkend! En denk eens aan al die vergeten jaren sinds hij je vaders as bevatte, als die tot ’s avonds laat overwerkte en onvermoeibaar in de weer was met zijn potlood en de roestvrijstalen liniaal die hij in 1949 van zijn tante had gekregen.

    De pijp waaraan je de warmste herinneringen bewaarde was van gelig grijs gebakken klei, met ribbels die het gezicht vormden van een man met een baard en een zwierige hoed. Een pierewaaier, zei je met ongebruikelijke aarzeling, en vermoedelijk van Duitse origine. Het volgende woord dat je sprak was Meerschaum, wat me zo in vervoering bracht dat ik je vroeg het te herhalen.

    De huid van je gezicht verzachtte toen je herinneringen ophaalde aan je vaders bezoekjes aan de sigarenboer, gevestigd in een oude pijpenla in de binnenstad. Hij keerde dan terug met vier zakjes met in elk daarvan een ander soort blad uit een ander deel van de wereld. Het was jouw taak de blaadjes te verscheuren en op één hoop te gooien op de salontafel, die in de zitkamer was neergezet als uiting van een ambitie om dinertjes te geven. Al geloof ik niet dat het er ooit van is gekomen, zei je op een vlakke toon die terecht voelde.

    Op je blote knieën op het hoogpolige tapijt, dat schuimde als de golven die op de kliffen van Cornwall breken, verscheurde je telkens één blaadje uit elk zakje, zodat het uiteindelijke mengsel uitgebalanceerd en geheel naar je vaders smaak zou zijn. Terwijl je met je vingers het gedroogde bruine spul bewerkte – dat, zoals jij het beschreef, veel weghad van de op dienbladen gestapelde gedroogde vis op het hoofd van vrouwen aan de oever van het Voltameer – hield je zo af en toe een reepje onder je neus en snoof het aroma op, dat voor jou een beeld opriep van een akker ergens ver weg, waar een jongen met vlugge hand de blaadjes plukte en in de mand op zijn rug wierp die jij in een voorstad van Liverpool in je onbezoedelde handen hield.

    Op sommige dagen wou je dat je die jongen was. Op andere, een astronaut.

    H

    et was je vriend die ons de pepermolen gaf. De componist. Die van die verbijsterende opera over een seriemoordende necrofiel. De pepermolen was van zijn vader geweest, die jarenlang als kelner in het Ritz had gewerkt. Hij was in 1958 uit een aan de voet van de Monti Lattari genesteld stadje naar Londen gekomen. De grootvader van de componist, een schoenlapper, was elke dag door een dal met bloemen en zwarte slangen naar zijn werk gelopen. Toen de componist ons naar deze plek meenam, trapte jij op zo’n slang toen je een stenen trap afrende en ik zag zijn staart tegen je voet zwiepen.

    We maakten met zijn drieën een lange wandeling over steile paden de heuvels in, hoger en hoger, tot we door varens waadden die onze keel kietelden. We werden gevolgd door een patrouille sennenhonden met een camouflagevacht vol aangekoekte modder, waardoor we ze niet tussen de schapen aan het werk hadden gezien. Toen de wolken neerdaalden en het begon te regenen, hielden we elkaar voor dat de weg die we moesten gaan altijd vooruit was, ware het niet dat de door ons gekozen paden bleven verdwijnen; stuk voor stuk losten ze in het niets op.

    Toen we de angst achter onze ogen niet langer konden verbergen, raakten we vreselijk in paniek en steeds meer verdwaald. Jij pakte mijn hand en hield die warm en stevig vast.

    De pepermolen voelt als een voor mijn vuist gemaakte handgranaat. Zijn houten romp is bol en een elegante greep krult van midden op zijn koperen deksel als een veiligheidshefboom opzij. In plaats van de pin eruit te trekken zodat de hefboom opwipt, draai je de houten kop tussen duim en wijsvinger met de klok mee en vermaal je de peperkorrels in zijn binnenste.

    De koperen bovenkant bevat een luikje ter grootte van een kikkernier. Om het te openen plaats je je nagel tegen het koperen ribbeltje en schuif je het tegen de klok in opzij. Om de molen te vullen, schenk je peperkorrels in dit donkere gat.

    Ik kan er niet naar kijken zonder dat ik mezelf het ding uit het raam op de bovenverdieping zie gooien naar een man die met een raketwerper en een mes door de straat aan komt lopen. Ik zie ook altijd een kat. Langs de kant van de weg ligt hij te kronkelen van de pijn.

    Ik wou dat ik als kind al geweten had dat de term handgranaat is afgeleid van het Spaanse woord voor granaatappel, dat afstamt van het Latijnse woord granatus, dat ‘vol korrels’ betekent.

    Is het ooit iemand gelukt om in een donker steegje peperkorrels in de ogen van een verkrachter te malen, zoals mij werd aangeraden? Het zou toch een stuk aanlokkelijker zijn om hem te trakteren op een op zes millimeter dik triplex geteste handgranaat. Het soort granaat dat ledematen afrukt, longen opblaast of het trommelvlies van een muzikant perforeert. Een lichtgewicht model zou volstaan, eentje van honderdzeventig gram.

    Onze pepermolen weegt ruim honderdveertig gram, terwijl een flinke Italiaanse citroen een kleine tweehonderddertig gram weegt. Dit weet ik omdat ik na de dood van de kelner voor zijn citroenboom zorgde. Het hoogste blaadje reikte tot aan mijn heupen en wulpse citroenen hingen aan takken die dun maar sterk waren. Zijn wortels zaten in een turkooizen pot, breed als de billen van de boer die op zijn muildier door die onverschrokken Italiaanse heuvels reed. Hij zat op het dier alsof het een bankje was, niet schrijlings, maar met beide benen aan dezelfde kant en zijn hielen tegen zijn ribben. Hij hield een bruine fles in zijn ene hand en ondersteunde de zijkant van zijn hoofd met zijn andere hand. Er was veel zweet. Er was het ritme van het muildier.

  • Details