Vraag 7

 26,50

Dit boek is nog niet verschenen, u kunt wel alvast een exemplaar reserveren.
  • Synopsis

    Een vader overleeft een Japans interneringskamp, in het Londen van vlak voor de Eerste Wereldoorlog hebben twee schrijvers een affaire, een jongeman ontkomt maar net aan de verdrinkingsdood – Vraag 7 is een gloedvolle ode van Booker Prize-winnaar Richard Flanagan aan zijn familiegeschiedenis en een verbluffend mozaïek van de menselijke conditie. 

    Meesterverteller Flanagan onderzoekt op poëtische wijze hoe het kleine en het grote, het persoonlijke en het historische elkaar voortdurend beïnvloeden. Vraag 7 is zowel een liefdesverhaal als een meditatie over schuld, overleven en de onverklaarbare drang van de mens om betekenis te vinden en te geven.



  • Recensies

    De pers over Vraag 7:

    ‘Een zielvol boek dat nog lang nagalmt na het lezen. Richard Flanagans schrijftalent is bijna buitenaards.’ Juryrapport Baillie Gifford Prize

    ‘Dit briljante en unieke boek van de Booker-winnaar, een mix van memoires, geschiedenis en autofictie, is een verhandeling over de onmeetbaarheid van het leven.’ The Guardian

    ‘Flanagans vertolking van zijn stille, dappere vader en zijn liefdevolle, veerkrachtige moeder is voortreffelijk. Zijn evocatie van het leven op Tasmanië is meesterlijk.’ Daily Telegraph

    ‘Prachtige, niet te classificeren roman-memoires… Dat het een meesterwerk is, staat buiten kijf.’ Observer

    ‘Buitengewoon origineel… Richard Flanagans briljante Vraag 7 tart elke categorisering.’ Washington Post

    ‘We zijn natuurlijk allemaal competitief, dus dit is niet makkelijk om te zeggen, maar Vraag 7 is misschien wel het belangrijkste Australische kunstwerk van de afgelopen 100 jaar.’ Peter Carey, Sydney Morning Herald

    ‘Adembenemend goed… Flanagan is een schrijver met buitengewone verbeeldingskracht en elegantie.’ The Guardian

    ‘Uitzonderlijk… Het komt niet vaak voor dat een boek je dwingt het herhaaldelijk weg te leggen omdat het je doet duizelen. Vraag 7 deed dat bij mij. Zo goed is het.’ The Sunday Times

    ‘Een boek dat een overweldigende indruk op lezers zal maken. Dat heeft het zeker bij mij gedaan.’ Colm Tóibín

    ‘Memoires zoals ik ze nog nooit eerder heb gelezen.’ Politiken *****

    ‘Een eerbetoon aan de mogelijkheden van literatuur.’ El País

    ‘Alleen maar lof voor dit boek, dat een prachtige literaire reis is naar de ziel van de wereld.’ La Razón



  • Fragment

    1

    In de winter van 2012, tegen beter weten in en om redenen die niet geheel en al met schrijven van doen hadden – hoezeer ik ook beweerde van wel – en die me ook nu nog niet helemaal duidelijk zijn, bezocht ik het voormalige kamp Ohama in Japan, waar mijn vader ooit geïnterneerd was geweest. Het was een bitterkoude dag, en de loodgrijze lucht wierp een onheilspellend schijnsel over de Binnenzee, waaronder mijn vader eens als dwangarbeider in een kolenmijn had gewerkt.

                Er was niets van over.

                Hoewel ik er eigenlijk niet mee wilde worden lastiggevallen, werd ik meegenomen naar een plaatselijk museum, waar een uiterst behulpzame vrouw een groot aantal foto’s opzocht waarop de geschiedenis van de kolenmijn vanaf de vroege twintigste eeuw tot in detail was vastgelegd: de groei, de werkmethoden, de Japanse mijnwerkers.

                Er was geen foto bij van de dwangarbeiders.

                De vrouw was vriendelijk en, zoals dat heet, een ‘bron van kennis’ wat betreft de plaatselijke geschiedenis. Ze had nog nooit gehoord van dwangarbeid in de kolenmijn van Ohama. Het leek wel alsof die nooit had plaatsgevonden, alsof er nooit iemand was geslagen, of vermoord, of gedwongen naakt in de sneeuw te staan tot de dood erop volgde. Ik herinner me de welwillende glimlach van de vrouw; een glimlach uit medelijden, omdat ik geloofde dat er ooit dwangarbeiders in de kolenmijn van Ohama hadden gewerkt.

    2

    Soms vraag ik me af waarom we steeds terugkeren naar het begin; waarom we zoeken naar die ene draad die misschien, wanneer we eraan trekken, het tapijtwerk dat we ons leven noemen zal doen ontrafelen, in de hoop dat we daarachter de waarheid van het waarom zullen vinden.

                Maar er is geen waarheid. Er is alleen dat waarom. En als we goed kijken, zien we dat er achter dat waarom alleen maar een ander tapijt ligt.

                En daarachter nog een, en nog een, tot we in de vergetelheid belanden.

    3

    Op 6 augustus 1945, om kwart over acht ’s ochtends haalde bombardier majoor Thomas Ferebee vijfennegentighonderd meter boven Hiroshima een hendel over, zei ‘Bom los!’ en drieënveertig seconden later stierven zestigduizend mensen, terwijl honderddertig kilometer zuidelijker mijn vader, een zo goed als naakte dwangarbeider, al meer dan drie jaar krijgsgevangen, voortging met zijn slopende werk; karren vol stenen omhoog duwen door de lange, donkere tunnels die onder de Binnenzee liepen.

                Geradbraakt, ziek, lichaam en wil op weg naar het einde, en wetend dat hij de winterkou, die over een paar maanden zou terugkeren, niet kon doorstaan en zou sterven, was hij zich niet bewust dat hij nu zou overleven. Terwijl mijn vader zich een weg baande door die troosteloze mijntunnel, waar het duister maar zelden werd doorbroken door een zwakke gloeilamp, merkte een andere Tasmaanse krijgsgevangene op dat dat het weinig verschilde van een vrijdagavond in Penguin, zijn geboortestadje.

    4

    Bij de ingang van de mijn, waar mijn vader en zijn mededwangarbeiders ooit spitsroeden moesten lopen tussen de bewakers, die hen sloegen in het voorbijgaan, stond nu een love hotel. Er was geen monument, geen gedenkteken, anders gezegd: geen enkel bewijs dat wat eens gebeurd was ooit gebeurd was. Er hingen wat neonreclames. Er was een onderneming gevestigd die snelle, opportunistische seks faciliteerde, in piepkleine kamertjes, met opzet bijna alleen maar geschikt om seksueel aan je trekken te komen. Wat er over was, of liever gezegd, wat bestond, was slechts de vergetelheid van genot in de armen van een ander, dezelfde vergetelheid die zowel voorafschaduwing als ontkenning van de dood is. Alsof de behoefte aan vergeten even sterk is als de behoefte aan herinneren. Sterker nog, misschien.

                En na die vergetelheid? Dan keren we beduusd terug naar de verhalen die we herinneringen noemen, vreemden voor het voortdurende bedenksel dat ons leven is.

    5

    Op die bittere dag stond er naast me een bejaarde Japanse man, meneer Sato. Hij was heel klein en tenger, keurig gekleed in een sportblazer en een pantalon die hem te lang was omdat hij, nam ik aan, in de loop der jaren was gekrompen. Aan zijn handen droeg hij dunne, witte, katoenen handschoenen, en toen hij naar beneden wees, naar waar ooit het kamp en de mijn waren geweest, zag ik alleen maar de losse draad die van de zoom van zijn handschoen bungelde. Zijn schoenen herinner ik me niet.

                Meneer Sato kwam tot aan mijn borst. Zijn leven was gewijd aan de verzorging van een dochter die, vertelde de tolk me, zeer zwaar gehandicapt was. Meneer Sato was ooit bewaker geweest in kamp Ohama. Hij liet me zien waar de kazerne had gestaan, de boerderij op de heuvel, de ingang van de mijn aan de voet daarvan, dichter bij de zee.

                Tot mijn gêne en onuitgesproken woede stonden voor ons een tv-ploeg en een aantal fotografen van plaatselijke kranten. Ik was via een reeks contactpersonen bij de ingang van deze mijn terechtgekomen, en op de een of andere manier was de gemeenteraad erbij betrokken geraakt. Zonder dat ik het wist hadden ze de media uitgenodigd. De tv-ploeg en de krantenjournalisten wilden maar één ding: dat meneer Sato en ik elkaar omhelsden, een beeld dat vergeving, begrip, de tijd die alles heelt zou symboliseren. Dat zou, wist ik, een leugen zijn. Het was niet aan mij om te vergeven.

                Geneest de tijd alle wonden? Niet altijd. De tijd laat littekens achter. Meneer Sato hield zijn gehandschoende hand wijzend opgeheven, de koude wereld onder ons doorsneden door een rafeldraad.

    6

    Eerder die dag had ik bejaarde dorpelingen uit de buurt ontmoet, die tijdens de oorlog kinderen waren geweest. Ik had ze niet willen ontmoeten. Ik voelde me – hoe moet ik het zeggen? – beschaamd. Misschien schaamde ik me omdat mijn terugkeer onterecht kon worden opgevat als wraakzucht of woede. Maar ik wist niet wat mijn terugkeer eigenlijk was. Zij waren kinderen geweest, en ik had nog niet bestaan. Ik voelde me, kort gezegd, niet gelijk aan hen, of aan hun leven. Misschien schaamde ik me hoe dan ook, omdat ik, zoon van mijn vader, zomaar aannam dat zijn en hun verhaal misschien ook het mijne was. Ik was bang dat ik als een onwelkom spook zou worden beschouwd, een geestverschijning die kwam kijken op de plaats van een onopgelost misdrijf waarbij ik betrokken was geweest. Maar wiens spook was ik dan? Van de vermoorde, de moordenaar of de getuige, of van alle drie?

                De ontmoeting was door anderen opgezet, en daarom wist ik niet hoe ik kon afzeggen zonder beledigend te zijn. De bejaarde dorpelingen waren vriendelijke, warme mensen. Toen ze vertelden over de ontberingen die ze tijdens de oorlog hadden geleden, als kinderen van plattelandsarmen, herinnerden ze zich de dissonantie tussen wat de volwassenen zeiden en wat zij als kinderen zagen, en dan werden hun oude stemmen en verweerde gezichten kinderlijk oneerbiedig. Ze herinnerden zich hoe eind 1944 de krijgsgevangenen van boord waren gekomen en hoe die duivels, die ze zo lang hadden leren vrezen, niets meer bleken dan meelijwekkende, zo goed als naakte geraamtes. Mijn vader had over de wreedheid van de Japanse bewakers verteld, en over de vriendelijkheid van de Japanse mijnwerkers – misschien waren sommigen van hen wel vaders van deze bejaarde dorpelingen geweest – die hun schamele proviand deelden met de uitgehongerde krijgsgevangenen.

    7

    Toen ik van school kwam ging ik werken als kettingtrekker, zoals de meethulp van een landmeter toen genoemd werd, een eeuwenoude baan die slechts een paar jaar later, met de komst van digitale technieken, zou verdwijnen. De kettingtrekker moest de meer dan twintig meter lange ketting met zijn honderden schakels verslepen, waarmee de wereld werd opgemeten. In mijn tijd was de meetketting een dun stalen snoer van vijftig meter geworden, maar verder was er sinds een eeuw daarvoor weinig veranderd. De kettingtrekker droeg nog altijd een sikkel en een bijl om de meetlijnen vrij te maken van struiken en bomen, en een wetsteen en een vijl om beide scherp te houden. Ik leerde te letten op de overblijfselen van eerdere landmetingen, van tientallen jaren geleden; ineengezakte steenhoopjes, weggerotte stokken, vulvavormige littekens op de bast van oude eucalyptusbomen. Met de bijl schraapte ik dan voorzichtig de bast eraf, tot er een diepe, prismavormige holte tevoorschijn kwam, lang geleden vaardig in de boomstam uitgehakt, soms meer dan eeuw terug. De top van het omgekeerde prisma was het meetpunt.

                Dan staarde ik naar die wonderbaarlijke, onveranderde wond, nog precies hetzelfde als op de dag dat hij met een andere bijl was uitgehouwen. De tijd had de boom niet geheeld, maar een litteken achtergelaten, dat iets verborg wat nog altijd gebeurde. Want onder dat litteken zat nog steeds die wond, een doorgang naar het verleden waaruit verse hars het heden in sijpelde, en als ik er te lang naar bleef staren voelde ik hoe ik er zelf in begon te vallen.

                Toen ik daar die dag voor een Japanse tv-ploeg stond, met hun jonge verslaggeefster, het handjevol plaatselijke fotografen en verveelde journalisten, allemaal vastberaden het enige zinnige verhaal eruit te halen en er dan snel vandoor te gaan, ervoer ik ook zo’n moment van versnelling. Ik had geen behoefte meneer Sato te omhelzen. Misschien dacht hij er wel hetzelfde over. Maar ik wilde hem en al die andere mensen niet voor schut zetten, dus legde ik mijn arm om hem heen, en hij deed bij mij hetzelfde. Daar leek iedereen tevreden mee.

                Toen ze klaar waren met foto’s maken en filmen, liet ik mijn arm vallen. Meneer Sato bleef tegen me aan gekruld staan. Toen ik probeerde los te komen, leek zijn hoofd tegen mijn borst te zakken. Dus bleven we daar zo staan.

                Misschien tuimelde ook hij door een oneindige leegte, of misschien was het gewoon de kou. Ik had geen idee. Ik kan niet zeggen dat ik het prettig vond dat hij me zo vasthield, deze man die misschien ooit mijn vader had geslagen, maar ik wist ook niet hoe ik van hem af moest komen, hem aan de warme troost van mijn lichaam moest onttrekken.

                Ik bedacht hoe meneer Sato moest lijden met zijn gehandicapte kind, en dat hij, aan het einde van zijn leven, zijn rechtvaardige straf onderging. En toen schaamde ik me dat ik zoiets dacht, en ik voelde hoe er onder die gedachte nog een andere lag, die ik niet wilde erkennen. Ik keek weg, naar de bomen, kale, spichtige stammetjes, omringd door onbeminde, kille aarde, overgroeid met miserabel, verloren gras en onkruid. De hele natuur daar leek uitgeput en chaotisch, en ik maakte daar hoe dan ook deel van uit. In de diepte klonk het geluid van de zee die af en aan tegen de rotskust rolde, zoals hij altijd had gedaan en zou blijven doen, in en uit, dwars door de misdaden en zonden, de liefde en geestdrift van hen die door dit droeve land trokken. Mijn hele tocht voelde even onbegrijpelijk als het geluid van stenen die de vergetelheid in rollen.

                Zou ik hetzelfde gedaan hebben als meneer Sato? En toen ik die vraag probeerde weg te duwen, kwam er een andere bij me op. Als meneer Sato, die een fatsoenlijk mens leek, in staat was bewaker te zijn, kwaad te doen, of weg te kijken terwijl er kwaad werd gedaan, zou ik dan niet precies hetzelfde zijn? Zou ook ik de gevangenen hebben geslagen, al wilde ik het niet, zou ook ik een naakte man hebben bevolen geknield in de vallende sneeuw dood te vriezen, omdat dat van me verwacht werd, omdat het te moeilijk was nee te zeggen? Of zou ik weg hebben gekeken en hem niet hebben geholpen? Toen raakte ik de draad van mijn gedachten kwijt. De dag liep ten einde. Ik dacht aan de gevangene die de hele nacht zonder kleren in de sneeuw had moeten knielen, een verhaal zo zinloos dat mijn vader er telkens weer onbeschrijflijk triest van was geworden. Zou ik hetzelfde doen? Opeens haatte ik de omhelzing van meneer Sato, haatte ik meneer Sato tot in mijn vezels terwijl hij maar tegen me aan bleef leunen. Een koude wind stak op en ging weer liggen. Daarna leek het alleen maar nog kouder, de zee bleef af- en aanrollen, we waren ons niet meer bewust van elkaar, ik bedacht dat we beiden geen flauw idee hadden wat de ander dacht of voelde, hoe we, zoals we daar stonden, voor broers of minnaars konden worden aangezien.

                We bleven daar heel lang staan, terwijl de journalisten en de tv-ploeg vertrokken, terwijl boven ons donkere wolken zich haastig samenpakten, leken te huiveren in hun onbekende oordeel om dan weer snel, teleurgesteld, uiteen te gaan, terwijl de Binnenzee enkel zijn eigen raadselen naar mij weerkaatste. Wat was er gebeurd? Tot op de dag van vandaag heb ik geen idee. Er is geen waarom.

    8

    Komt het omdat we de wereld alleen door een duistere spiegel bezien dat we onszelf omringen met de leugens die we tijd, geschiedenis, werkelijkheid, herinnering, details en feiten noemen? Stel dat de tijd meervoudig was, en wijzelf ook? Stel dat we ontdekten dat we morgen beginnen en gisteren zijn gestorven, dat wij uit de dood van anderen geboren zijn, en dat het leven ons is ingeblazen uit verhalen die we maken uit liedjes, collages van grappen en raadsels en andere fragmenten?

                Mijn vader moest altijd lachen als hij vertelde over een van zijn medekrijgsgevangenen, die zei dat hij de nachthemel boven het kamp had zien oplichten toen de atoombom ontplofte, alsof het dag was.

                De atoombom boven Hiroshima explodeerde om zestien over acht ’s ochtends. Zij die het verleden nooit hebben aanschouwd, zien het altijd helderder.

    9

    Toen Thomas Ferebee boven Hiroshima die hendel overhaalde, had mijn vader, hoe dan ook, meer dan drie jaar Japanse internering overleefd. Hij had, hoe dan ook, Changi en de Dodenspoorweg overleefd. Hij had, hoe dan ook, de zogeheten Helleschepen overleefd die in het najaar van 1944 de overlevenden van de Dodenspoorweg naar Japan brachten, samengepropt in niet-zeewaardige rompen zonder opbouw. Opeengeperst in hun roestende ruim doorstonden de zo goed als naakte mannen typhonen, torpedo’s gelanceerd door Amerikaanse onderzeeërs en beschietingen door Amerikaanse vliegtuigen. Toen ze eenmaal op het eiland Honshu aankwamen was de droom van een Japans keizerrijk verjaagd door de angst voor een aanstaande invasie van Japan zelf, en de reactie daarop, waartoe het Japanse militaire regime opriep: de massazelfmoord van honderd miljoen Japanners, een land onderworpen aan een doodscultus.

                Zou die invasie plaatsvinden, dan dienden de Japanse burgers het moederland met hun leven te verdedigen. Op Okinawa, het enige Japanse eiland dat werd binnengevallen, stierven naar schatting honderdvijftigduizend burgers. Massazelfmoord onder burgers kwam geregeld voor, soms vrijwillig, soms gedwongen, onder schot gehouden door Japanse militairen. In sommige gevallen vermoordden kinderen hun eigen ouders, wanneer die onvoldoende enthousiasme toonden bij het vooruitzicht van de dood, en in andere gevallen vermoordden ouders hun eigen kinderen. De levens van gewone Japanners waren hun leiders zo weinig waard dat het geen verrassing is dat de levens van hun vijanden waardeloos waren: toen de invasie begon stonden de Japanners klaar om de tweeëndertigduizend krijgsgevangen dwangarbeiders in Japan af te slachten.

                De Amerikanen waren van plan de definitieve aanval op Japan op 1 november 1945 te beginnen met de invasie van het eiland Kyushu, gevolgd door de invasie van Honshu in maart 1946. Mijn vader zou dan naar alle waarschijnlijkheid al dood zijn geweest, maar als hij nog zou leven, dan zou hij zijn vermoord. Als hij op de een of andere manier aan dat lot zou zijn ontsnapt – al valt moeilijk te zeggen hoe dat zou kunnen – dan zou hij nog zo’n bitterkoude winter niet overleefd hebben, dacht hij.

                De Amerikaanse invasie vond nooit plaats. In plaats daarvan gooiden ze de atoombom. Zestigduizend mensen stierven in een oogwenk, vele anderen stierven tergend langzaam in de uren en dagen daarna, en in de maanden en jaren die volgden bleven ze sterven. Drie dagen later gooiden de Amerikanen een tweede atoombom. Veertigduizend mensen stierven in een oogwenk, vele anderen stierven tergend langzaam in de uren en dagen daarna, en in de maanden en jaren die volgden bleven ze sterven.

    10

    Vijftien jaar en elf maanden later werd op een gure winterochtend het vijfde van mijn vaders zes kinderen geboren. Hij zou Daniel gaan heten, maar de Iers-katholieke nonnen van het karmelietenklooster in Longford zeiden tegen mijn moeder dat Daniel te katholiek en te Iers was, en te veel gebruikt. Zonde en jammer, zoals ze dan zeggen. Maar wij waren zo katholiek en zo Iers dat zonde en jammer niet kon. Dus werd ik Richard genoemd. Mijn vader had een hekel aan zijn naam, al zouden zijn geliefden hem er later mee aanspreken, en dus heb ik mijn naam ook gehaat, maar wij, mijn naam en ik, zijn met elkaar vergroeid geraakt, als oude wortels, waarbij lastig te zien is waar de ene ophoudt en de andere begint. Op ieder potje past wel een dekseltje, zei mijn vader soms over vreemde stellen.

    11

    Die avond begon het hevig te regenen, zo’n regen van druppels die met munten verzwaard lijken als je erdoorheen moet, waardoor iedere kamer die je binnengaat licht voelt. Ik werd naar een hostess bar in Sanyo-Onoda meegenomen, door Kenji Y–, hoofd Internationale Betrekkingen en Kansengelijkheid van de gemeente Sanyo-Onoda. Kenji Y– droeg een kantoorpak dat niet helemaal de juiste maat had, passend voor een man die zijn beroep uitvoerde met het goede humeur en de lichte verwarring van iemand wiens hart elders was, maar ook gelukkig. Hij leek tevreden zijn brood te verdienen en zijn werkuren te vullen met het regelen van allerhande absurditeiten, waarvan ik er een was, die op zijn pad kwamen. Kenji Y– was dol op zijn vrouw en kind, en op mountainbiken. Ingewikkelde dingen deden hem versteld staan, maar waarheden kon hij aanvoelen, ook al snapte hij ze niet helemaal. Hij was een vriendelijk mens.

                Kenji Y– vertelde me dat zijn grootvader had gevochten tijdens de oorlog in de slachting die Nieuw-Guinea was. Bij terugkomst had hij grote moeite verbinding te vinden met zijn gezin. Hij had een hut in de bergen gebouwd, waar hij lange perioden alleen leefde. Hij dronk.

                ‘Wisten ze waarom hij zo geworden was?’ vroeg ik.

                ‘Nee,’ zei Kenji Y–, ‘hij had het er nooit over.’

                ‘Had hij het wel over de oorlog?’ vroeg ik.

                ‘Nee,’ zei Kenji Y–, ‘hij had het nooit over de oorlog.’

                ‘Ze zeggen dat Nieuw-Guinea de hel was,’ zei ik.

                ‘Hij had het er nooit over,’ zei Kenji Y–.

                De hostess bar was een warm zaaltje met een paar kantoortypes – allemaal salarymen – die drankjes geserveerd kregen door de hostesses, zwaar opgemaakte vrouwen met tekenfilmogen, wier taak het was geamuseerd en geïnteresseerd te doen tegenover mannen die niet bepaald interessant of amusant leken en buitensporig dronken raakten van de plaatselijke zoete-aardappelwodka. Het bleef doorregenen, maar gedempt en ver weg, zoals wanneer je in slaap valt en een andere wereld in glijdt.

    12

    Een van de hostesses, een kleine vrouw, sprak Engels, dus moest zij naast mij komen zitten. Ze vroeg me wat ik in Sanyo-Onoda deed. Ze was aardig, of ze was beroepsmatig heel erg goed in aardig lijken. Hoe dan ook, het leek me van belang zelf ook aardig te doen, al was het duidelijk dat er maar weinig toeristen naar Sanyo-Onoda kwamen, en lastig erachter te komen wat aardig doen betekende, binnen deze context. Ik antwoordde dat ik schrijver was en research deed voor een boek. Dat was, zoals ik geloof ik al gezegd heb, zowel waar als onwaar. Ik begreep steeds minder goed wat ik daar eigenlijk deed, want niets hiervan zou ooit in het boek terechtkomen dat ik aan het schrijven was. Het interesseerde haar dat ik schrijver was, of het leek haar te interesseren, want ze zei dat ze van boeken hield. Waar ging mijn boek dan over?

                Ik wist niet zeker waar mijn boek over ging. Misschien heb ik iets over liefde gezegd, wat in ieder geval niet onwaar was, en zo vaag dat het alle betekenis verloor. Ze bracht haar hand naar haar mond en lachte er beleefd achter. Ik merkte dat voor haar Sanyo-Onoda en liefde twee ideeën waren die niet vanzelfsprekend synchroon liepen. Ze glimlachte opnieuw en herhaalde haar oorspronkelijke vraag: wat deed ik dan in Sanyo-Onoda?

                Naast ons, een paar passen verderop, stond Kenji Y–, nu zeer dronken, een karaokeliefdeslied in een microfoon te brullen. Niemand luisterde. Misschien draaide het daar wel om in een hostess bar, dacht ik. Je zong met heel je hart en niemand merkte het, je had het hart op de tong en niemand luisterde.

                Ik keek weer naar haar. Ik zei dat ik de plek bezocht waar mijn vader ooit als dwangarbeider had gewerkt.

                Ze keek naar me op met haar dromerige tekenfilmogen en knipperde ermee. Nog altijd glimlachend zei ze: ‘Wat is dwangarbeider?’

    13

    Ze bleef glimlachen, een verstarde grijns. De hele wereld leek trouwens verstard, ikzelf ook. Alsof we samen een kabukistuk opvoerden grijnsde ik terug en bleef grijnzen en zij bleef grijnzen en ik bleef grijnzen en het was moeilijk iets te geloven, of te denken, want op dat moment werd ik vervuld van alle droefenis ter wereld: om meneer Sato die tegen me aangeleund had, om mijn vader, om de grijnzende Japanse hostess met de tekenfilmogen, om iedereen in die oververhitte bar en in de wereld, op die gruwelijk koude, natte avond.

                Ik dacht aan de grootvader van Kenji Y–, eenzaam in zijn schamele berghut waar hij de woorden niet vinden kon, zoals ikzelf het nu allemaal niet onder woorden brengen kon. Kenji’s grootvader was onder geesten geweest. Misschien was hij, net zoals ik, al bezig er een te worden voor hij stierf, levend in een wereld die van niets wist, en geen behoefte had te weten wat er gebeurd was. Ergens was er een echte wereld, waar dat alles nog steeds bestond. Maar hier niet, en dat leek, vreemd genoeg, tegelijkertijd een opluchting en iets afschuwelijks. Niets wat ik zei kon gehoord worden, en niets wat ik zag gezien worden, en Kenji Y–’s grootvader en ik bleven samen de tijd in staren, en wisten alleen maar dat wat gebeurd was, altijd gebeurde, en zou blijven gebeuren.

                Ik keek in de ogen van die jonge vrouw.

                ‘Doet er niet toe,’ zei ik.

                Er werd op mijn schouder getikt. Het was Kenji Y–. Wilde ik niet iets zingen?

    14

    Je zou kunnen stellen dat de wetenschap onverbiddelijk op weg was naar de ontdekking van kernsplijting, wat leidde tot de ontdekking van de atoombom en daarmee Hiroshima. Maar niets is ooit onvermijdelijk, het minst van al de atoombom halverwege de twintigste eeuw, een project dat, zoals een van de leidende theoretici, de Deense natuurkundige Niels Bohr, opmerkte, alleen zou plaatsvinden als iemand een heel land kon ombouwen tot een fabriek gewijd aan die ene taak.

                Op 4 juni 1942, op een congres van hooggeplaatste nazi’s, sprak de voormalige pupil van Niels Bohr, de geniale Duitse natuurkundige Werner Heisenberg, over een bom niet groter dan een dennenappel, die een hele stad zou kunnen vernietigen. Maar na afloop, toen Albert Speer Heisenberg ondervroeg, vond hij de antwoorden van de natuurkundige ‘allerminst bemoedigend… De technische vereisten voor de productie ervan zouden jaren kosten om te ontwikkelen, minstens twee jaar, zelfs wanneer het programma maximaal ondersteund wordt.’

                Speer deed verslag aan Hitler.

                ‘Hitler had het wel eens gehad over de mogelijkheid van een atoombom, maar het idee lag tegen de grenzen van zijn intellectuele vermogens aan. Hij was evenmin in staat de revolutionaire aard van de kernfysica te bevatten. In de tweeëntwintighonderd punten binnen mijn gesprekken met Hitler,’ vervolgde Speer op zijn overdadige, uitputtende wijze, ‘komt de kernsplijting maar eenmaal langs, en dan slechts uiterst kortstondig. Hitler gaf soms commentaar op de mogelijkheden ervan, maar wat ik hem vertelde over mijn gesprekken met natuurkundigen bevestigde zijn overtuiging dat er maar weinig winst uit te halen viel.’

                Toen Hitler hoorde dat Heisenberg geen definitief antwoord had gegeven op de vraag van Speer of kernsplijting onder controle kon worden gehouden, was hij ‘niet verrukt over de mogelijkheid dat de aarde onder zijn bewind in een gloeiende ster kon worden veranderd’.

                Rond de tijd dat Heisenberg de mogelijkheid van dennenappelgrote atoombommen beschreef, begon de oorlog zich in Rusland tegen de nazi’s te keren, en moesten alle projecten gegarandeerd iets opleveren. Omdat Hitler overtuigd bleef dat hij in 1943 zowel de Sovjet-Unie als Groot-Brittannië zou hebben verslagen, werd in de regel alleen wapentuig dat binnen achttien maanden gevechtsklaar kon zijn ondersteund. Duitsland wendde zich af van de mogelijkheid van een atoombom, want men geloofde dat het te lang zou duren om die te ontwikkelen, zeker omdat het resultaat – een atoombom die ook daadwerkelijk functioneerde – allerminst gegarandeerd was.

                Nadat de nazi’s het onderzoek naar de bom hadden afgeblazen, wijdden ze hun beperkte middelen aan het ontwikkelen van een ‘uraniummotor’, die in de vs als een kernreactor bekend zou komen te staan. Ook dat mislukte. Aan het einde van de oorlog werden de meest vooraanstaande Duitse kernwetenschappers niettemin gevangengenomen en naar een Engels landhuis in de buurt van Cambridge gebracht, om erachter te komen wat ze al dan niet wisten. Ze werden als gasten behandeld en van alle gemakken voorzien, maar ze wisten niet dat alle slaap- en zitkamers werden afgeluisterd. Op 6 augustus 1945 werd hen kort voor het avondeten gemeld dat de geallieerden een atoombom hadden ontwikkeld, die boven Hiroshima tot ontploffing was gebracht.

    15

    De Duitse wetenschappers wilden eerst niet geloven dat die achterlijke, vulgaire Amerikanen iets hadden gepresteerd dat de Duitse beschaving niet gelukt was. Maar naarmate er meer bevestiging kwam veranderde hun dedain in woede en ten slotte in vrome afschuw – niet vrij van zelfzuchtige hypocrisie – dat zo’n wapen vervaardigd kon worden. Als beschaafde heren beschouwden zij het gebruik daarvan als walgelijk en weerzinwekkend.

                Hun gesprekken gingen voort in een mengeling van verwarring en professionalee gekrenktheid, verzacht door een air van morele superioriteit; ze poogden te bepalen of ze de bom hadden trachten te maken ten behoeve van het moederland of ten behoeve van het nazisme, en of ze eigenlijk wel serieus van plan waren geweest die bom in elkaar te zetten.

                De twijfel van de Duitse wetenschappers over het project, over hun eigen vermogens, en over hun eigenlijke intenties groeide naarmate hun bedenkingen en pure verbijstering groter werden. Hadden ze de bom kunnen maken? Zóuden ze de bom gemaakt hebben? Waren ze ooit van plan geweest de bom te maken? Was hun mislukking een mislukking, of was hun mislukking een unieke vorm van passief verzet? Was hun mislukking hún mislukking of was het hun onuitgesproken triomf, of was die mislukking uiteindelijk aan hun leiders te wijten?

    Paul Harteck (fysisch scheikundige): Het zou ons misschien gelukt zijn als de hoogste autoriteiten gezegd hadden: ‘Wij zijn bereid er alles voor op te offeren.’

    Carl Friedrich von Weizsäcker (natuurkundige): In ons geval zeiden zelfs de wetenschappers dat het onmogelijk was.

    Erich Bagge (natuurkundige): Dat klopt niet. Jij was er zelf bij op dat congres in Berlijn. Ik denk dat het op 8 september aan iedereen is gevraagd – aan Geiger, Bothe, en jij was er ook bij, Harteck, en iedereen zei dat het direct moest gebeuren. Iemand zei: ‘Het blijft natuurlijk de vraag of zoiets überhaupt hoort te gebeuren.’ En Bothe stond toen op en zei: ‘Heren, het moet gebeuren.’ Toen stond Geiger op en zei: ‘Als er ook maar de geringste kans is dat het mogelijk is, dan moet het gebeuren.’ Dat was op 8 september 1939…[noot 2]

     

    16

    Wellicht het enige land dat halverwege de twintigste eeuw in staat was een werkende bom uit te vinden en te produceren, was het enige land dat zijn economie zo massaal kon omvormen: de Verenigde Staten van Amerika. In de loop van de oorlog, onder auspiciën van het uiterst geheime Manhattan Project, werd een groot deel van de beschikbare middelen – het equivalent van wat er indertijd in de auto-industrie omging in termen van investeringen, de mankracht van meer dan een half miljoen arbeiders en het genie van duizenden wetenschappers – in één enkel werkproject gestoken, met één enkel doel: het maken van de atoombom.

                ‘Bom los!’ zei Thomas Ferebee op 6 augustus om kwart over acht ’s ochtends, en hij haalde vijfennegentighonderd meter boven Hiroshima een hendel over. De luiken van het bommenruim van de b-29 vielen open en een atoombom met de codenaam Little Boy viel uit zijn buik, waarbij een ingewikkelde reeks achtereenvolgende ontstekingsmechanismen, stekkers, tijdschakelaars, barometrische ontstekers en hoogtemeters op gang werd gebracht. Drieënveertig seconden later, vijfhonderdtachtig meter boven de grond, werden de laatste circuits gesloten en vier zijden poederzakjes met ieder negen ons cordiet tot ontploffing gebracht, door een kleine explosie die op haar beurt de grootste door mensen gemaakte explosie in de geschiedenis veroorzaakte. En toen waren die vier zijden poederzakjes alleen nog maar damp en energie, net als de zestigduizend Japanse zielen die samen met hen ten hemel stegen.

                Zo is het leven.

  • Details