
Open hemel
€ 34,50
- Synopsis
Het is 1233, in een begijnenhuis in Luik zijn vijf vrouwen samengekomen om op een compleet nieuwe manier te leven: ongehuwd, niet als nonnen, maar als mens. Terwijl ze strijden tegen de vervolging door de katholieke kerk, begint een van de begijnen, Ida, visioenen te krijgen van de jonge Maagd Maria, een dubbelzinnige Jezus en een koor van engelen. Geleidelijk en tegen wil en dank ontpopt Ida zich tot een profeet, die ondanks alles wanhopig probeert vast te blijven houden aan dat waar ze het meest van houdt.
Open hemel is een genre-overstijgende historische roman over schaamte, verlangen en alles wat er moeilijk én mooi is aan het creëren van een gemeenschappelijk leven, waar we juist nu zo naar smachten.
- Recensies
‘Open hemel bulkt van de ambitie en beloont de lezer met een unieke leeservaring.’ Remo Verdickt in De Standaard ****
‘Een gewaagde genreoverstijgende roman.’ Marjolijn de Cocq in Het Parool
‘Open hemel lezen voelt alsof je in een schilderij van Hieronymus Bosch belandt, waar je bedwelmd raakt door miswijn, hosties en visioenen. Een echte aanrader.’ Boekentip boekhandel Salvator, Karla De Ceulener
‘Jonas Eika’s nieuwe meesterwerk is 700 pagina’s lang. Maar het is een echte pageturner. Ik heb zelden een boek gelezen dat zo historisch en tegelijkertijd zo eigentijds is.’ Politiken ******
‘Een briljant en magnifiek verhaal. Open hemel is een unieke roman in de nieuwe Deense literatuur: hoogst origineel, ambitieus, visionair en overlopend van literaire rijkdom.’ Kristeligt Dagblad ******
‘Een krachtige, epische en progressieve vertelling die bruist van sensaties, stemmingen, gesprekken en heilige visioenen.’ Information
‘Een magnifiek ideologisch portret. Eika noemt hun werk “geïnformeerde fantasie” en dat is volkomen terecht. Open hemel gebruikt de geschiedenis als kader, maar de boodschap is niet historisch.’ Berlingske *****
- Fragment
31 maart 1233
De dag dat Jezus voor de laatste keer als mens wijn dronk en brood at, voordat Hij veranderde in wijn en brood voor alle mensen, zodat wij Hem altijd konden proeven en als zodanig ervaren, in het jaar 1233 na Zijn geboorte
Bij dageraad kreeg Clarisse een visioen. We gingen ter communie en ik was getuige. Op het moment dat Vader Jakob de hostie zegende, met twee misdienaars achter zich die de sleep van zijn kazuifel van de grond hielden, zag ze Christus als het kind dat Hij in zijn eerste jaar was: met bolle wangen, hongerig, nog een zuigeling, een dierenjong met een verlossersmens in zich. Met Jakob als onderdeel van Zijn verschijning liep het kind door de kerk en deelde Zichzelf uit aan iedereen. Toen het voor Clarisse stond, pakte het met Zijn rechterhand Zijn lichaam en gaf dat aan haar in de vorm van de hostie. En ze at. Toen Vader Jakob haar de beker gaf, tilde Christus Zijn linkerarm op en openbaarde een verse rode wond net onder Zijn oksel, het leek wel alsof die wond lippen had. Nu was Hij een man, in schamele, gerafelde kleren, net als op de dag dat Hij ons zijn lichaam aan het kruis gaf, Hij stak Zijn hand uit en legde die in Clarisses nek. Ondertussen schreed Vader Jakob verder om het sacrament aan de volgende te geven – want net als de Zoon is ontvangen uit de Vader door de Heilige Geest, maar gedragen en ter wereld gebracht door de Maagd, zo ontvangen wij zijn lichaam van de Kerk die Hem inwijdt, maar daarna is Hij van ons – dus bleef de Mensenzoon staan, legde Zijn hand op Clarisses nek en drukte haar mond tegen de gapende mond in Zijn zij. En ze dronk.
En Clarisse was nog steeds sloom en verzwakt toen ze na de dienst door de stad naar huis liepen. Met haar armen over de schouders van Ida en Halene sjokte ze door de straat, haar ogen halfgesloten en haar hoofd bengelend op haar borst. Haar dunne haar piepte onder haar kap uit en plakte op haar wang. Af en toe kon Ida haar adem ruiken, zwaar en bedompt; krachteloos, zoals de geur die aan het einde van de winter uit een voorraadkelder omhoogkomt. De muren lagen in de schaduw, de nacht hing nog vochtig op de straatstenen. Er waren bijna alleen maar mannen op straat, ambachtslui, bedelaars en wevers, maar ook een paar klerken en gildelieden, die anders nooit zo vroeg op waren. Sommigen gingen voor Ida en de anderen opzij, bogen het hoofd en hielden de hand eerbiedig tegen de borst, anderen gluurden wantrouwend naar hen. In een steeg stak een jonge, bebaarde man in een paarse mantel, vast de zoon van een koopman of edelman, snuffelend zijn gezicht naar hen toe. Ze dromden dichter op elkaar, Jutta en Majke een halve pas achter Ida en Halene, die Clarisse tussen zich in zeulden, maar Jacomyne bleef voor hen uit rennen – ongetwijfeld voortgestuwd door haar angst, dacht Ida, ze staat altijd op het punt ons te verlaten.
In de hof Getsemane, toen Jezus bang werd en Zijn discipelen vroeg om
’s nachts te waken – om een opening te creëren, een kleine nacht in de nacht? – vielen de discipelen in slaap. Als je anderen het allerhardst nodig hebt, trekken ze zich terug, tenzij het jou als eerste lukt. Een eindje verderop lag Jezus op Zijn buik te bidden. Zijn zweet viel op de droge, nog warme grond op de berg en maakte die zacht. De discipelen werden ernaartoe getrokken in hun slaap.Ze moesten Clarisse het laatste stuk naar huis haast meeslepen. Door de brede straat langs de stadsmuur, waar de handelaren woonden in hun grote hoven met bloementuinen in het midden, vervolgens rechtsaf de Jakobstrap op: ruim driehonderd treden, langs kleine plateaus met de ommuurde kruidentuinen van de franciscanen, naar hun huis op de heuvelkam ten noorden van de stad. Ze gingen naar binnen en legden Clarisse op bed en dachten dat ze wel zou slapen tot de volgende ochtend, maar een paar uur later riep ze hen alle vijf bij zich. Via de buitentrap, door de kamer waar Ida meestal sliep met Jutta en Majke, verder naar de kamer van Clarisse. Ze zat rechtop in bed en zag er ouder uit dan gebruikelijk: dunne, spitse kaken, haar ingevallen mond en de rode neus, strenge duistere ogen. Daarin stond een ernst te lezen die werd benadrukt door de twee grote eikenhouten kisten aan het voeteneinde. Ze vroeg de anderen om erop te gaan zitten – Jutta en Majke bleven op een afstandje staan met hun armen over elkaar geslagen – en vertelde hun toen over haar ontmoeting met Christus die ochtend. Dat hij in verschillende gedaanten voor haar was verschenen en haar had laten drinken van de wond in zijn zij. Maar ze had niet alleen honing geproefd in zijn bloed. Opeens begon het te branden in haar keel en terwijl de warmte zich door haar lichaam had verspreid, kon ze zijn hand in haar nek niet meer voelen, of zijn wond tegen haar lippen, haar eigen handen die zijn heupen vasthielden. Hij was in plaats daarvan veranderd in een soort kennis in haar binnenste.
Clarisse zweeg even en keek hen een voor een aan, haar blik bleef even hangen bij Jacomyne, die zichzelf vasthield alsof ze het koud had. Majke en Jutta stonden nog steeds in de deuropening, sceptisch, dat was wel duidelijk, maar toch ook getroffen door Clarisses ernst die uit het bed opsteeg. Ze vervolgde: ‘Het ging over ons en degenen die leven zoals wij. Over alle begijnen in dit bisdom en ook op veel andere plekken… Tot nu toe hebben we geluk gehad. De mensen hebben onze vroomheid gezien – en we hebben Vader Jakob die voor ons pleit bij de Kerk… maar Jakob is een oude man… Wat ik probeer te zeggen is dat de tijden zullen veranderen. Zowel mensen van de kerk als leken zullen ons met grotere argwaan tegemoet treden. Dichters zullen ons bespotten, mensen zullen geruchten verspreiden en geestelijken zullen ons doorlichten. Er zullen vragen en vervolgingen komen. Er zullen brandstapels verschijnen en ons soort mensen zal erop gezet worden.’
Jacomyne hapte naar adem en wilde iets zeggen, maar Clarisse stak haar rechterhand op: ‘Dat zal allemaal pas over een paar jaar plaatsvinden. Maar we moeten onmiddellijk beginnen met onze voorbereidingen.’
‘Wat heeft dat voor zin?’ vroeg Jacomyne opgewonden. ‘Als je al weet wat er zal gebeuren, als je dat via het bloed van Christus hebt vernomen, hoe kunnen we het dan voorkomen?’
‘Dat kunnen we ook niet. Maar we kunnen ervoor zorgen dat wij niet het slachtoffer worden. We kunnen ervoor zorgen dat dit huis met rust gelaten wordt.’
Jacomyne knikte als een kind dat probeert te snappen wat er van haar wordt verwacht. Naast haar zat Halene met haar armen slap langs haar lichaam. Ook Majke en Jutta stonden op het punt Clarisses voorspellingen te accepteren, hun gezichten zagen er gelaten en zacht uit in het middaglicht. Dat scheen door de spleet in het dak naar binnen en verspreidde zich door de kamer, bleek en zonder onderscheid te maken, alsof de middag zich had losgerukt van de rest van de dag en zou blijven voortduren. Vanaf nu zouden ze in het licht leven, ze zouden alles zichtbaar maken voor degenen die het op een dag aan een onderzoek wilden onderwerpen – dát zei Clarisse en ze keek vervolgens naar Ida: ‘En jíj zult alles opschrijven.’
‘Wat zeg je?’ zei Ida verrast.
‘Iedere dag, of in elk geval een paar keer per week, zul je over ons leven in het huis schrijven.’
‘Waarom ik? Jij hebt me immers leren schrijven, jij beheerst de taal veel beter…’
‘Ik heb je geleerd wat ik kan. En bovendien weet ik niet zeker of ik…’ Clarisse keek omlaag, haar vuile huid glansde onder de lichte wenkbrauwen. ‘Je bent de puurste, de minst egoïstische van ons.’
‘Dat is niet zo,’ protesteerde Ida.
‘Hierover beslis jij niet zelf,’ antwoordde Clarisse resoluut. ‘Jij staat hier in huis iedereen het meeste na en daarom ben je ook de aangewezen persoon om over ons gemeenschappelijke leven te schrijven.’
Ida voelde een pijnlijke spanning door haar lijf stromen, het dubbele gevoel dat Clarisse haar zag, maar dat wat ze bij haar zag en waardeerde eigenlijk lafheid was, zwakte. Ze probeerde zonder onderscheid lief te hebben, dat was waar, maar vooral omdat het haar zoveel ellende had bezorgd toen ze maar één persoon liefhad.
‘Je hoeft niet bang te zijn,’ zei Clarisse en ze zocht haar blik. ‘Schrijf over mijn visioenen en onze dagelijkse bezigheden, schrijf over onze vroomheid. Schrijf hoe we voor God leven.’
We wonen op de brede heuvelkam die de Bartholomeusheuvel wordt genoemd – met uitzicht op de stad Luik, die in tweeën wordt gedeeld door de rivier de Maas en daarachter, naar het westen, ligt het akkerland dat zwak omhoog glooit naar het ommuurde vroonhof van leenman Poulin. Er staan stallen, een smidse en ovenhuis omheen en nog verder weg, achter de boomgaard rechts van de hoeve, wonen de boeren in hun kleine hutten met de strodaken en een beetje grond voor eigen gebruik. Die bewerken ze als ze niet op het land van Poulin hoeven te werken, of in zijn huis, of zijn overtollige wol en graan naar de pakhuizen bij de rivier moeten sjouwen.
We hebben zelf een moestuin en bewerken een klein stukje van de dichtstbijzijnde akker, Vader Jakob heeft Poulin ervan overtuigd om het ons te geven. Als tegenprestatie vasten we in de periode voor de oogst en lezen zielenmissen op de sterfdag van zijn moeder. En in de wei onder aan de heuvel grazen zijn schapen waarop we passen in ruil voor een vierde deel van de wol. Als de wind uit het noordwesten komt, kun je ze helemaal in ons huis ruiken, een zoete, lichtelijk penetrante geur van dierenmest en gistend stro…
Ida haalt haar neus op en leunt achterover tegen de muur, ze legt haar pen op tafel. Het is al avond, het is zo lastig: kiezen wat ze zal opschrijven en wat voor dingen ze moet uitleggen omdat die achterdocht zouden kunnen wekken, zonder dat het te veel ruimte inneemt op het kostbare perkament. Halene ligt al te slapen op de klepbank aan de andere kant van de tafel. Jacomyne zit bij de haard in het psalter te lezen, ze kijkt af en toe naar het huisaltaar, naar het icoon van Sint-Catharina met haar veren pen en haar gebroken wiel, haar martelaarsmoed. Het laatste beetje licht van de dag schijnt door het keukenraam naar binnen en glijdt luchtig over de geweven doeken aan de muur, boven de kooltjes die nog smeulen in een wierookvat. Maar buiten is de heuvelkam rood en dik als vloeibaar koper tussen het koren. Ida staart ernaar en wordt duizelig, ze knijpt haar ogen tot spleetjes en ziet hoe het vloeibare zich verspreidt. Ziet de akkers vlam vatten, het vuur laait op en komt naar het huis toe, ze moeten verder de heuvel op vluchten, door de stad naar de rivier. Daar staan ze met het water tot aan hun middel, met schapen, geiten en muildieren, en proberen zich aan elkaar vast te klampen, terwijl de vlammen naar hen uithalen. Een plotse saamhorigheid tussen hen en de getrouwde vrouwen en de nonnen die uit hun kloosters gevlucht zijn. Ze drommen dicht op elkaar om overeind te blijven in het stromende water en zich te beschermen tegen de mannen die hen van alle kanten omsingelen…
Het visioen breekt in stukken, Ida keert terug naar de huiskamer en zichzelf. Ze duwt haar handpalmen op het tafelblad, terwijl ze wacht tot het metaalachtige gezoem in haar oren is verdwenen. Boven zich kan ze vaag horen hoe Majke en Jutta liggen te kletsen, hun gebrom klinkt door het plafond heen. Het is alsof ze daarboven hun eigen wereld hebben, een kamer in een van de sferen van de engelen, opgevouwen tussen de verdiepingen in. Zelfs als je met elkaar in dezelfde kamer ligt, krijg je soms die indruk. Buiten zingt een roodborstje. Halene draait zich met een zucht om. Het ruikt naar as en zweet, en Ida voelt zich opeens verlaten, ze is ook boos op Clarisse, wat denkt zij eigenlijk wel? Hoe moet Ida alles kunnen vertellen zonder te veel te zeggen, hoe moet ze hun vroomheid bewijzen?
Ze kijkt weer uit het raam, naar de tuin en de akkers die niet meer in brand staan. Het graan strekt zich uit naar de zon, ook de kruiden wenden hun bladeren ernaar – en na een regenbui staan er soms paddenstoelen in de schapenwei… grote trechtervormige en bobbelige paddenstoelen die wegrotten, als de schapen ze niet eerst oppeuzelen… Net als de schapen doen ze in dit huis eigenlijk niets anders dan gehoorzamen, tijdens het vasten en feesten, in overvloed en schaarste – het enige wat ze moet doen is toch alles opschrijven? Een scherm om het licht zetten dat al brandt, hoe? Ze doopt haar pen in de inktpot, laat het meeste eraf druppelen en schrijft dan onder aan het perkament: Moge de Here van mij een deemoedige getuige maken en moge het allemaal gebeuren zoals Hij het wil.
2 april
De dag nadat God werd gepijnigd tot Hij niet langer een mens leek
Vandaag is Jezus bij de doden en wij hebben gewerkt. De hemel ging verborgen achter een dikke, ondoordringbare laag grijswit. Af en toe werd er licht doorheen gepompt, hard en paars, maar niet sterk genoeg om er helemaal door te dringen. En hier beneden bleef het de hele dag donker. Het is goed mogelijk dat Jezus
triomfantelijk en moeiteloos aan Zijn afdaling naar het dodenrijk begon, maar zodra het handjevol rechtschapenen tot leven werd gewekt, begon Hij weg te zakken, langzaam en traag. Zo moet het geweest zijn, denkt Ida. De zonden van de doden zijn als een donkere mist die steeds dichter wordt, een kleverige massa, en als Hij die werkelijk op Zich neemt alsof het Zijn eigen waren, moet Hij eerst worden zoals zij: slap en bewegingloos, een stroperig en vies niets. Je wast de melaatsen en daarna drink je het water. De wind verandert de hele dag van richting, veegt door het graan en rukt aan de beschermende haag die de moestuin van de akkers scheidt. Een kou in de lucht waarvan ze had gedacht dat ze die voor dit jaar achter zich hadden gelaten. Ze bracht de ochtend door met het malen van visgraten en het strooien van het stof op de bedden, ze spitte de bovenste grondlaag om zodat de voeding erin kon zakken en zijn werk kon doen. Halene had gevraagd of ze voorzichtig wilde zijn, zodat ze de kiemplanten van de tongvaren, die ze een paar weken eerder had gezaaid, niet zou loswoelen. Kevers en vliegjes klampten zich onder aan de stengels vast om zich te beschermen tegen de ergste windvlagen. Het visgraatstof gaf de beestjes een kalkachtige, haast zilverachtige glans, en even zag ze het dal waar de stad in ligt voor zich, stil en vol uitgedroogde botten. Door de heg ving ze een glimp op van Majke en Jacomyne die bezig waren hun kleine stukje braakliggende akker te eggen. Dit jaar is de aarde rijp genoeg om zomergerst in te zaaien, heeft Halene gezegd.Halene is hier gekomen van een vroonhof in de buurt van Bambois, vier dagreizen verderop, en ze was blij dat ze in een huishouden terecht was met grond gekomen. De eerste paar maanden in de stad had ze doorgebracht als wever in een van de grote weefkamers bij de rivier. Het zittende, monotone werk, het grove gezoem van de weefgetouwen die haast boven op elkaar stonden, het gebrek aan ruimte en de korte pauzes, ze kreeg er lichamelijke klachten van en die veranderden in een stijfheid en een wankelmoed waar ze voorheen nooit last van had. Halene had Ida vaak gezien in de Bartholomeuskerk, waar Halene helemaal achterin zat en ze vooral zat te slapen, en toen op een dag, op de markt, werd ze achtervolgd door een kaarsenverkoper die steeds kwader werd omdat ze hem de rug toekeerde. Terwijl hij haar toezong en een hand naar haar uitstak, haar schouder vastpakte of zijn hand door haar haar haalde, beende ze haastig over het plein met haar blik naar de grond gericht, tussen de kramen, karren, trekdieren en kopers laverend. Ida zag hoe ze in zichzelf gekeerd en wanhopig probeerde zich los te rukken en weg te glippen, even bang voor hem als om nog meer aandacht te trekken, en Jutta moest het ook gezien hebben, want op het moment dat Halene hen passeerde, greep Jutta haar arm en trok haar naar zich toe. Instinctief ging iedereen dichter om Halene heen staan, die verward in hun midden stond. De kaarsenverkoper viel stil en keek hen verbluft aan. Toen ging hij heel dicht bij Clarisse staan en begon tegen haar uit te varen; dat ze een lichtekooi beschermde tegen de blik van het publiek, om nog maar te zwijgen van die van God en dat ze eigenlijk een hoerenhuis bestierde daar op die heuvel. Clarisse aarzelde even, alsof ze Halene wilde opgeven zodat de kaarsenverkoper zijn arm langs haar kon uitsteken om Halene uit de groep te trekken, maar toen zei ze, luid en duidelijk zodat de omstanders het zouden horen: ‘Wie bent u dat u weet wat de Here wel en niet ziet? Deze vrouw is deugdzaam geweest, ze heeft haar vlees tot stilte gemaand – en dat geldt overigens voor iedere begijn in het Sint-Catharinehuis! Gaat u maar, want u bezoedelt iemand die God voor Zich heeft opgeëist.’
Toen keerde ze hem haar wang toe en verliet het plein in stilte, en de stilte hield aan tot ze thuis waren. Halene bedankte haar. Clarisse zoende haar wang en vroeg naar haar stand, welke vaardigheden ze had en of ze aan iemand beloofd was. Toen ze dat laatste ontkende, liet Clarisse haar de tuin zien en vroeg of ze geen zin had om zich daaraan te wijden.
Later diezelfde dag, toen Ida op haar slaapplaats naast Majke lag, en de nacht in het huis was neergedaald met zijn koele, grijsblauwe licht, hoorde ze Clarisse in haar kamer mopperen op Jutta: ‘Dat doe je niet nog een keer. Stel dat ze gehoereerd had of een belofte had gebroken!’
‘Ze had onze hulp nodig,’ zei Jutta.
‘Veel mensen hebben onze hulp nodig. Maar als we bekendstaan als een toevluchtsoord voor weggelopen vrouwen, kunnen we niemand meer helpen.’
‘Maar er komen er steeds meer, vooral van het platteland,’ zei Jutta gefrustreerd, ‘maakt het dan uit waarom ze zijn gekomen? Als ze graag voor God willen leven? Is het niet onze taak om het brood te breken zodat er voor iedereen genoeg is?’
Het werd stil en al kon Ida hen niet zien, ze kon Clarisses twijfel door de lege deuropening voelen, het besef dat Jutta gelijk had, Clarisse die worstelde met haar vermoeidheid en haar moederlijke gevoelens voor hen allemaal, haar verlangen om hun huis tegen elke mogelijke aanklacht te beschermen. Toen begon ze weer te praten, eerst zachtjes, aarzelend – zodat je niet kon horen wat ze zei, alleen dat ze begrip bij Jutta zocht, of misschien medelijden – en vervolgens steeds luider, terwijl een verwijtende toon in haar stem sloop. Ze sprak over alles wat was opgeofferd zodat ze voor God konden leven zonder zich te hoeven afzonderen van de wereld, zonder dat ze kloostergeloften hoefden af te leggen, al het lijden dat eraan vooraf was gegaan – uiteraard omwille van de Here, maar het was ook noodzakelijk geweest om geestelijken zoals Vader Jakob van hun vroomheid te overtuigen. Als de eerste nieuwe apostelen zoals Maria van Oignies er niet waren geweest – háár ootmoedigheid, háár dagenlange, intense pijnen vanwege het lijden van de Verlosser aan het kruis, háár vasten en háár ruggengraat die aan het einde door de huid van háár buik zichtbaar werd – dan was niemand in de Kerk akkoord gegaan met hun manier van leven. En vond Jutta niet dat ze het Maria eigenlijk niet verschuldigd waren, om nog maar te zwijgen van alle anderen die ook alles hadden opgeofferd, om dát te beschermen?
De laatste zinnen zei ze met een vermanende, vaderlijke stem die geen tegenspraak duldde, waarna Jutta stilviel en de kamer verliet. Ze liep regelrecht naar het matras naast Majke en ging liggen. Het stro kraakte droog en zomerachtig onder haar. Gespannen en warm lag ze daar te zieden van woede, de onmogelijke woede van een kind dat alleen in het lichaam kan draaien en keren en daarbinnen in een knoop of een likdoorn kan veranderen, tot Majke zich op haar zij draaide en dicht tegen haar aankroop. Ida voelde hoe de energie uit Jutta sijpelde en zag voor zich hoe Majke haar gezicht tegen haar schouder drukte, haar heup vastpakte, haar vlakke hand in de vouwen tussen haar ribben schoof, maakte niet uit wat, als ze er maar van kalmeerde.
Maar Ida begrijpt Clarisse ook wel, ze weet dat ze langs de rand van de afgrond balanceren: ze leven voor God maar zijn niet dood voor de wereld, ze zijn niet getrouwd en zitten niet in het klooster, ze bevinden zich op een onbestemde plek tussen heiligen en valse profeten. En ze staan constant op het punt om de ene of andere kant op te vallen. Clarisse was een van de eersten. Ze woonde als kind in Nijvel toen een jong meisje, Gertrud, inmiddels bijna vier decennia geleden op haar wasmand klom en over haar oudere zus begon te spreken. Het gebeurde op de weide buiten de stadsmuren waar de jonge meisjes met elkaar afspraken om hun kleren te wassen, en deze Gertrud stond zomaar op, stak de rivier over met haar wasmand in haar handen, keerde die om en begon vervolgens, terwijl ze erop stond, te preken. Over haar zus Maria die anderhalf jaar eerder getrouwd was, maar haar man had overgehaald om kuis te blijven en hun huis te verlaten om te leven als de apostelen. En dat hadden ze gedaan en nu woonde Maria bij een lazaret in Willambroux, aan de andere kant van het bos in het westen, waar ze elke dag de melaatsen verpleegde, las en bad, in armoede leefde om een fraaie bruid voor Christus te worden, zo had Gertrud haar gezien in een visioen. ‘En in dat visioen,’ zei Gertrud nu, dáár aan de andere kant van de rivier bij Nijvel, ‘was ook een stem, het was Gods stem, en die onthulde aan mij dat dezelfde weg voor ons openligt. Dat bij ons de liefde nog kinderlijk genoeg is om in liefde voor God te veranderen, dat ons lichaam nog puur genoeg is om voor Hem aan het werk te gaan, en ons vlees nog licht genoeg om te verworden tot een bruidsjurk. Dát heeft mijn oudere zus me duidelijk gemaakt toen ze ons verliet. Nu ben ik degene die jullie voorgaat.’
Gertrud liet haar handen van haar borst vallen en hield ze open voor haar dijen, zodat ze naar de rivier wezen. Ze liet ook haar blik zakken, ernstig en treurig, en even trilde haar mond, als een zenuwtrek die ze alleen door haar toespraak onder controle had kunnen houden.
‘Ik beloof jullie,’ zei ze toen en keek de anderen weer aan, ‘dat degene die dit water oversteekt, ongeacht of ze aan iemand beloofd is, ongeacht wat ze heeft gedaan of heeft gedacht over zichzelf of anderen, opnieuw geboren zal worden. En tezamen zullen we naar het lazaret in Willambroux gaan, waar mijn zus op ons wacht.’
De rivier kabbelde stil en onveranderlijk, een paar insecten hingen zoemend boven het gras. Clarisse werd zich ineens bewust van de jurk die ze nog in het water heen en weer trok. Gertrud hield haar handen er strak op gericht en bleef hen aanstaren, met een vastbesloten, glanzende blik die niets te verbergen had. Achter haar lagen de weilanden, die aan de horizon in bos veranderden, in de volle zon. Toen voelde Clarisse dat dit het moment was; dat het straks te laat zou zijn, Gertrud zou haar blik neerslaan en in elkaar zakken, en niemand zou naar haar toe gaan, ook al straalde haar pure liefde uit haar, het is ware liefde! dacht Clarisse, maar die liefde was krachteloos als niemand erin geloofde en ze wilde zo graag dat het effect had.
Ze legde haar wasgoed in het gras en liep de rivier in. De bodem was kleiachtig en kleverig, het water kwam tot haar borst. Een paar passen van de oever hoorde ze hoe de volgende het water achter haar betrad en toen een derde, en vervolgens gingen ze allemaal, acht meisjes staken de rivier over, twijfelend bij elke stap, tot ze de andere oever bereikten waar Gertrud nog op haar wasmand stond, met een grote glimlach onder de open hemel. ‘Kom,’ zei ze en maakte een hoofdgebaar over haar schouder. ‘Laten we naar mijn zus gaan.’
Deze nacht ijsbeert Clarisse door haar kamer. Ida hoort haar blote voeten op de ruwe vloer. Vier kleine passen, een korte pauze, een mompelend gebed: ‘Stilte op aarde, stilte in het graf: daal af en doorbreek die met uw licht.’ Dan draait ze om en gaat even op bed zitten en vervolgens opnieuw langs de muren lopen. Zo gaat het elk jaar op deze dag, paaszaterdag: Clarisse weigert te slapen, het is alsof ze Jezus wil volgen naar het dodenrijk om er zeker van te zijn dat Hij zal opstaan. Zo dapper, bijna koppig is ze in haar vroomheid, ja – maar hoe was het eigenlijk voor Hem daar beneden? De vernedering en de kruisiging, de zweep, de doorns en de nagels, het moet niet om uit te houden zijn geweest. Maar er was toch wel iemand die toekeek? Veronica die Hem haar sluier gaf om het gezicht mee af te vegen, en een ander die Hem een spons aanreikte om van te drinken. Maar in het dodenrijk, daar had iedereen hem verlaten, ook zijn vader. Daar moest Hij zich overgeven aan een meer onpersoonlijke en vormeloze pijniging waar zelfs met de vermoeidheid geen einde aan kwam. De schacht moet op een gegeven moment tijdens Zijn afdaling toegedekt zijn, zodat het laatste beetje licht verdween. En toen bleven alleen de duisternis en de doden over, met elkaar verweven, en Jezus zakte erdoorheen. Het kleverige en stroperige omringde Hem en begon ook bij Hem binnen te dringen. Een slapende arm glijdt loom langs Zijn nek naar beneden, een gistige adem slaat tegen Zijn gezicht. Maar Hij kan het niet van Zich afschudden, Hij kan Zijn mond niet sluiten en het ontwijken. Iemand wikkelt zijn benen om Zijn heupen en Hij moet zich eraan overgeven en Zijn schoot tegen de hunne stoten. Iemand vlijt zijn vettige wang tegen Zijn sleutelbeen en Hij kan die niet wegduwen. Iemand spuugt en Hij moet slikken.
- Details
- Auteur Jonas Eika
- Genre Fictie
- Aantal bladzijden 648
- NUR 302
- Uitvoering Paperback met flappen
- Verschijningsdatum 23 april 2026
- ISBN 9789083616254

