
Je zit op een stoel
€ 22,50
- Synopsis
Op een willekeurige dag staan in een ongedefinieerde ruimte een tafel, met daarop een kop koffie, en een stoel, en daarop zit jij, dat ben jij, je roert in je koffie, je doet een raam dicht, je doet een venster open. Er moet iets veranderen. Je weet niet wat, je weet niet hoe. Je verveelt je, je verlangt. Je zit vast, je wil bewegen. Langzaam komt het besef dat slechts één ding je lijkt te kunnen redden: de verbeelding.
Je zit op een stoel is een caleidoscopisch portret van iemand die, opgesloten in de monomane sleur van het dagelijkse leven, wanhopig probeert op te staan. Bob Vanden Broeck onderzoekt en ondergraaft alle zekerheden waarop de moderne tijd is gestoeld en houdt de lezer een ontroerende lachspiegel voor. Net als in zijn bejubelde dichtbundel de richting is richting omleiding toont hij zich een meester in het observeren van de tastbare en minder tastbare werkelijkheid, met duizelingwekkend proza tot gevolg.
- Recensies
‘VOOR WIE TAAL ALS EEN VLOEDGOLF WIL ERVAREN.’ De Morgen
‘Een weergaloos boeiend boek. Deze debuutroman heeft veel weg van een bezwerend prozagedicht waar je tijd voor moet nemen, en waaraan je je met hart en ziel moet overgeven. Maar de beloning is dan ook fenomenaal.’ Marnix Verplancke in Knack *****
‘Een zeldzaam wervelend en opwindend boek.’ Thomas de Veen in NRC ****
‘Met een onstuitbare verbeelding en een grote vitaliteit gaat de ik-figuur op zoek naar alles wat verborgen blijft onder de kronkels van onze overprikkelde en verzadigde hersenkwabben. Bob Vanden Broeck schrijft zo driftig en koortsachtig dat de taal haast van de pagina’s spuit. Zijn ritme overspoelt je als een vloedgolf – het is warm aanbevolen om dit in een gulzige slok naar binnen te gieten.’ Arno Van Vlierberghe, Paard van Troje
‘Een heerlijke trip!’ Benjamin Verdonck
‘Bob Vanden Broeck schreef een plotloze roman, die niettemin geweldig meeslepend is. Wie nog lectuur zoekt voor een staycation: zet je op je stoel met het contemplatieve en tintelend talige Je zit op een stoel.’ – De Standaard ****
‘Een hoogst originele, flitsende carrousel van gedachten en waarnemingen.’ HUMO
‘Bob Vanden Broeck heeft een fascinerende experimentele roman geschreven waarin hij met veel verbeeldingskracht zijn poëtische taal laat stromen en meanderen. Het boek eindigt in een orgasme van taal en beeld.’ Tzum
‘Wie zich mee laat voeren door Bob Vanden Broecks kolkende, meanderende stroom woorden, wordt beloond met mooie, vreemde en grappige observaties.’ Dieuwertje Mertens in Het Parool
‘In een tijdsklimaat waarin volop wordt ingezet op snelheid en overdaad, kan het bevrijdend werken een tekst te lezen die een pleidooi inhoudt voor de vertraging.’ Kunsttijdschrift Vlaanderen
- Fragment
Je zit op een stoel, nee, je zit op een stoel. En zittend op een stoel heb je het gevoel dat je zowel in als buiten je lichaam zit, dat je hier op een stoel zit aan een tafel en dat je tegelijk op een stoel in je hoofd zit, dat de muren van de omringende ruimte naadloos overlopen in de wanden van je schedel als twee kruisende lijnen op een lege pagina, nee, dat gevoel heb je en daarom is het nu onmogelijk om wat er is, de feiten, en wat je ervaart, de gevoelens, van elkaar te onderscheiden. Precies omdat je op een stoel aan deze tafel zit, zit je op een stoel in je hoofd en precies omdat je op een stoel in je hoofd zit, blijf je als versteend zitten op de stoel aan deze tafel, net omdat het mentale zitten en het fysieke zitten met elkaar zijn verstrengeld als een foetus met zijn moeder, waardoor deze ruimte zowel perfect binnen de duidelijke grenzen van je waarneming past als binnen de diffuse trillingen van je geestesoog, en hierdoor neem je deze ruimte waar als een vierkant met vlekvormige hoeken. En je had ook ergens anders kunnen zitten, op een andere stoel, maar dan had je op die andere stoel precies dezelfde handelingen verricht als op deze stoel, misschien heeft het dus helemaal niets met deze stoel te maken maar met de stoel in je hoofd, nee, misschien bevindt deze stoel zich zowel onder als in jou, zowel in als onder jou, al zou het evengoed kunnen dat het om twee verschillende stoelen gaat, zoals twee gelijkaardige maar afzonderlijke wielen van dezelfde fiets. En wat maakt het ook uit of je nu op deze stoel dan wel op een andere stoel zit, zou je je anders voelen mocht je niet op die stoel maar op deze stoel zitten? Je zit op een stoel en het is perfect mogelijk om deze stoel te verlaten, om deze kamer te verlaten, als je dit al een kamer kan noemen, maar zodra je deze gedachte toelaat, zodra je in je hoofd de deur dus, zoals nu, voor deze gedachte op een kier zet, heb je het gevoel dat je hoe dan ook moet blijven zitten op een stoel, dat je moet volharden, volhouden, doorzetten, omdat je nu eenmaal met een reden op deze stoel bent gaan zitten en dat het verlaten van je stoel ingaat tegen de oorspronkelijke beweegreden die ertoe geleid heeft dát je op deze stoel wilde gaan zitten, ook al weet je niet meer juist waarom je op een stoel bent gaan zitten, wat ook niet uitmaakt want je zit op een stoel. En dat je op deze stoel zit, zegt ook iets over waarom je daar zit, namelijk dat je hier zit, nee, het maakt niet, het maakt niet uit, het is wat het is, en toch, ook al maakt het niet uit, ook al is het wat het is, toch probeer je het, nee, net omdat het niets uitmaakt probeer je je spieren op te spannen, de rug te rechten, de hielen omhoog te duwen, de draaiing van de romp in te leiden, maar je verkrampt, je blokkeert, alsof iemand vloeibaar beton in je gewrichten giet. En je hebt het gevoel dat wat je probeert mislukt, dat de poging meteen in de kiem wordt gesmoord, waardoor het niet uitmaakt of je al dan niet een poging ondernam omdat de poging om in beweging te komen mislukt, dat niet jij beweegt maar dat de stoel zich verplaatst, dat de stoel niet alleen in je hoofd staat maar dat de stoel zich ook verplaatst van je hoofd naar je nek, van je nek naar je mond en via je mond naar de slokdarm en van de slokdarm naar de maag en via de maag naar de darmen en via de darmen naar de lever, milt, nieren en bekken, en via je bekken naar je geslacht, je dijen, je knieën, en via je knieën naar je kuiten, je enkels, en via je enkels naar je tenen om dan daar in het ruwe, afgepulkte eelt op je voetzolen te belanden, de stoel in al je tot stilstand gekomen cellen en jij, in al deze gestolde cellen, opgesloten, als een gevangene streepjes krassend in de binnenkant van de eigen huid. En je bent te versteend om je te verroeren en daarom tracht je lichaam de ligging van de ledematen vast te stellen, om van daaruit de ligging van de muren vast te stellen, om van daaruit deze ruimte te construeren, dit labyrint van beton, gedachten, voegen en gewrichten, maar je zit als versteend op een stoel en omdat je versteend op een stoel zit, kan je lichaam geen andere houding aannemen, en omdat je lichaam geen andere houding kan aannemen, ben je niet in de gelegenheid om vanuit die nieuwe houdingen de ruimtes te openen die je lichaam doorheen de jaren opsloeg in het geheugen van je ribben, je knieën en je schouders. En hierdoor zou het voor jou, mocht je in plaats van op deze stoel te zitten nu in het bed van je ouderlijk huis liggen, hierdoor zou het voor jou onmogelijk zijn om in het maanlicht de wegen te volgen waar je vroeger als kind speelde in de zon. En je weet niet hoelang je hier al zit, nee, dat weet je niet, je weet alleen dat je hier op een stoel zit, maar in de toestand waarin je op dit ogenblik verkeert, deze toestand, deze stilstand om precies te zijn, in deze volstrekt vage en duistere toestand dus heb je totaal geen benul van tijd, zoals men wel eens zegt dat een jaar soms in een vingerknip voorbij lijkt te vliegen en zoals een net ontwaakt persoon denkt dat hij wat heeft gesluimerd terwijl hij eigenlijk de hele dag heeft geslapen of, juist andersom, dat iemand denkt dat hij een dag heeft geslapen maar eigenlijk sliep hij slechts een kwartier, zo zit jij hier dus op een stoel, opgesloten in enkele minuten die wel eeuwig lijken te duren. Je zit op een stoel en je kijkt naar buiten, en in de reflectie van het raam zie je jezelf zitten op een stoel, en hierdoor is het niet helemaal duidelijk of je naar buiten kijkt dan wel naar binnen, nee, dat is je niet helemaal duidelijk, zoals het je ook niet geheel duidelijk is of je naar iemand anders kijkt die als twee druppels water op je lijkt dan wel dat je naar jezelf kijkt met een hoofd dat jou toebehoort maar met het gezicht van iemand anders, nee, het is hoe dan ook onmogelijk om de stoel te verlaten, of de mogelijkheid valt niet binnen de grenzen van je wil omdat je eigen handen net niet binnen handbereik liggen? Mag je de stoel niet verlaten of kan je de stoel niet verlaten? Je weet het niet en je zou dus ook op de stoel kunnen rechtstaan, nee, het schemerige gebied betreden van zowel op je stoel aanwezig zijn maar niet langer op je stoel zitten, nee, op je stoel staan is een interessante optie, een daad van verzet binnen de grenzen van het toelaatbare, nee, rechtstaan op een stoel, rechtstaan en jezelf aan een rafelend touw ophangen, de zwaartekracht tarten, vallen en hangen, hangen en vallen, niet langer kunnen rechtstaan, nee, nee, nee, niet langer wachten, de daad bij het woord voegen, zoals mensen wel eens zeggen, bungelen boven een omgetrapte stoel, nee, liever, liever zitten dan, vastzitten, maar leef je dan nog wel? Je opent en sluit een venster, je zit aan een tafel en terwijl je daar zit aan een tafel probeer je je vuist in je mond te proppen en op die tafel staat een mok gevuld met dampende koffie, en er is een raam, en er is een deur, en er zijn muren, en in een van die muren zit een scheur, en er is een vensterbank en op die vensterbank staan een aloë vera, een cactus en een aronskelk, en daar is de zon en daar is de maan, en toen je hier voor het eerst ging zitten was deze stoel de plek van je dromen, van je toekomst, en in je toekomst was je nog heel jong maar op deze stoel ben je plots heel oud geworden. Dus zeg je tegen jezelf ‘deze situatie is onhoudbaar, je moet in beweging komen, je moet de stoel verlaten’, en terwijl je dat zegt, kijk je naar de ruimte met haar onwaarschijnlijke muren en terwijl je kijkt naar die muren besef je hoe onwezenlijk en onwaarschijnlijk je jezelf hebt neergezet op deze stoel tussen deze muren, nee, terwijl je hier met je wil op die stoel zit tussen deze muren zonder einde, dat plafond zonder einde en die vloer zonder einde, terwijl je daar zit op deze stoel verplaats je je hand met gestrekte wijsvinger naar je scherm, zo’n wijsvinger waarmee mensen de richting aanwijzen als iemand hun de weg vraagt naar de dichtstbijzijnde bakker of supermarkt. En zodra de top van je wijsvinger het scherm aanraakt verplaats je je wijsvinger naar de andere kant van het scherm, eerst naar links en dan naar rechts en dan naar rechts en dan naar links, steeds weer herhalend, van rechts naar links en van links naar rechts, je wijsvinger verplaatsend over het scherm, om dan de hand te bevelen halt te houden in het midden van het scherm terwijl je kijkt naar de ruimte met haar eindeloze muren, met haar eindeloze plafond en met haar eindeloze vloer, nee, ‘je moet in beweging komen’, herhaal je met de top van je wijsvinger op je scherm, met daarin de eindeloos bewegende beelden. Je zit op een stoel, je zit op een stoel en zittend op je stoel ben je bang, bang, je bent bang dat je al zittend op je stoel jezelf zal opeten, inslikken, verteren, bang dat je nooit jezelf zal worden, dat je nooit jezelf zal verwezenlijken, nooit zal opstaan voor jezelf en dus ook al helemaal niet voor anderen en je bent bang dat je gebit zich in je mond zal omdraaien en zich vervolgens zal verplaatsen, van je mond via je slokdarm naar je maag, van je maag naar je lever, van je lever naar je longen, van je longen naar je ruggengraat, bang dat je ingewanden je lichaam traag zullen inslikken, dat je lichaam traag via je slokdarm in een moeras van maagzuur zal wegzakken, oplossen, verdwijnen, bang, zo ontzettend bang dat niemand zal weten wie je was, waarvan je droomde, bang bang dat men je zal herinneren als een straatsteen, als een leeg blikje frisdrank, als een dode berkentak, als een verkeerd geadresseerde liefdesbrief, als een afgeknabbelde boterhamkorst op een overwoekerde grafzerk, en daarom is er nu de angst om op te lossen of om in duizend fragmenten uiteen te vallen, bang dat je beide ogen in twee waterputten zullen veranderen en dat iemand met geen hand een steen uit je jeugd in een van die putten zal gooien en dat ze na jaren en jaren nog steeds geen plons zullen horen, dat uiteindelijk tien naakte tenen zullen overblijven, losjes naast elkaar op de grond geschikt onder je stoel als de restanten van een onbegrijpelijk ritueel, je bent bang, bang ben je, bang om te verdwijnen, bang bang bang, besta je wel? Je kijkt door het venster naar buiten en buiten staat een boom, een kale boom en die boom heeft een stam en die stam heeft takken en deze kale takken hebben twijgen en in de verte tussen het glas en het gewapend beton piekt de punt van een kerktoren, en je zit op een stoel en er zijn wolken en de wolken bevinden zich boven je en de wolken zijn wit en sommige wolken zijn groot en andere wolken zijn klein, en je legt je hand op je dij, en je legt je hand op het tafelblad, en je telt de moedervlekjes op de rug van je hand en verplaatst vervolgens je hand naar de muismat, en je legt je hand op de muis, en nu ligt de muis van de hand op de muis! Je beweegt je wijsvinger op en neer, je legt je hand naast de muis, de hand ligt naast de muis, de muis ligt naast de hand, de muis ligt op de muismat, de hand ligt dus ook naast de muismat, posities, verhoudingen, geometrie. Je opent een tabblad en je sluit een pagina en dan leg je je handen opengevouwen op het tafelblad, anachronistisch, handen, onbeweeglijke handen opengevouwen als twee oude kolenschoppen, twee blokken marmer waaruit een psychotische beeldhouwer met bloedende beitels twee rudimentaire handen heeft gehouwen, en de structuur van je huid in je handpalm legt geïdealiseerde beelden in je bloot, beelden die misschien niet waar zijn maar die daarom niet minder pijn doen. En je kijkt naar je handen en naar je handen kijkend zie je ook herinneringen, clichés, door het heden ontworpen, leugenachtige levenslijnen die in je handpalm paden en wegen banen, wegen en paden, banen en paden, nee, een labyrint van met huid behangen gangen waarin, ooit, lang geleden, of misschien niet eens zo lang geleden, of misschien ontzettend lang geleden, verlangens, dromen en ontmoetingen muren in bewegingen brachten en eindeloze dwalingen genereerden, nachtelijke strooptochten door plakkerige kroegen en verborgen feestzalen, eindeloze gesprekken, gestolde beelden van doelloze wandelingen door koele parken, langs fresco’s onder de pleisterlagen van nieuwe ordes, oude reclameplaten in failliete etalages. En je balt je hand tot een vuist en je probeert die gebalde vuist in je mond te proppen en terwijl je je gebalde vuist in je mond probeert te proppen lik je met je tong tussen je knokkels en terwijl je met je tong tussen je knokkels likt, denk je aan een kat die in een verhitte kookpot aan het deksel op je ziel krabt, en met je knokkels tussen je voortanden zit je op een stoel en je blijft hier zitten, je blijft hier zitten met je verkrampte anus zoals sommige mensen in hun huizen blijven wonen, ook al bevindt hun huis zich regelrecht in de baan van een tsunami, orkaan of modderstroom, zo blijf jij zitten op een stoel, even koppig als angstig, even passief als radeloos terwijl je je gebalde vuist in je mond probeert te proppen. En toch is dit, deze stoel dus, wat je nu verkiest, al twijfel je soms of je hier je droom achterna probeert te lopen of dat je nu juist een beeld dat je al droomde probeert te vervolmaken terwijl je eigenlijk, net omdat je het beeld al in je droom beleefde, die droom hier en nu, in dit leven, al lang achter je hebt gelaten, dat zijn vragen waarover je je hoofd kan breken, hier, op die stoel, roerend in je koffie. En dus vergelijk je jezelf met een dier, met nachtdieren, ook al wil je niet aan nachtdieren denken, toch denk je aan een stinkdier of een stekelvarken, dieren die zich in de zoo amper tot nooit laten bezichtigen, dieren in duistere, troebele kooien waar bezoekers neutraal en haastig aan voorbijlopen, en je wil niet aan nachtdieren denken want je denkt veel liever aan dagdieren, je denkt meer bepaald aan een gekko, een kaketoe of een Mexicaanse korsthagedis, soorten die zelden tot nooit in het licht verschijnen, nee, aan dagdieren denk je terwijl je helemaal niet aan dieren wil denken, noch aan nachtdieren noch aan dagdieren, noch aan stekelvarkens noch aan kaketoes. En je kan zowel een dagdier als een nachtdier zijn, nee, dat kan, want er zijn altijd verschillende mogelijkheden, altijd zijn er verschillende perspectieven, nee, er zijn altijd verschillende mogelijkheden, er zijn altijd verschillende mogelijkheden en dus zijn er ook verschillende manieren waarop je deze gepersonaliseerde mok van je tafelblad kan nemen. Je kan met je linkerhand de mok van het tafelblad nemen en je kan ook met je rechterhand de mok van het tafelblad nemen en zo kan je, onafhankelijk van de hand waarmee je de mok neemt, er ook voor opteren om de mok, als de pols van een geliefde, teder te omarmen alvorens je de mok van het tafelblad opneemt, maar je kan er ook voor kiezen om de mok met behulp van je wijsvinger op te tillen zoals de hijskraan nu een blok beton opheft om het vervolgens over de rode daken van de huizen te tillen, al zou je er ook voor kunnen kiezen om de mok op te nemen zoals een verzamelaar de vleugel van een tropische vlinder of een zeldzame postzegel tussen een pincet klemt, maar ook de pink, nee, ook de pink, ook de pink is uiterst geschikt om de mok van het tafelblad te lichten, de duim daarentegen is veel minder geschikt en misschien net daarom des te verleidelijker, al is het ook zo, omdat er verschillende mogelijkheden zijn, dat je niet noodzakelijk de mok met je handen moet nemen, nee, eigenlijk wil je de mok helemaal niet met je handen nemen, nee, waarom niet op je handen gaan staan en met je tenen de mok van het tafelblad proberen tillen? Die opties overloop je en terwijl je deze opties overloopt, kijk je naar de scheur in de muur, achter de verf, tussen de voegen en terwijl je kijkt naar die scheur, achter de verf, tussen de voegen in de muur, zit je op een stoel en terwijl je zittend op een stoel kijkt naar die scheur tussen de voegen, in de muur, achter de verf probeer je je gebalde vuist in je mond te proppen, en ook al zit je neer, toch heb je het gevoel dat je buiten adem bent en als je buiten adem bent, helpt het niet dat je je gebalde vuist in je naar adem happende mond probeert te proppen, en omdat je geen adem krijgt, hoewel je niet eens in beweging bent gekomen, zou je je stem willen verheffen, maar omdat je je vuist in je mond probeert te proppen kan je stem onmogelijk uit je luchtpijp de ruimte inklimmen, en hierdoor heb je het gevoel ontegensprekelijk vast te zitten als een zwoerdje vet van een kotelet geklemd tussen twee kiezen, en terwijl je tussen je twee kiezen spartelt wil je niets liever dan in beweging komen, deelnemen, verantwoordelijkheid dragen, je stem verheffen maar je zit op een stoel, sabbelend op je stem als op een met de punt van je tong losgepeuterde melktand.
- Details
- Genre Fictie
- Aantal bladzijden 120
- NUR 301
- Uitvoering Paperback met flappen
- Verschijningsdatum 9 april 2026
- ISBN 9789083616261
