De opening

De opening

 24,50

Dit boek is nog niet verschenen, u kunt wel alvast een exemplaar reserveren.
  • Synopsis

    Tijdens de stille dagen van de pandemie bezoekt Sara Baume een expositie in een gerenoveerde schuur in West Cork. Een van de schilderijen raakt haar zo dat ze besluit contact te zoeken met de kunstenaar. Mollie Douthit blijkt een balling uit North-Dakota die in haar eentje woont en werkt in een blokhut aan de ruige kust van Ierland. Mollie en Sara voelen meteen een diepe verwantschap: ze delen een liefde voor de natuur en een bijna religieuze toewijding aan hun kunst. Al snel ontmoeten ze elkaar elke maand om samen te zwemmen in de ijskoude Atlantische Oceaan. Maar als Mollies leven in moeilijk vaarwater komt, tekenen zich ook de verschillen af.

    In haar kenmerkende kraakheldere stijl zoomt Baume scherp in op complexe onderwerpen als gemeenschap en nationaliteit, neurose en mystiek, liefde en pijn. Bovenal is De opening een sprankelend onderzoek naar de helende kracht van kunst en literatuur, en een ode aan de vriendschap wanneer het noodlot onverbiddelijk de werkelijkheid binnendringt.

  • Recensies

    ‘Sara Baume vangt de schoonheid van herhaling en verval in originele observaties en rijke taal.’ de Volkskrant

    Over eerder werk:

    ‘Baumes werk laat zien wat ervoor nodig is om gelukkig te zijn en dat dat heel weinig hoeft te zijn.’ NRC

    ‘Ik vond het geweldig. De vogels, de ruimte, het zorgvuldig nadenken over tijd en verlies… ze is een fantastische schrijver.’ Max Porter

    ‘Baume schrijft bijna foutloos: instinctief evenwichtig, nauwkeurig en vaak verrassend.’ Financial Times

    ‘Weer een betoverend, melodieus werk van een schrijver die opereert in een landschap dat ze helemaal zelf heeft gecreëerd.’ Sunday Independent

  • Fragment

    De feestelijke afsluiting

    Ik leerde Mollies schilderijen eerder kennen dan haarzelf.

    Mijn vriendin Susan Montgomery had een groepstentoonstelling georganiseerd in haar ecowoning in aanbouw en het ruime tuinhuis waar ze tijdelijk bivakkeerde met haar jonge gezin. Sue woonde op herbestemde landbouwgrond aan de rand van een dorp met een karakteristieke barokke wegwijzer die bezoekers met lange gietijzeren armen naar plekken in de buurt wees die interessanter waren dan het dorpje zelf. Er stond ook een kerk met een hoge muur eromheen die volledig was opgebouwd uit verticaal gestapelde leistenen, en elke keer als ik langs deze muur kom moet ik denken aan de man – want het was vast en zeker een man – die ervoor koos om die stenen rechtop naast elkaar te zetten als dominostenen in plaats van ze horizontaal te leggen, met de platte kant naar boven, waarom hij in vredesnaam voor deze moeizame, visueel complexe methode was gegaan. Toen ik eind van de middag in Rathbarry aankwam voor de feestelijke afsluiting stonden er tot mijn verbazing auto’s kriskras door het hele dorp geparkeerd en druppelden er allemaal mensen in hun beste kleren uit de kerk, waar ze in groepjes bleven staan praten en op de foto gingen. Er stonden meisjes bij in witte jurken met handschoenen en jongetjes in pak met vlinderstrik, en ik was even van mijn stuk gebracht door deze overdaad aan synthetische stoffen, satijn, tule, lakleer en krulletjes. Het was het tweede jaar van de pandemie, dus ik was niet meer gewend aan grote menigtes, ik was er zelfs een beetje huiverig voor. Doordat ik zo lang afgezonderd was geweest van de samenleving, en nog langer van de rituelen van de katholieke kerk, vond ik het hele tafereel bizar en verontrustend. Het voelde alsof ik per ongeluk in een massale bruiloft van sektekindjes terecht was gekomen. Ik reed wel vier keer langs de kerk, waarbij ik soms moest uitwijken voor de plukjes gezinnen. Uiteindelijk viel mijn oog op een gat in de meidoornhaag. Het was op geen enkele manier duidelijk dat het een ingang was, er was geen hek, brievenbus of veerooster, Sue had ter gelegenheid van het feestje alleen een roze ballon aan een tak geknoopt, die door de wind de lucht in was geblazen en nu plechtig stuiterde aan zijn lint.

    Sue’s oprit was smal en liep af. Tussen het huis en de schuur stond een kleinere menigte dan langs de weg. Mensen die ik kende maar in geen jaren had gezien en mensen die ik nooit eerder had ontmoet maar die me bekend voorkwamen, scharrelden om elkaar heen of zaten op omgevallen boomstammen met glazen op lange stelen in de hand te lachen en te praten, netjes om de beurt. Hier waren ook kinderen bij, maar deze droegen gewoon gekreukte, modderige kinderkleren. Ze gilden naar elkaar en speelden met een collie in het hoge gras, en tot mijn schaamte was ik al hun namen vergeten. Van Sue’s hond, een dikkerd met een vacht vol klitten, wist ik de naam nog wel: Luna. Er hingen flinterdunne slingers en gekopieerde plattegrondjes, en via stapstenen in het gras kwam je bij een schuur met een tinnen dak die was leeggehaald en spierwit was geverfd zodat het net een echte expositieruimte leek. Er zat een gammele deur in die eruitzag alsof hij ooit bij een kledingkast had gehoord, of misschien een badkamer en-suite. De schuur leek grotendeels uit materialen te bestaan die uit een container waren gevist, waardoor het een lappendeken van afgebroken bouwwerken vormde. Het geheel was een centimeter of dertig boven het maaiveld getild alsof er rekening werd gehouden met overstromingen. De voorkant bestond uit glazen ruiten en plexiglas platen, de ene doorzichtiger dan de andere. Sommige waren geribbeld, andere waren door ouderdom vergeeld. Het licht dat ze doorlieten was dof en ongelijk verdeeld. Het dak was gemaakt van isolatieplaten die omhoog werden gehouden door houten steunpalen, en de vloer bestond uit kaal multiplex vol voetafdrukken. Ook de muren waren van multiplex, maar dan iets gladder dan de vloer, al konden ze wat mij betrof wel een extra laagje verf gebruiken. Het was niet duidelijk of de provisorische toonzaal zo grof was afgewerkt uit slordigheid of juist expres, bij wijze van diepzinnig contrast met de schilderijen die aan de muren hingen, met de zorg waarmee de schilders vermoedelijk hun streken en kleurschakeringen hadden aangebracht. Persoonlijk was ik die middag niet van plan om diep over de schilderijen na te denken. Ik had de rit van drie kwartier puur en alleen gemaakt omdat ik vond dat ik het aan mijn vriendin verplicht was. De tentoonstelling was al drie weken open, maar ik was er nog niet geweest, noch naar de activiteiten eromheen – een lezing en een locatievoorstelling – terwijl ik dat wel beloofd had. Ik schuifelde wat door de ruimte met een neutrale blik, alsof ik de kunstwerken op me in liet werken, terwijl ik in mijn hoofd eigenlijk een boodschappenlijstje aan het maken was voor op de terugweg: een citroen, een doosje paracetamol, een pak melk.

    De meeste schilderijen in Sue’s groepstentoonstelling waren niet overdreven zorgvuldig gemaakt. Er sprak haast uit, een gebrek aan verfijning, een overheersend gevoel dat de kunstenaar te hard zijn best deed om te schilderen zoals iemand anders die ze goed vonden, alsof ze daar automatisch interessant van werden.

    De afgelopen jaren ben ik erachter gekomen dat ik hedendaagse kunst meestal pas écht kan waarderen als ik iets van een band met de maker heb opgebouwd. De schilderijen van Sue zijn bijvoorbeeld spontaan, kleurrijk en rommelig, met veel kolkende streken en fleurige vlekken, niet het soort kunst waar ik in het voorbijgaan bij stil zou staan, maar toch ben ik dol op het werk van Sue omdat ik weet hoe spontaan en kleurrijk ze haar leven inricht, wat een rommel er de hele dag door om haar ezel heen slingert. Een paar jaar geleden ging ik in haar vorige huis bij haar langs en zaten we de hele ochtend in het aangrenzende atelier te praten over een nieuwe serie voor een solotentoonstelling waarvoor ik een catalogustekst zou schrijven. Na een paar uur wipte ik even naar binnen bij haar bungalow om naar de wc te gaan. Het was een uitbundige puinhoop. Op de gang lagen allemaal hoopjes uitgetrokken kinderkleren, de badkuip zat vol met zeewier, aan de houder waar het wc-papier hoorde te zitten hing een kaal rolletje karton. Ergens in de buurt hoorde ik puppy’s janken en rolschaatsen zoeven, en nooit meer ben ik zo geraakt door zo’n kort, alledaags moment. In de zonovergoten bungalow kreeg ik eindelijk het inkijkje in Sue’s belevingswereld dat ik die hele ochtend in het atelier had gemist.

    Ik schuifelde minutenlang langs die groepstentoonstelling tot ik bij een schilderij kwam dat me meteen boeide. Het was olieverf op hout, zonder lijst, ontzettend klein, en juist dat kleine formaat trok me. Het beeld bestond uit een slaapkamer. Er hing een plafondlamp die de compositie in tweeën splitste, dwars door een laag, crèmekleurig nachtkastje dat tussen twee eenpersoonsbedden in stond. In de tegenoverliggende muur zaten twee ramen en rechts van de bedden nog een enkel hoog raam met ernaast op een statief een telescoop die ergens op was gericht dat buiten het bereik van het schilderij lag. Aan de linkerkant was er een onderdeel vrijwel helemaal afgesneden, de rand van een open haard of een deurpost. De vloerbedekking was bruin en er hing uitbundig behang met een patroon van gele, groene en rode bloemen, of misschien insecten, met zwierige steeltjes, of misschien staartjes, en ik kon het perspectief maar niet plaatsen, het leek wel of ik de kamer van meerdere kanten tegelijk zag. Het had zowel iets opgeruimds als iets verwarrends, iets uitnodigends én beklemmends. Ik zocht op mijn geprinte plattegrondje naar de naam van de kunstenaar. Daarna zag ik dat er nog iets van dezelfde maker hing, waar ik meteen op afliep. Het tweede schilderij was al net zo klein en betrof een badkamer. De kleur was overheersend groenblauw. Er stond een badkuip in met dampend schuimwater, alsof een ontbrekend iemand het bad had laten overlopen en toen was weggegaan. Aan de muur hing een douchekop, er stonden wat flesjes op de grond, een glazen wand, een wc en een stukje houten betimmering, en opnieuw raakte ik in de war door het perspectief, opnieuw vond ik dat de sfeer die het schilderij uitstraalde ergens tussen vrolijk en luguber zat, en ineens moest ik denken aan mijn dromen, waarin ook zelden iets vaststaat. Een wandelpad kan zomaar verspringen, attributen verschijnen of verdwijnen in een oogwenk, mensen wisselen van gezicht. In mijn dromen ben ik er altijd, maar kan ik mezelf nooit zien.

    Op geen van beide schilderijtjes stonden mensen, en er was ook geen spoor van de schilder te bekennen op het feest. Nadat ik braaf alle kunst had bekeken, ging ik op zoek naar Sue en verzocht haar dringend om meer tekst en uitleg. Mollie kwam uit Amerika, vertelde Sue, ze wist niet precies uit welke staat, maar ze woonde nu in de buurt van Ballydehob en was ook niet naar het openingsfeest gekomen, waar Sue overigens niet verbolgen over leek. Mollie had blijkbaar geen auto, en er reed geen bus tot helemaal in het dorp. Qua openbaar vervoer is de regio waarin we wonen slecht voorzien, tussen grotere plaatsen rijden bussen en op bepaalde dagen komen er kleinere busjes langs kleinere dorpen, maar voor zover ik weet zijn die alleen bedoeld voor oudere en invalide inwoners, dus het zou tamelijk gênant zijn om daar als buitenstaander in te stappen als je onder de pensioengerechtigde leeftijd en fysiek volledig in orde bent. Ik noem onze streek altijd spottend de Ierse Rivièra. Hoewel we langs de zuidkust zitten, waardoor er in de zomermaanden veel toeristen komen en we kampen met plattelandsveryupping, hebben we ook te maken met permanente lagedrukgebieden die boven de Noord-Atlantische stroom mist, regen, wind en vederlichte trekvogels verzamelen, om die vervolgens boven land neer te plempen, wat een rotsig, kaal landschap heeft opgeleverd vol groeven van het vliedende water. Net als Sue en ik zijn alle mensen die ik kende op het slotfeest, alle mensen die ik in de omgeving ken, aangewaaide kunstenaars die op de Ierse Rivièra af zijn gekomen vanwege de sombere schoonheid van de streek en omdat we geen zin hebben in een jachtig bestaan. Wij zijn het soort mensen dat liever veel tijd heeft dan veel geld, en daardoor heeft bijna niemand van ons een koophuis. In plaats daarvan huren we huizen die te afgelegen liggen voor de koopmarkt en te vervallen zijn voor de vakantiemarkt, of we bouwen zelf iets, met veel pijn en moeite, wat jaren duurt zodat we eindeloos op een bouwplaats kamperen en tentoonstellingen organiseren in de lege geraamtes van onze toekomstige ecowoningen, zoals Sue. Op een van de boomstammen op het slotfeest zaten Julia, die als een bezetene foto’s maakt van alle dierenbeelden die ze op hekpalen tegenkomt – stenen eekhoorns, adelaars, puppy’s, uilen – en Tomasz, die een boerderij huurt met een kapotte camper op de oprit en twee grasparkieten die los door het huis hippen en alles onderschijten, en Sue, laten we Sue niet vergeten, die zeewierbaden neemt en ondoorgrondelijke schilderijen maakt over de ondraaglijke intensiteit van het alledaagse, het getob en genot van het gezinsleven.

    Dus daar zaten we met zijn allen, zonder Mollie, op een bouwterrein tussen de weilanden en de kunst, met de hond, vruchtenbowl en wapperende vlaggetjes, terwijl in het dorp, achter de visueel complexe muur, kleine kinderen Jezus te eten kregen en met elkaar trouwden. Het was een erg zonnige middag. In mijn herinnering was het zomer, maar dat klopt eigenlijk niet. Toen ik het in mijn agenda opzocht, zag ik tot mijn verbazing dat het feest in de tweede week van oktober had plaatsgevonden. Ik meende me te herinneren dat Sue een zwierige rok droeg en een zonnebril ophad, dat de bladeren groen waren en de gaspeldoorn bloeide, dat er bramen waren. Het was een ontregelde middag die een seizoen terug was gezakt. Het was bijzonder lekker weer, de laatste mooie dag van het jaar, en misschien staat hij me daarom zo helder voor de geest, met de mensen, het gras en de roze ballon in de meidoorn die leegliep als een ondergaande zon, omdat we zonder het te weten een lange, stormachtige, donkere winter tegemoet gingen, met de zoveelste opleving van aerogene infectieziekten en de bijbehorende sociale beperkingen, en daarna, in het nieuwe jaar, een oorlog.

  • Details