Moeder atoomhart

 23,50

Dit boek is nog niet verschenen, u kunt wel alvast een exemplaar reserveren.
  • Synopsis

    Kort voor de geboorte van Agustín Fernández Mallo in 1967 begon zijn vader, een dierenarts uit een klein stadje in León en een fervent aanhanger van wetenschap en vooruitgang, aan een reis door de Verenigde Staten met als doel twintig koeien per vliegtuig naar Galicië te brengen. Bijna een halve eeuw later onderneemt de schrijver op zijn beurt een reis door Amerika, in een poging de voetstappen van zijn vader te volgen voordat die zijn geheugen verliest.

    Moeder atoomhart beschrijft bijna een eeuw Spaanse geschiedenis aan de hand van legendes en familieverhalen van gewone mensen die de Burgeroorlog, de naoorlogse periode, de terugkeer van de democratie en de eeuwwisseling meemaakten. Het is het meest persoonlijke en tegelijkertijd meest universele boek van Agustín Fernández Mallo; een verhaal dat de menselijke conditie in al haar facetten behandelt en dat voorstelt de dood niet te zien als het einde van een reis, maar als een begin, als de laatste levensles van een geliefde.

  • Recensies

    ‘De schrijver heeft een werk geschreven dat ons ontroert met kalmte, precisie, nieuwsgierigheid en een diepgaand inzicht in het leven en de dood van zijn vader. Een prachtig boek.’ El País

    Moeder atoomhart is een roman in de vorm van een memoire waarin de auteur zich zijn overleden vader herinnert, met wie hij een band onderhield die even diepgaand als afstandelijk was.’ El Cultural 

    ‘Een indringende, prachtige, analytische autobiografische roman.’ Forbes

    ‘Met zijn unieke stijl transformeert Fernández Mallo deze reflectie op verlies in een literair werk dat genres overstijgt.’ Artículo 14

  • Fragment

    Er doemt een beeld voor me op: mijn vader leeft nog en zegt tegen me: ‘Pluk die bosbessen daar maar eet er niet te veel van, het zijn vruchtjes die veel benzoëzuur bevatten, ze kunnen zelfs katten als jij vergiftigen’.

    Vandaag, 25 februari 2024, is het twaalf jaar geleden dat mijn vader op zevenentachtigste leeftijd overleed. 

    Een zekere verontrusting maakt zich van me meester dat ik deze notities zo ben begonnen, ‘Vandaag, 25 februari 2024, is het twaalf jaar geleden dat…’, woorden met de toon van een logboek, van mensen die wateren verkennen die, hoe druk ze ook bevaren worden, hen altijd vreemd zullen blijven, reizigers die een zee op gaan die eindigt in een waterval: het leven. Alsof ik filosofeer over een wereld die plat is. Ergens houdt die op, je valt ervan af.

    Ik had ook op deze manier kunnen beginnen: ‘De jaren zijn gestorven maar de tijd is ongemoeid gebleven,’ en dan zou ik niet liegen want als iemand sterft veinst de tijd gewoon zijn loop te vervolgen. 

    Of met deze woorden: ‘Het duurt een tijd voordat je beseft dat mensen sterven om onmisbaar te worden’, en ook deze zin zou niet onwaar zijn. Na twaalf jaar schrijven aan deze pagina’s kom je tot een even onverwacht als fantastisch inzicht: de dood is een soort wederopstanding, is niet een einde maar een startpunt. De dode zal opnieuw verschijnen, zal vaak en in velerlei verschillende vormen opduiken in je leven.

    Hoe dan ook, als je schrijft over het bestaan van iemand die je zo na stond vraag je je af of je kijkt naar de geschiedenis van een ander of dat je – onlosmakelijk – deel uitmaakt van die unieke en onoverdraagbare geschiedenis. Er is een algemene regel, een soort ongeschreven wet, die zegt dat je niet moet pogen terug te keren naar wat ooit het paradijs van die persoon was. Dat kan alleen maar uitlopen op teleurstelling. Paradijzen doen zich zonder verwachting en zonder reden voor, je kunt je er van tevoren geen voorstelling van maken, ze zijn er gewoon, meer niet. Er bestaat geen wetenschap over het Paradijs, net zomin als over het Onheil. Paradijs en Onheil zijn een en hetzelfde. De enige wetenschap die bestaat, de enige die de moeite loont om erover na te denken, is die van de verschillende decors en theaters waar we doorheen trekken. Elk mens begint en eindigt zijn dagen in een bepaalde setting; we komen ter wereld omgeven door het rauwe vlees van de geboorte, we sterven in een entourage van aarde met bloemen en een versierde zerk. 

    Ik ben naar La Coruña gekomen voor een bezoek aan mijn moeder. Ik zit in vaders werkkamer, met om mij heen zijn boeken en papieren. We hebben al een heleboel weggedaan maar er moet nog veel worden uitgezocht, iets wat mijn zussen en ik steeds maar uitstellen; we weten dat onze moeder het nooit zal doen. Je blik laten gaan over de spullen van een overledene, spullen uit zijn dagelijkse bestaan en zonder de speciale waarde die hij er bij leven aan hechtte, geeft je het gevoel te kijken naar een verzameling voorwerpen die bij een archeologische opgraving gevonden zijn maar waar je hoe bijzonder ook niets aan hebt. Ik ga zitten aan zijn computertafeltje, dat nog geen meter van de andere tafel af staat, zijn eigenlijke werktafel. Een tafel voor analoge zaken en een andere voor digitale; werelden die zoals vaak het geval is bij mensen van zijn generatie nooit helemaal geïntegreerd raakten. Links van zijn computer ligt nog de stapel blaadjes die hij gebruikte om losse aantekeningen te maken. Een velletje is helemaal leeg op een geprint regeltje onderaan na, dat zo klein is dat het even duurt voor ik het zie.

    http://www.montevideo.com.uy/nottiempolibre_ 116072_1.html

    In zijn laatste jaren, nadat we hem zover hadden weten te krijgen om met pensioen te gaan, wat hij ten slotte deed toen hij begin tachtig was, betekende internet voor hem een prettig tijdverdrijf. We wisten dat als het moment was aangebroken om met werken te stoppen hij zijn nimmer aflatende professionele bezigheden zou inruilen voor een andere activiteit, voor elke andere zolang die er maar voor zorgde dat hij niets merkte van het proces van persoonlijke en sociale achteruitgang dat elk brein in de laatste levensfase ondergaat. We stimuleerden hem om het net op te gaan. Zijn karakter beantwoordde aan wat we in het algemeen de ‘twintigste-eeuwse mens’ kunnen noemen, gekenmerkt door een onvoorwaardelijk geloof in de ‘vooruitgang’. Dat soort burger – geboren aan het einde van het tot op heden voorlaatste monarchistische regime, kind tijdens de dictatuur van Primo de Rivera en de Tweede Republiek, tiener in de Spaanse Burgeroorlog en noodgedwongen student in de naoorlogse dictatoriale periode, een tijd waarin hij ook zijn loopbaan als dierenarts begon, het beroep waar hij de brui aan gaf toen het land al lang een eenentwintigste-eeuwse democratie was – leefde in de vaste overtuiging dat we alleen door de vooruitgang in technisch en moreel opzicht beter konden worden. Ik neem aan dat ik om die reden de eerste van mijn klas was die een rekenmachine had. Een Texas Instruments, ter grootte van een boek. Op een middag nam ik het ding mee terug naar huis, ik moet toen zo’n zeven jaar zijn geweest; tot mijn – en zijn – verdriet mocht ik hem op school niet gebruiken. Ook neem ik aan dat ik me hem daarom in die jaren voor me zie in zijn werkkamer met een draagbare cassetterecorder, Grundig, gekocht tijdens een van zijn buitenlandse reizen en destijds zeer geliefd bij vrije beroepsbeoefenaren, terwijl hij ideeën insprak over mogelijke verbeteringen van agrarische bedrijven of manieren om op efficiëntere wijze bepaalde dierziektes te genezen; vervolgens speelde hij wat hij had ingesproken af en typte dat uit, en toen al, in die kinderjaren – jaren waarin alles metamorfose is – had ik de indruk dat de stem terwijl hij zichzelf opnam en daarna wanneer hij die via het kleine luidsprekertje afluisterde, niet de stem van dezelfde persoon was. Een akoestische transformatie die vele jaren later belangrijk zou blijken. Hij kwam thuis met allerhande voorwerpen die we tegenwoordig, met het cynisme dat terugkijken vaak met zich meebrengt, zouden bestempelen als technologische pop, en die op dat moment simpelweg de laatste snufjes van het leven waren, door en door serieuze dingen die nog niet door merchandising verslonden waren. Toen hij hoorde van het bestaan van een apparaat dat ‘magnetron’ heette kocht hij dat meteen; we hebben hem nog steeds, zo groot als een klerenkast, en hij staat met zijn poten van een huisdier, trouwe viervoeter, op het aanrecht in de keuken waar hij veertig jaar geleden op de eerste dag werd neergezet, het enige wat hij nodig had om gezond te blijven is ronddraaien en zichzelf warmte geven terwijl het voedsel van een heel gezin werd verwarmd en verzorgd; een van de manieren om duidelijk te maken – in dit geval via de technologie – dat niets of niemand voor de anderen kan zorgen als je niet eerst voor jezelf zorgt.

    Maar het was niet zo dat de technologie zelf hem interesseerde, het ging niet om wat we tegenwoordig zouden kunnen gelijkstellen aan een archetypische geek – die goed beschouwd een mysticus van een technologische godheid is – maar om wat de technologie met zich meebrengt teneinde concrete doelen te bereiken; de utopische horizon waar ik eerder aan refereerde als ‘vooruitgang’ en die dwars door de hele twintigste eeuw loopt. Op de eettafel – de tafel van zijn werkkamer was niet groot genoeg en hij koloniseerde gaandeweg andere platte vlakken van ons huis – was hij vaak in de weer met topografische kaarten, meetapparaten, schaalstokken, schema’s van fabriekshallen, technische verhandelingen en wetenschappelijke tijdschriften over biologie en diergeneeskunde. Vervolgens stopte hij dat alles in een koffertje, vertrok en kwam soms pas heel laat thuis. In die tijd, begin jaren zeventig, hadden voorwerpen een heel andere waarde en betekenis dan kort daarna onder invloed van de massaconsumptie het geval zou zijn; voorwerpen waren om zo te zeggen metafysisch, ze werden vervaardigd en verkocht met een wezen erin, een ziel die ze vergezelde tot ze totaal versleten waren, ze werden nooit weggegooid, ze werden gerepareerd en behandeld als echte levende wezens. Ik zie hem nog voor me in zijn door mijn moeder gebreide kabeltrui – om een of andere mij onbekende reden hield hij van kabeltruien; elke avond trok hij hem vóór het eten aan na zich eerst te hebben ontdaan van jasje en stropdas, Als toetje nam hij een appel die hij voordat hij hem schilde in vier symmetrische stukken sneed. Hij at elk van die vier parten in twee keer op zodat de appel uit niet meer bestond dan acht happen, tot iets telbaars. Wat je niet kan tellen, of wat op een bepaalde manier niet meetbaar is, bestaat niet – leek hij daarmee te willen zeggen; het is belangrijk om tastbare zaken goed te tellen juist om ze achter te kunnen laten en te kunnen nadenken over alles wat niet telbaar is, om door te dringen tot het gedroomde deel dat alle dingen bevatten. Pas toen ik volwassen was begreep ik dat de veelheid aan onderwerpen waar hij beroepsmatig mee bezig was, net als de talrijke instrumenten die hij voor zijn werk gebruikte, niet beantwoordden aan een homogene wetenschappelijke discipline maar dat hoe hij als dierenarts optrad werd ingegeven door afwijkende opvattingen, door een zeer persoonlijke modus operandi, een combinatie van vele praktische en theoretische relaties tussen verschillende takken van wetenschappen. De Amerikaanse arts en dichter William Carlos Williams (New Jersey, 1883-1963) schreef ergens:

    In een gedicht past niets van sentimentele aard. Ik bedoel dat er net als bij elke willekeurige machine geen ruimte is voor irrelevante elementen. De beweging ervan is een meer fysisch dan literair fenomeen.

    Ik pretendeer hier op geen enkele manier een vergelijking te willen maken en al helemaal niet om een biografie te verdraaien maar ik denk dat hij het eens zou zijn met die woorden van William Carlos Williams. Ik las ze hem een keer dat we alleen waren voor, in het laatste stadium van zijn ziekte; hij zei niets; misschien had hij me niet gehoord; soms spreken we tegen de muren zelfs wanneer we weten dat ze niets anders meer zijn dan een stapeling van stenen. Al dat materiaal, creatieve vondsten, professionele gelukstreffers en mislukkingen, want die waren er ook, beantwoorden aan een manier van denken waarbij technologie en organismen een geheel vormen, de droom van de mens gekoppeld aan een machine, het romantische idee van – opnieuw – de vooruitgang. Wat betreft de technologische utopie in eigenlijke zin van de 21ste eeuw, die geen andere is dan die van de mens opgelost in het net, daar had hij ook in zijn laatste jaren nog deel aan, of dat probeerde hij, gegeven zijn hoge leeftijd, althans. Het is bitter en tegelijk een onbetaalbare levensles getuige te zijn van de manier waarop een geest met zijn laatste krachten iets probeert te begrijpen wat niet meer van zijn tijd is, dat proces te volgen zonder dat je zelf iets kan doen om het te vermijden; de weg gedurende welke een brein maar niet kan rusten tot uitputtens aan toe – tot de totale uitputting van zijn dagen – zelfs wetend dat wat hij wil bereiken tot een ander tijdperk behoort, een toekomst die niet meer van hem is. Een vorm zoals elke andere om vast te stellen hoe moeilijk doodgaan is, waarschijnlijk veel moeilijker dan geboren worden. We bewegen ons hele leven tussen twee grotten, de baarmoeder en de hersenpan waar we nooit uit kunnen ontsnappen. Ik geloof dat hij als hij zijn organen zou hebben gedoneerd of ter beschikking van de wetenschap zou hebben gesteld, zijn hersenen daar niet bij hadden mogen zitten. Een manier om te zeggen: ik ben wat ik dacht en geen enkel andere gedachte. Twee grote krachten schraagden de vorige eeuw – mogelijk alle eeuwen. De eerste wordt geïllustreerd door een uitspraak toegeschreven aan Artaud: ‘Ik vernietig mezelf om te weten dat ik het ben en niet jullie allemaal’; de tweede, een parafrase op de eerste, zou luiden: ‘Ik construeer mezelf om te weten dat ik het ben en jullie allemaal.’ Uiteraard was hij van de tweede kracht.

    Desondanks trad hij vol goede moed het jaar 2000 binnen. Hij gebruikte internet voor een van de kwesties waar hij in zijn laatste jaren erg mee bezig hield, de voeding van dieren op basis van het industriële afval van de consumptiemaatschappij, dat wat we met een vage term ‘recyclage’ noemen. De belangstelling kwam niet alleen voort uit een duidelijk persoonlijke of ecologische preoccupatie maar was meer, een soort droom, goud onttrekken, niet langer aan gewoon slijk, maar aan het door de menselijke activiteit ontstane infraslijk. In die eerste jaren van het nieuwe millennium wist zijn kleinzoon, natuurkundige van beroep en iemand die zich wijdde aan studies over milieuvervuiling, op de een of ander manier wist hij van het bestaan van een systeem, bedacht door Israëlische wetenschappers, waarbij organisch restmateriaal van dierlijke herkomst werd gerecycled. Jaren daarvoor had hij bij verschillende veebedrijven al een dergelijk systeem geïntroduceerd. Ondanks zijn gevorderde leeftijd nam hij geëmotioneerd meteen contact op met die onderzoekers om zijn ervaring en kennis aan te bieden. Het belang van voeding van mens en dier, zelfs de evolutie daarvan binnen de geschiedenis. Meer dan eens vertelde hij me dat de term ‘eettafel’ bedacht was door Lodewijk xiv van Frankrijk. Diens voorganger, Lodewijk xiii, at daar waar hij zich op twaalf uur ’s middags bevond; zijn lakeien sleepten met een tafel door het hele paleis en zette hem op een willekeurige plek binnen of buiten in elkaar zodat de koning kon dineren. De overgang van de bewegende tafel naar een tafel op een vaste plek in de woning vond hij niet alleen uitermate grappig maar beschouwde hij als een fundamentele stap voorwaarts in de evolutie van een soort ‘huiselijk nomadenbestaan’ naar de stabiliteit die elke constructie bedoeld om in te wonen nodig heeft, de sprong van ‘huis’ naar een ‘thuis’. Toch grapte hij dat hij gegeven zijn onvermoeibare werkritme graag als Lodewijk xiii had willen zijn met voortdurend een tafeldrager achter zich aan zodat hij kon eten waar hij op dat moment toevallig was. Het is alsof ik hem hoor zeggen: dat het op de wereld wemelt van goede ideeën is een feit dat tegenwoordig door internet zo duidelijk als wat is maar een goed idee waar niets mee wordt gedaan is van generlei waarde, bestaat niet. Het geloof in de vooruitgang kon in feite slechts zijn beslag krijgen via de latere verwerkelijking ervan, via de dialectische confrontatie die voorgoed de mens met de materie verbindt. Ik geloof dat hij daarom nooit helemaal kon instemmen met mijn hang naar louter theoretische projecten gespeend van elke praktische toepassing; voor hem vormden ze simpel vermaak, een maquette van de werkelijkheid zoals een poppenhuis dat is, een huis voor levenloze wezens, geen echt thuis. Tot de categorie van nutteloze en louter theoretische exercities vond hij ook het genre van de roman behoren, een tijdverdrijf voorbehouden aan mensen die niets omhanden hadden, een vorm van hedendaagse feuilleton. Toen mijn literaire oeuvre bekendheid verwierf verzamelde hij een stuk of wat artikelen over en interviews die over nij in de pers waren verschenen. Zoals te verwachten viel had hij nooit veel op met mijn verrichtingen als romanschrijver; daarentegen had hij veel ontzag voor andere genres zoals essays en poëzie; in feite heeft hij me nooit ook maar een keer gefeliciteerd met mijn romans, hij glimlachte slechts als ik hem een nieuw boek dat van mij was uitgekomen in handen drukte. Een van de tekenen die me duidelijk maakte dat mijn leven zich inmiddels helemaal had van de ‘vaderfiguur’ losgeweekt was dat die onverschilligheid van hem ten opzichte van mijn romans me nooit iets deed; niet alleen begreep ik zijn houding, op het laatst vond ik een dergelijke desinteresse ten slotte eigenlijk wel prettig. Niettemin volgde hij dikwijls mijn doen en laten via berichten op online media als ik een reis naar het buitenland maakte. Ongetwijfeld was het eerder genoemde blanco vel naast zijn pc boven op een stapel blaadjes, bedoeld om er aantekeningen op te krabbelen, met onderaan een webadres, het resultaat van een mislukte poging om een reportage over mij uit te printen die in de pers van Montevideo was verschenen toen ik in de zomer van 2010 naar Latijns-Amerika reisde voor de promotie van een roman van mij. Die reis was een van de vruchtbaarste die ik in verband met mijn werk heb gemaakt. Daar, in Montevideo, een stad die me, ik weet niet waarom, deed denken aan Lissabon, verzamelde ik al schrijvend en filmend veel materiaal, waar ik voor latere romans gebruik van zou kunnen maken. En toch is dat blaadje waarop hij dat webadres op printte en dat nu links van mij ligt, verder helemaal blanco. Een paar minuten lang staarde ik naar de witte cellulose en vroeg ik me af of ik met het schrijven van deze zinnen niet trachtte dat gat, die lege ruimte, op te vullen. En ook vroeg ik mezelf af of die witte ruimte in werkelijkheid niet een verdwijning is, een allegorie op wat een jaar na mijn reis naar Montevideo zou gebeuren: zijn geheugenverlies en, het jaar daarop, zijn overlijden in februari 2012. Ik weet het niet. Stomme vragen. In retrospectief krijgen dingen een betekenis die we eraan willen toekennen. Het geheugen is literatuur of is niet. Goed beschouwd waren zijn opvattingen over de roman misschien toch niet zo onzinnig.

    Als het klopt dat alle liefdesrelaties beginnen met iets onwerkelijks wat vroeg of laat werkelijkheid wordt dan volgt de relatie kind-ouders precies de omgekeerde weg: vanaf het moment dat je geboren wordt beweegt de meest empirische en vleselijke werkelijkheid naar het rijk van de fantasie, de idealisering van de verwekkers, of die idealisering nu positief of negatief is.

  • Details