Tien dagen nadat Édouard Levé het manuscript van Zelfmoord had overhandigd aan zijn uitgever pleegde hij zelfmoord, slechts tweeënveertig jaar oud. De roman is in veel opzichten een openbare zelfmoordbrief, maar een onpersoonlijke: het gaat inderdaad om zelfmoord, maar niet die van de schrijver. Het boek is een minutieus onderzoek naar de zelfmoord – en het leven – van een van de beste vrienden van de schrijver.

Op een zaterdag in augustus gaat de vriend tennissen met zijn vrouw. Buiten op de oprit verontschuldigt hij zich en gaat opnieuw het huis in: hij is zijn racket vergeten. Er verstrijken een paar minuten – zijn vrouw hoort een schot. Ze vindt hem in de kelder. Hij heeft zich door zijn hoofd geschoten, naast hem op de tafel ligt een opengeslagen stripboek.

Waarom kiest iemand ervoor om vrijwillig het leven te verlaten? Hoe beïnvloedt de doodsoorzaak de manier waarop iemand wordt herinnerd? Is het juist van ons dat we naar een ‘boodschap’ of een ‘betekenis’ zoeken wanneer iemand een geweerloop tegen zijn hoofd zet?

Édouard Levé (1965-2007) was een veelzijdige kunstenaar in de traditie van het conceptualisme. Hij debuteerde met Oeuvres (2002), dat minutieuze beschrijvingen bevat van 533 niet-verwezenlijkte installatie- en performanceprojecten. In 2005 verscheen Zelfportret en Zelfmoord, zijn laatste boek, verscheen in 2008.

Zelfmoord is een soort moderne elegie en een demonstratie van het vermogen van kunst om de doden tot leven te wekken. Of ze willen of niet.’ Berlingske

‘Levés leven en werk zijn angstaanjagend vanwege hun symmetrie, hun reinheid, hun rondheid en hun samoerai-wreedheid. Sinds Mishima is er niet meer zo’n definitieve poging geweest om van leven en dood een ervaring te maken die zo gekoppeld is aan het werk als de twee helften van een zool of de twee gezichten van Janus.’ El País 

‘Een verbijsterende roman.’ Zadie Smith

Zelfmoord is in gelijke mate onweerstaanbaar en verontrustend en behoudt zijn mysterie.’ Times Literary Supplement

 

Op een zaterdag in augustus kom je in tennistenue met je vrouw het huis uit. Halverwege de tuin geef je te kennen dat je je racket bent vergeten. Je gaat het halen, maar in plaats van naar de wandkast in de hal, waar het racket zijn vaste plek heeft, loop je naar de kelder. Je vrouw merkt er niets van, het is mooi weer, ze geniet van de zon. Een paar tellen later hoort ze een schot. Ze rent naar binnen, schreeuwt je naam, ziet de kelderdeur openstaan, snelt naar beneden en treft je daar aan. Met het geweer, dat je zorgvuldig in gereedheid had gebracht, heb je een kogel door je hoofd gejaagd. Op tafel had je een stripboek opengelegd. Ontdaan leunt je vrouw op de tafel, het album schuift weg en vóór ze beseft dat het je afscheidsboodschap was valt het dicht.

Ik ben nooit in dat huis geweest. Toch ken ik de tuin, de benedenverdieping, de kelder. Ik heb de scène honderden keren voor me gezien, altijd in dezelfde setting, de setting die ik me voor de geest haalde toen me voor het eerst over je zelfmoord werd verteld. Het huis lag in een straat, had een dak en een achtergevel. Maar het ziet er niet zo uit in het echt. Er is ook de tuin waar je voor het laatst de zon in loopt, en waar je vrouw op je wacht. Er is de gevel waar ze op afrent als ze het schot hoort. Er is de hal, met het racket, de kelderdeur en de trap. Er is ten slotte de kelder, waar je lichaam ligt. Het is ongehavend. Je schedel is niet verbrijzeld zoals me is verteld. Je lijkt een jonge tennisser die na een wedstrijd uitblaast op het gras. Het is net of je slaapt. Je bent vijfentwintig. Je weet nu meer over de dood dan ik.

Je vrouw slaakt een kreet. Behalve jij is er niemand die het zou kunnen horen. Jullie zijn de enigen in huis. Ze gooit zich huilend boven op je en van razernij en liefde bonkt ze op je borst. Ze slaat haar armen om je heen en praat tegen je. Ze barst in snikken uit en laat zich op je neerzakken. Haar handen glijden over de koude, klamme keldergrond. Haar vingers krabben aarde weg. Ze blijft een kwartier liggen en voelt je lichaam afkoelen. De telefoon haalt haar uit haar verdoving. Ze vindt de kracht om naar boven te gaan. Het is de persoon met wie jullie hadden afgesproken bij het tennisveld. ‘Hallo, wat is er aan de hand? Ik sta op jullie te wachten.’ ‘Hij is dood. Dood,’ antwoordt ze.

Daar stopt de scène. Wie heeft het lichaam weggehaald? De ambulance, de politie? Heeft een forensisch arts een autopsie uitgevoerd, zelfmoord kan immers verkapte moord zijn? Is er onderzoek ingesteld? Wie heeft uitgemaakt dat het wel degelijk om zelfmoord ging en niet om een misdaad? Is je vrouw verhoord? Werd er tactvol tegen haar gesproken of werd ze verdacht? Kwam de pijn van de verdenking nog eens boven op de pijn van je overlijden?

Ik heb je vrouw niet teruggezien, ik kende haar nauwelijks. Ik heb haar een keer of vijf ontmoet. Toen jullie trouwden spraken we al niet meer af. Haar gezicht verschijnt weer voor me. Het is twintig jaar hetzelfde gebleven. De laatste keer dat ik haar zag, is mijn beeld van haar gestold. Het geheugen bevriest de herinnering, zoals foto’s dat doen.

Je hebt in drie huizen gewoond. Toen je moeder zwanger van je was, zaten je ouders in een appartementje. Je vader wilde niet dat zijn kinderen geen ruimte zouden hebben. Hij sprak van ‘mijn kinderen’, al had hij nog geen kind. Hij bezocht met je moeder een half vervallen kasteel van een gepensioneerd kolonel van het Vreemdelingenlegioen, die er nooit had gewoond omdat hij vond dat er nog heel wat werk aan moest gebeuren voor hij erin kon. Je vader, die een aanneembedrijf had, liet zich niet afschrikken door de klus. Je moeder hield van het park. Ze trokken er in april in. Je bent op kerstdag in een ziekenhuis geboren. Een dienstbode liet in het kasteel voortdurend drie haarden branden: een in de keuken, een in de salon en een in de ouderslaapkamer, waar je in je eerste twee levensjaren sliep. Toen je broer werd geboren, zat er nog geen schot in de werkzaamheden. Jullie leefden nog drie jaar in armoedige luxe, tot je zusje werd geboren. Precies op het moment dat je ouders besloten uit te kijken naar een minder oncomfortabele plek, vertelde je vader aan je moeder dat hij bij haar wegging. Ze vond een huis dat kleiner was en minder mooi, maar warmer en gezelliger dan het kasteel. Daar kreeg je je tweede kamer en die behield je totdat je op je eenentwintigste met je vrouw ging samenwonen. In dat kleine huis had je je derde kamer. Het werd de laatste.

De eerste keer dat ik je zag, zat je op je kamer. Je was zeventien. Je woonde bij je moeder, op de eerste verdieping, tussen de kamer van je broer en die van je zus. Je kwam je kamer zelden uit. De deur zat op slot, ook als je er was. Je broer en zus herinneren zich niet op je kamer te zijn geweest. Als ze je iets wilden zeggen, deden ze dat tegen de deur. Niemand kwam je kamer netjes houden, daar zorgde je zelf voor. Ik weet niet waarom je openmaakte toen ik aanklopte. Je had niet gevraagd wie het was. Hoe raadde je dat ik het was? Door de manier waarop ik naar je kamer kwam, de plankenvloer onder mijn voeten liet kraken? Je luiken waren dicht. Er scheen zacht rood licht. Je luisterde naar ‘I Talk to the Wind’ van King Crimson en je rookte. Ik dacht even aan een nachtclub. Het was op klaarlichte dag.

Achteraf herinnerde je vrouw zich dat de strip die je op de tafel had gelegd, openlag voor hij op de grond viel. Je vader kocht er tientallen exemplaren van en gaf die aan iedereen weg. Hij kent de tekst en de tekeningen uit het hoofd en ook al was het niet zijn type boek, hij heeft zich er op den duur mee vereenzelvigd. Hij is op zoek naar de pagina en op die pagina naar de zin die jij had uitgekozen. Hij noteert zijn overwegingen in een map die altijd op zijn bureau ligt en waarop geschreven staat: ‘Zelfmoordhypothesen.’ Als je de wandkast links van zijn bureau opentrekt, vind je een tiental mappen van hetzelfde formaat vol handgeschreven vellen met hetzelfde etiket. Hij citeert de tekstballonnetjes van de strip alsof het profetieën zijn.

Je had zelden ongelijk, omdat je weinig zei. Je zei weinig, omdat je weinig buitenkwam. Als je buitenkwam, keek en luisterde je. Je zult altijd gelijk hebben, want je spreekt niet meer. Eigenlijk spreek je nog steeds, via degenen die jou weer tot leven brengen en jou vragen stellen, zoals ik. We luisteren naar je antwoorden, bewonderen de wijsheid die erin ligt. Maar als uit de feiten blijkt dat je ernaast zat met je advies, verwijten we onszelf dat we het verkeerd hebben geïnterpreteerd. Jou komt de waarheid toe, ons de vergissing.

Zolang degenen die jou hebben gekend nog leven, leef je voort. Je zult sterven op het moment dat de laatste van hen sterft. Tenzij sommigen je in de herinnering van hun kinderen hebben laten voortleven door over jou te vertellen. Hoeveel generaties zul je zo verder leven, als een personage in woorden?

Je bent een keer naar een concert geweest in Parijs. Aan het eind van het eerste deel sneed de zanger zich de pols door en maaiend met zijn arm sprenkelde hij zijn bloed over de voorste rijen. Er vielen druppels op je jack en bij het opdrogen trokken die weg in het bruine leer. Na afloop ging je samen met de vrienden die met je mee waren naar een kroeg waarvan je de naam bent vergeten. Je praatte urenlang tegen wildvreemden. Daarna liepen jullie door de straten op zoek naar andere kroegen, maar alles was dicht. Jullie gingen op een pleintje bij Gare Saint-Lazare op de banken liggen en becommentarieerden de vorm van de wolken. Om zes uur ontbeten jullie. Om zeven uur namen jullie de eerste trein naar huis. Toen je de dag erop van je vrienden hoorde wat je in de kroeg tegen die wildvreemden had gezegd, wist je daar niets meer van. Het was alsof iemand anders in jou het woord had gevoerd. Je herkende je uitspraken noch je gedachten, maar vond de woorden mooier dan als je nog had geweten dat je ze zelf had gezegd. Kwamen je woorden uit de mond van een ander, dan zou dat voor jou vaak al genoeg zijn geweest om ze mooi te vinden. Je noteerde wat je volgens je vrienden had gezegd. Van de tekst die je opschreef was je tweemaal de auteur.

Je leven was een hypothese. Wie oud sterft is één blok verleden. We hoeven maar aan die mensen te denken om te zien wat ze waren. We hoeven maar aan jou te denken om te zien wat je had kunnen zijn. Je was en blijft één blok mogelijkheden.

Je zelfmoord is het belangrijkste statement van je leven, maar je zult er de vruchten niet van plukken.

Ben je wel dood, ik praat toch tegen je?

Als je nog leefde, zouden we dan vrienden zijn? Ik had meer contact met andere jongens. Maar zonder dat ik het merkte heeft de tijd me van hen weggedreven. We zouden maar even hoeven te bellen om de draad weer op te pakken. Geen van allen willen we het risico lopen van een teleurstellend weerzien. Jouw stilte is veelzeggend geworden. Maar zij kunnen nog spreken en blijven stil. Ik denk niet meer aan hen, terwijl ik zo’n nauwe band met hen had. Maar jij, destijds afzijdig, afstandelijk en somber, bent me nu schitterend nabij. Als ik twijfel, ga ik bij je te rade. Aan jouw antwoorden heb ik meer dan aan de antwoorden die zij me zouden kunnen geven. Je blijft trouw aan mijn zijde, waar ik ook ben. Zij zijn het die weg zijn. Jij bent de grote aanwezige.

Je bent een boek dat tegen me spreekt wanneer ik het wil. Je dood is je biografie.

Je stemt me niet droevig, maar ernstig. Je tast mijn onverbeterlijke lichtvoetigheid aan. Als ik te impulsief ben, en je gezicht me voor de geest komt, zonder dat ik weet waarom, hecht ik weer belang aan de mensen om me heen. De dingen krijgen kleur, wat ze voor mij zelden hebben. In jouw plaats geniet ik van wat jij niet meer meemaakt. Nu je dood bent, geef je mij meer leven.

Je was vijf, je kreeg je trui niet aan. Hoewel je broer twee jaar jonger is, liet hij je zien hoe het moest. Je vader kleineerde je door spottend te suggereren dat je misschien een voorbeeld aan hem kon nemen, en rondde af met de opmerking dat je daar niet toe in staat was. Je broer, die evenzeer naar jou als naar je vader opkeek, zat geprangd tussen twee gezagsfiguren. Omdat hij niemand wilde kwetsen, ging hij niet prat op je vaders opmerking. Zijn bescheidenheid kleineerde je pas echt.

Je rust in je eentje in een zwartstenen graf waarop in gouden letters je voor- en achternaam zijn gebeiteld. Onderaan staan je geboorte- en sterfdatum, daartussen zit vijfentwintig jaar.

Als ik hoor dat iemand zelfmoord heeft gepleegd, denk ik aan jou. Maar als ik hoor dat iemand aan kanker is gestorven, denk ik niet aan mijn grootmoeder en mijn grootvader, die aan kanker zijn gestorven. Zij delen hun kanker met miljoenen anderen. De zelfmoord is van jou alleen.

Édouard Levé
Zelfmoord
Oorspronkelijke titel Suicide
Vertaling Katrien Vandenberghe
Paperback met flappen, 104 blz.
€ 19,50
ISBN 978 90 831 3519 9
Verschijnt 12 oktober 2021 

 

Édouard Levé

Uitgeverij Koppernik

Meld u aan voor onze nieuwsbrief en ontvang bericht bij nieuwe boeken.

Dank voor uw aanmelding.