In Gedichten 1917-1930 van T.S. Eliot zijn voor het eerst alle vroege gedichten, met uitzondering van The Waste Land, gebundeld. 

Prufrock and Other Observations (1917) schetst de morele verwarring van de geremde Amerikaanse filosofiestudent. De duistere bundel Poems 1920 zinspeelt al op de huwelijksmoeilijkheden die het hoofdthema van The Waste Land (1922) zullen vormen. De depressie van de dichter blijkt uit The Hollow Men (1925). Ash Wednesday (1930) en de Ariel Poems (1927-1930) betekenen een ommekeer. Dante wordt het model voor de bekeerde Eliot. Verdoold in het donkere woud van het leven, daalt hij af in het diepst van de Hel om daarna de Louteringsberg te bestijgen: daar wacht een gesublimeerde vrouw als Beatrice op hem. 

De vertaling wordt verzorgd door Paul Claes, die de verzamelde bundels inleidt en van verhelderende aantekeningen voorziet.

‘Dat Eliots werk, en zeker zijn gedichten, nog altijd zeggingskracht hebben, laat dit nieuwe boek prachtig zien. Het Engels is krachtig en beeldend, en de vertalingen van

Claes helpen je om deze teksten te kunnen beleven en begrijpen, mede dankzij de korte, maar heldere toelichtingen. Dit gedichtenboek is inspirerend voor wie zoekt naar taal om geloof en levenservaring bij elkaar te houden.’ Friesch Dagblad

 

Gedichten 1917-1930 is een mooie, gedegen uitgave, die inzicht geeft in de ontwikkeling van Eliot’s dichterschap. Het is goed dat er is gekozen voor tweetaligheid: het zou zonde zijn Eliot niet in de oorspronkelijke talen te lezen en het is boeiend om te zien welke keuzes Claes in zijn vertalingen heeft gemaakt. Dat zijn inleidingen aanleiding geven na te denken over het mogelijke belang van biografische elementen in zijn werk – vooralsnog denk ik van niet – is een welkom extraatje. Meander 

 

Lees hier het artikel in De Morgen:

https://www.demorgen.be/tv-cultuur/deze-vijf-nieuwe-boeken-zijn-de-moeite-waard~b2969f08/

het liefdeslied van j. alfred prufrock

Als ik aan iemand antwoord dacht te geven

die naar de aarde ooit terug zou keren,

mijn vlam was blijven stilstaan zonder beven.

Maar omdat niemand, naar ik hoor beweren,

levend aan deze diepte is ontkomen, 

antwoord ik zonder vrees mij te blameren.

 

Laten we dan gaan, jij en ik, 

Nu de avond ligt onder het firmament 

Als een met ether verdoofde patiënt;

Laten we gaan door half verlaten straten,

De zeurende reservaten

Van rusteloze nachten in goedkope hotels en

Restaurants met zaagsel en oesterschelpen:

Straten als een eindeloze woordenstrijd

Die jou arglistig leidt

Tot één verpletterende vraag…

 

Ach, vraag me niet welke.

Laten we op visite gaan vandaag.

 

Door de kamer lopen vrouwen van niveau

Te praten over Michelangelo. 

 

De gele mist die zijn rug tegen de ramen wrijft,

De gele mist die zijn snuit tegen de ramen wrijft,

Likte alle hoeken van de avond met zijn tong,

Talmde bij elke plas die in goten staan blijft,

Liet roet uit schoorstenen vallen op zijn vacht,

Sloop langs het balkon, deed opeens een sprong, 

Voelde hoe zoel het was in die oktobernacht,

Krulde nog eenmaal om het huis en sliep zacht.

 

En er is nog alle tijd

Voor de gele rook die door de straten drijft

En die zijn rug tegen de ramen wrijft;

Er is nog tijd, er is nog tijd 

Om een gezicht op te zetten voor de gezelligheid;

Er is nog tijd om te verdoen en tijd om te scheppen,

En tijd voor alle werken en dagen van handen

Die een vraag op je bord doen belanden;

Tijd voor jou en tijd voor mij,

En tijd voor honderd weifelingen

En honderd twijfels en aarzelingen

Voor een thee met toast erbij.

 

Door de kamer lopen vrouwen van niveau

Te praten over Michelangelo.

 

En er is nog alle tijd

Om me af te vragen: ‘Durf ik?’ en ‘Durf ik het aan?’

Tijd om terug te keren en de trap weer af te gaan

Met die kale plek in mijn haar bovenaan –

(Ze zullen zeggen: ‘Wat wordt z’n haar al dun!’)

Met mijn jacket, mijn stijve halsboord dat knelt,

Mijn chique maar discrete das met simpele speld –

(Ze zullen zeggen: ‘Wat zijn z’n armen en benen dun!’)

Durf ik het aan

Om het heelal te verstoren?

In één minuut is er tijd

Voor gissen en missen dat in één minuut verkeert.

 

Want ik ken hen allang, ik ken hen allemaal –

Ik ken hun avond-, morgen- en middagmaal,

Ik heb mijn leven met koffielepels afgemeten;

Ik ken de stemmen die met een doodse galm verklinken

En in muziek uit een ander vertrek verzinken. 

Wat zou ik me dan vermeten?

 

En ik ken die ogen allang, ik ken ze allemaal –

Die ogen die je doorboren met een beleefdheidsfrase,

En als ik ben vastgeprikt door zo’n zin,

Als ik spartelend vasthang aan die pin,

Hoe slaag ik er dan in

Stoom van mijn leven en streven af te blazen?

En wat zou ik me dan vermeten?

 

En ik ken die armen allang, ik ken ze allemaal –

Blanke en blote armen met een armband (maar 

In het lamplicht met een dons van lichtbruin haar!)

Is het parfum uit een japon

Dat maakt dat ik steeds afdwaal?

Armen die op tafel rusten of spelen met een sjaal.

En wat zou ik me dan vermeten?

En hoe begin ik eraan?

 

…..

 

Zal ik zeggen dat ik in de schemer door stegen ben gegaan

Waar ik rook op zag stijgen uit de pijp

Van eenzame mannen die in hemdsmouwen leunen uit een raam?…

 

Ik zou liefst een stel ruige scharen zijn

Dat zich rept over de bodem van stille zeeën.

 

…..

 

En de namiddag, de avond, slaapt zo vredig!

Door ranke vingers gestreeld

Slaapt hij… vermoeid… of speelt

Dat hij hier op de grond rust naast ons twee.

Waar haal ik na gebak en ijs en thee 

De kracht om het ogenblik tot een toppunt te dwingen?

Maar al heb ik na wenen en vasten, wenen en bidden

Mijn (lichtjes kalend) hoofd op een schaal zien binnendragen,

Ik ben geen profeet – dat kan ik niet vragen;

Ik zag mij één flitsend ogenblik lang verheven

En ik zag de eeuwige Lakei grinnikend mijn jas aangeven,

En ik was gewoonweg bang.

 

En had het hoe dan ook iets uitgehaald

Na de kopjes, de marmelade, de thee,

Tussen het porselein, tussen de woorden van ons twee,

Had het iets uitgehaald

Glimlachend met de deur in huis te vallen,

Het heelal samen te persen tot een bal en

Tot een verpletterende vraag te rollen,

Te zeggen: ‘Ik ben Lazarus, die uit de dood

Is opgestaan om je alles, alles uit te leggen’ –

Als iemand die een kussen verschikte achter haar hoofd

Zei: ‘Dat is helemaal niet wat ik bedoel.

Nee, dat is niet wat ik wou zeggen.’

 

En had het hoe dan ook iets uitgehaald,

Had het iets uitgehaald

Na de zonsondergangen en de voortuintjes en de besproeide straten,

Na de romans, na de theekopjes, na de rokken die slepen door de zaal –

Na dit, en wat nog allemaal? –

Het is onmogelijk uit te leggen!

Maar alsof een toverlantaarn zenuwen op een scherm projecteerde:

Had het iets uitgehaald

Als iemand die een kussen verschikte of zich ontdeed van een sjaal,

Zich naar het raam toe keerde en zei:

‘Dat is niet wat ik wou zeggen,

Dat is helemaal niet wat ik bedoel.’

 

…..

 

Nee! Ik ben geen prins Hamlet; integendeel,

Ik ben een hoveling, een paladijn 

Die opdraaft bij ’t begin van een toneel

En raad geeft aan de prins: een harlekijn,

Eerbiedig buigend, blij van nut te zijn,

Diplomatiek, behoedzaam en secuur;

In zijn hoogdravendheid een beetje bot;

Een soms welhaast lachwekkende figuur –

En soms welhaast de Zot.

 

Ik word oud… Oud en loom…

Ik draag straks een broek met omgeslagen zoom.

 

Een nieuwe coupe? Een perzik in mijn hand? 

Ik draag een witflanellen broek op het strand.

Ik heb meerminnen horen zingen voor elkaar.

 

Ik denk niet dat ze voor mij zullen zingen.

 

Ik zag hen op de golven zeewaarts rijden

En met hun kam de witte golven kruiven 

Als wind het water wit en zwart laat wuiven.

 

Wij hebben in de zalen van de zee verbleven

Bij meisjes door roodbruin zeewier omgeven,

Tot mensentaal ons wekt, en wij verdrinken.

damesportret

 

Uw misdaad was – 

Ontucht, maar dat was in een ander land,

En overigens is de deerne dood.

Marlowe, The Jew of Malta iv.1, 40-42 

 

i

 

In walm en mist van een middag in december

Laat je de scène – lijkt het – zich ontvouwen 

Met ‘Ik heb deze middag voor je vrijgehouden’

En vier waskaarsen in de verduisterde kamer,

Vier lichtkringen tegen de zoldering,

Een sfeer zoals in het graf van Julia hing,

Klaar voor al wat we zeggen of verhelen.

We hoorden, zeg maar, net de nieuwste Pool 

Met z’n haar en vingertippen preludes spelen.

‘Zo intiem, die Chopin, dat volgens mij zijn ziel

Alleen maar onder vrienden wordt herboren,

Zo’n twee, drie, die de bloesem niet verstoren 

Die je in de concertzaal verwelken ziet.’

– Hoor hoe het gesprek zich ontspint

Tussen verlangens en verfijnd verdriet

In de gedempte tonen van violen

Waarin kornetklanken verdolen,

Hoor hoe het begint.

‘Jij weet niet wat mijn vrienden voor me zijn en

Hoe zeldzaam en hoe vreemd het is om 

In een bestaan vol, vol tierelantijnen

(Nee, ik leef niet graag… je wist het? Je bent niet dom!

Wat knap van jou!) 

Een vriend te vinden die de kwaliteiten heeft,

Heeft en ook geeft,

De kwaliteiten waarvan vriendschap leeft,

Je weet niet hoeveel ik je toevertrouw – 

Zonder vriendschap – was leven een cauchemar!’

Tussen het spiralen van de violen

En de ariëttes

Van gebarsten kornetten

Begint in mijn hoofd een doffe trom

Domweg een eigen prelude te roffelen, 

Moedwillig monotoon,

Dat is alvast één echte ‘valse noot’.

– Een luchtje scheppen in een tabakstrance,

Kijken naar de monumenten,

Praten over de evenementen,

Onze horloge gelijkzetten met de klok.

En dan een halfuur nippen aan een bock.

Je weet niet hoeveel ik je toevertrouw – 

Zonder vriendschap – was leven een cauchemar!’

 

Tussen het spiralen van de violen

En de ariëttes

Van gebarsten kornetten

Begint in mijn hoofd een doffe trom

Domweg een eigen prelude te roffelen, 

Moedwillig monotoon,

Dat is alvast één echte ‘valse noot’.

– Een luchtje scheppen in een tabakstrance,

Kijken naar de monumenten,

Praten over de evenementen,

Onze horloge gelijkzetten met de klok.

En dan een halfuur nippen aan een bock.

 

ii 

 

Nu buiten de seringen bloeien gaan, 

Heeft zij in haar kamer een vaas seringen staan.

Ze draait er een tussen haar vingers terwijl ze praat.

‘Ach, mijn vriend, je weet niet, je weet niet wat

Het leven is, jij die het in je handen houdt’;

(Terwijl ze traag de stengels draait) 

‘Je laat het vloeien, wegvloeien van jou,

En de jeugd is wreed en kent geen berouw

En glimlacht om dingen die ze niet verstaat.’

Ik glimlach gedwee

En drink mijn thee.

‘Maar die zonsondergangen in april 

Roepen mijn leven op, de Lente in Parijs,

Ik voel een mateloze vrede en ik vind 

De wereld al met al verbazend pril.’

De stem keert telkens weer terug als schril

Vioolgekras op een augustusmiddag:

‘Ik weet heel zeker dat je mij verstaat

En dat je aanvoelt wat in mij omgaat,

En mij een reddende hand reiken wil.

 

Jij bent onkwetsbaar, je hebt geen Achilleshiel,

Je gaat steeds door en als je zegepraalt,

Dan zeg je: velen hebben hier gefaald.

Maar wat kan ik, maar wat kan ik jou geven, 

Mijn vriend, waarmee ik jou plezier bereid?

Alleen de vriendschap en genegenheid

Van iemand aan het einde van haar leven.

 

Ik zit hier thee te schenken voor mijn vrienden…’

 

Ik pak mijn hoed: hoe zeg ik haar laf dank

Voor wat ik heb geleerd?

 

Je ziet me elke ochtend in het park

De comics en de sportpagina’s lezen.

Wat mij vooral interesseert:

Een Engelse gravin die acteert,

Een Griek die op een Pools bal is vermoord,

En nog een bankfraudeur die heeft bekend.

Ik blijf gereserveerd,

Ik houd me in bedwang

Behalve als mechanisch en verveeld

Een draaiorgel een straatdeuntje blijft zeuren

In deze tuin, waar hyacinten geuren

En oproepen wat iemand heeft begeerd.

Is wat ik denk juist of verkeerd?

 

iii

 

De oktobernacht valt; ik keer als vroeger weer,

Al is het met een vaag gevoel van ongemak,

Beklim de trap en draai de deurknop om

En voel me of ik op handen en knieën klom.

‘Je gaat dus naar de vreemde; wanneer kom je weer?

Maar dat is een nutteloze vraag.

Je weet nog niet wanneer je terug zal keren,

Er valt zoveel te leren.’

Mijn glimlach valt log tussen het bric-à-brac.

 

‘Misschien kun je me schrijven.’

Mijn zelfvertrouwen flakkert even op;

Dat is waar ik op had gewacht.

‘Ik heb onlangs nog bij mezelf gedacht

(We kennen ons begin, maar niet ons eind!)

Waarom wij niet bevriend geworden zijn.’

Ik voel me net een man die als hij omkeert

Opeens zijn glimlach in een spiegel ziet.

Mijn zelfvertrouwen dooft; wij staan echt in het duister.

 

‘Want iedereen zei het, al onze vrienden,

Ze wisten welk gevoel ons kon verbinden. 

Ik weet zelf niet wat ik ervan moet vinden,

We moeten ons maar op het lot verlaten.

Je zult me nog wel schrijven.

Misschien is het nog niet te laat.

Ik zit hier thee te schenken voor mijn vrienden.’

 

Ik weet niet hoe mij te wenden of te keren

Om me te uiten… dansen, dansen

Als een van die dansende beren,

Krassen als een papegaai, kwekken als een aap,

Een luchtje scheppen in een tabakstrance – 

Ach! En wat als ze doodgaat op een middag,

Een rookgrauwe middag, een gele en roze avond;

Doodgaat en mij met een pen in de hand laat zitten,

Terwijl de rookwalm over de daken daalt;

Weifelend, een poos

Niet wetend wat te voelen en of ik begrijp,

Of het wijs of dwaas is, te laat of te vroeg…

Zou het voor haar geen winst zijn, al met al?

Muziek heeft succes met een ‘doodse galm’,

Nu we toch over doodgaan spreken – 

En zou me dan een glimlach zijn vergund?

 

Vertaling Paul Claes

Genaaid gebonden, 224 blz.
Prijs: € 34,50
ISBN 9789492313812

T.S. Eliot