Hoewel Italië in de Tweede Wereldoorlog aan de kant van Duitsland stond verschilde de Italiaanse blik op de oorlog vaak van die van de Duitsers. Omdat ze bang waren Mussolini van zich te vervreemden, moesten de Duitsers toestaan dat de journalist en schrijver Curzio Malaparte het Oostfront bezocht, ondanks het feit dat hij zich met zijn onverbloemde reportages de woede van Goebbels op de hals had gehaald.

Malaparte was zodoende de enige correspondent die zich midden in de Tweede Wereldoorlog aan het Russische front bevond, waardoor hij waardevolle getuigenissen kon afleggen over de Sovjetcampagne, met name voor Operatie Barbarossa en het Beleg van Leningrad. Zijn kronieken, geschreven tussen 1941 en 1943, weerspiegelen de confrontatie van twee Europese ideologieën, en zij vormen tegelijkertijd een aangrijpend verslag van de vele kleine incidenten in het dagelijkse verloop van de oorlog. De eerste editie van De Wolga ontspringt in Europa verscheen uiteindelijk in 1945 en het werd in 1951 opnieuw uitgegeven, met toevoegingen en wijzigingen. Jan van de Haar vertaalde De Wolga ontspringt in Europa voor het eerst in het Nederlands en schreef er een nawoord bij.

‘Malaparte toont de krankzinnigheid van de oorlog maar hij toont ook de schittering van het landschap, van de mensen, hij haalt er de hele geschiedenis bij (…), het is fenomenaal.’ Radio 1

‘De gebundelde oorlogsreportages van Curzio Malaparte zijn uitzonderlijk door hun literaire kracht’ de Volkskrant

‘En al doet hij zijn best om de oorlog niet als een strijd van Europa tegen een Aziatische horde te zien, zoals de Duitsers propageren, hij concludeert wel degelijk dat niets menselijks en niets onmenselijks het Russische volk vreemd is. De recente gebeurtenissen in het Oekraïense Boetsja, Marioepol en Kramatorsk bewijzen vooralsnog het laatste.’ **** NRC Handelsblad 

‘Een van de opmerkelijkste schrijvers van de twintigste eeuw.’ Ian Buruma

‘Heldere rechttoe rechtaan verslaggeving. Een scherpe, koele en harde maar ook een romantische en gevoelige weergave van sferen en feiten. Een schrijver met een diepe ziel. De Wolga ontspringt in Europa is een voorbeeld voor mij geweest om meer dan twintig jaar lang als verslaggever de wereld rond te reizen. Misschien is dit boek wel de beste reisverslaggeving van na de oorlog.’ Jan Cremer

Over Kaputt:

‘Een boek vol ijzingwekkende beelden en onverwachte perspectieven op het fascisme.’ Trouw

‘Een mythisch boek over de wreedheid van de Tweede Wereldoorlog.’ NRC Handelsblad

De raven van galați

Galați, 18 juni 1941

Galați duikt op uit de lagunes tussen de Proet en de Donau, en ademt de geur van modder, vis, rotte rietbossen (op deze klamme juniavonden doortrekt de kwijnende geur van slib de bladeren van de bomen, de haren van de vrouwen, de manen van de paarden, de lange fluwelen pijen van de skoptsy, de eunuch-koetsiers van de beruchte Russische sekte waarvan Galați de laatste vluchtheuvel, de laatste tempel is). Vanuit Brăila naar Galați, naar Sulina, tot aan de bergen van de Dobroedzja is de grote delta van de Donau een en al waterschittering. De voorjaarsoverstromingen hebben van deze regio een enorm moeras gemaakt. Hier golft de platte Walachijse vlakte als een gordijn in de wind, verheft ze zich in vermoeide golvingen van gele aarde, boven de eindeloze draslanden, totdat ze zich in zachte plooien neervlijt en een gewelfde zoom vormt, een lichte kom, waarin het Brateșmeer verzinkt in een eeuwige, transparante mist van een blauwige kleur.

Galați verrijst op de zoom van deze kom, boven aan de driehoek van de Donau en de Proet, die elkaar iets onder de stad ontmoeten. De bergen van de Dobroedzja, ver aan de horizon, schragen dit fluïde landschap, zijn lage huizen, zijn moerassen, zijn lichte nevelen, en lijken van ver op de Tifata die boven Capua ligt, ze hebben datzelfde blauwige kwijnen, dezelfde groene schakeringen, dezelfde romantische, delicate onschuld. Af en toe verdwijnen ze, vervliegen aan de horizon, met achterlating van een sombere, onzekere herinnering, iets vrouwelijks in de ontgoochelde lucht.

(Tussen Sovjet-Rusland en mijn hotelkamer loopt alleen de Proet: een trage, gele rivier die hier, inmiddels bij de monding, haast zo breed wordt als een meer, een onmetelijke troebele poel, het Brateșmeer, met groene rietpluimen en -stengels op de modderbanken. De Proet lijkt dezer dagen merkwaardig uitgestorven: geen sleepboot, geen schuit, geen vaartuig doorklieft de stroming. Alleen een paar vissersbootjes bij de Roemeense oever dobberen op de lome, modderige kolken. Maar o wee, als je van de oever vandaan gaat, o wee, als je naar het midden van de rivier koerst: de Russen schieten. De Sovjetwachten vuren ’s nachts bij het eerste het beste geritsel, de minste plons: de Proet hoeft maar even tegen de kant te klotsen of ze zijn gealarmeerd.)

Met het blote oog zie je vanuit mijn kamerraam de huizen van de Russische oever, de houtloodsen, de rook van sleepboten in de rivierhaven. Op de weg langs de rivier kun je met een kijker groepen mensen onderscheiden, misschien soldaten, colonnes vrachtwagens, cavaleriepatrouilles. In de nacht lijkt de Sovjetoever zwart en blind. De nacht lijkt daar te beginnen, aan de overkant, die daar hard en kaal oprijst als een zwarte muur, tegenover de lichtjesglinsterende Roemeense oever. In de vroege ochtend lijkt de Sovjetoever een geloken ooglid dat opengaat en een bleke, doodse, ongewoon treurige, verontrustende blik over de rivier laat glijden.

In de lanen van het park van Galați spelen kinderen krijgertje, mensen leunen tegen de borstwering van de Belvedère, recht boven een kaal, rossig moerasgebied dat schuin doorsneden wordt door de spoordijk, met een hand boven hun ogen turen ze naar de Russische oever: daar, aan de overkant, voorbij de Proet, stijgt uit de huizen van Reni een blauwzijden rookgordijn op, lost lomig op in de stoffige lucht. (Misschien nog twee dagen, nog een dag, een paar uur.) Ik merk, terwijl ik in het rijtuig naar de brug van Reni stap, dat ik op de klok van het gemeentehuis kijk.

Van het Brateșmeer komt me een zware lucht, een heftige, vette lucht tegemoet. De stank van in de modder begraven kadavers. Dikke, groenblauwe vliegen met goudgestreepte vleugels gonzen eromheen. Een afdeling Roemeense gravers maakt een mijn gereed om de brug tussen de oever van Galați en de Sovjetoever van Reni op te blazen. De soldaten spreken luid en lachen. Het troebele water van het Brateșmeer werpt gele weerspiegelingen op een zieltogend, loom en wankel landschap, een afgemat landschap. De dreigende oorlog is te bespeuren als een onweersbui, als iets buiten de wil van de mens om, bijna als iets van de natuur. (Hier ligt Europa al buiten iedere rede, buiten iedere morele structuur: slechts een voorwendsel; een continent van afgemat vlees.) Boven aan de brug op de drempel van de ussr staat de rustieke Russische triomfboog, met daarbovenop de bekende sikkel en hamer. Ik hoef de brug maar over, ik hoef maar een paar honderd stappen te zetten om dit Europa te verlaten, om de grenzen van het andere Europa over te gaan. De stap van het ene naar het andere Europa is maar kort. Alleen wel langer dan een been, zou ik zeggen.

 

Waarachtig, dit landschap ademt iets onzekers, iets tijdelijks. Zelfs de aanblik van de stad, die door de aardbeving van afgelopen november is bezaaid met brokstukken en puin, spiegelt beelden voor van een vluchtige wereld, een wankele beschaving. Veel huizen zijn ingestort, bijna alle tonen diepe wonden: deze missen een dak, gene een muur, die weer de voorgevel; die hebben beschadigde balkons, die vertonen brede scheuren en geven zicht op het burgerlijke interieur, de vloeren met Turkse tapijten, de Wener bedden, de gruwelijke oleografieën aan de wanden van ieder oosters huis. Bij de Strada Brașoveni is een straat waar alle gevels van de huizen zijn neergegaan; te zien zijn mensen die bewegen achter schermen van jute en papier, als op een podium voor een roerig, onverschillig publiek. Het lijkt op een decor van Piscator. De balken die de gevels of de zijkanten van de huizen stutten, vormen langs de trottoirs een aaneengeschakelde, dwarse pergola, waaronder de mensen van ieder ras en iedere taal schreeuwen, elkaar duwen, achtervolgen, samenklonteren in vluchtige groepjes, onverwachte oploopjes. De puinhopen nemen op veel punten, vooral rond de Kolonel Boylestraat, de vanaf de haven lopende stegen in beslag. Onder dat puin, onder die dwarse balkenpergola’s, tussen die wankele muren met diepe wonden, voor het podium van die gevelloze huizen wemelt een menigte van Grieken, Armenen, zigeuners, Turken, Joden in een gele stofwolk, in een rumoer van rauwe stemmen, kreten, gelach, gekrijs, gezang van grammofoons, in die geur van paardenpis en rozenolie die de geur van de Levant is, de geur van de Zwarte Zee.

 

Op de trottoirs langs de straten openen bij honderden en nog eens honderden koffiehuizen, parfumerieën, kapperszaken, snuisterijwinkeltjes, etalages van croitori, banketbakkers, tandartspraktijken. Griekse barbiers met hun enorme zwarte wenkbrauwen, hun olijfkleurige gezichten met overdwars reusachtige zwarte snorren, glimmend van de brillantine, de coafor voor dames, met de volle, met heet ijzer gefriseerde pikzwarte kapsels in barok model, Turkse patissiers met van honing en boter druipende handen, met armen tot aan de elleboog onder de gehakte amandelen en pistachekorrels, parfumeurs, schoenlappers, fotografen, kleermakers, sigarenboeren, tandenbeulen groeten je met zangerige stemmen, plechtige gebaren, diepe buigingen. Iedereen nodigt je naar binnen om te gaan zitten, om de kam, het scheermes, het pak, de schoenen, de hoed, de breukband, de bril, het kunstgebit te proberen, om een geur op te doen, je haar te laten krullen, je te laten epileren, je haar te laten verven, en intussen dampt de Turkse koffie in de glimmend koperen kannetjes en roepen de krantenventers de koppen van de Actiunea of lezen ze de laatste berichten voor over de situația pe fronturile de luptă, en trekken hele stoeten harige, opgetutte, krulharige vrouwen over de trottoirs, voor de tafeltjes van de koffiehuizen vol dikke levantijnen die wijdbeens zitten zoals op de tekeningen van de uit Brăila afkomstige Pascin.

Het is nog vroeg om te gaan lunchen bij Suré. Daarom verlaat ik de Griekse cofetaria van Manzavinato en loop naar de haven, over de lange Domnească, de avenue van Galați. In de Strada Brașoveni snijdt het scherpe geluid van tramwielen de ruiten van de ramen; de rijtuigen van de skoptsy met glanzende, dampige paarden passeren in galop met opwaaiende stofwolken (de skopjets op de bok in zijn lange pij, het zachte, magere eunuchengelaat van een ik zou zeggen slappe, hangende magerte). Horden honden en kinderen achtervolgen elkaar van het ene naar het andere trottoir, en intussen wisselen boven mijn hoofd op uithangborden het Hebreeuws, het Armeens, het Turks, het Grieks, het Roemeens elkaar af. Totdat ik de havenstraat insla.

De Donau is gezwollen van de regen, grote schuiten deinen aan de pieren. De straat langs de haven is een eindeloze ‘appartementenrij’ van lage huizen, half ingestort door de aardbeving, met balken gestut. De rijkste stulpen zijn van baksteen, de andere van aarde en kalk, de armoedigste van gepleisterd stro. Op de begane grond liggen donkere magazijnen met vaten pek, teer, peper, kopersulfaat, gedroogde vis, zibibbo enzovoorts: heer en meester van deze omvangrijke handel in koloniale waren zijn de Grieken. Mager en donker of dik en bleek staan ze in de deur van de magazijnen, de armen over hun borst gekruist, een sigaret aan hun onderlip, de enorme zwarte wenkbrauwen boven hun doffe blik, boven de benige lange haviksneus met trillende, felle, fijngevoelige rode neusgaten in hun sepiakleurige gelaat.

In heel de Badalan, de havenwijk, heerst de gebruikelijke opwinding. De rivieroever wemelt van soldaten. Een compagnie van de landweer is schuiten met ossen, balen hooi, zakken graan, stapels hout aan het lossen. Het zijn oude, grijze soldaten. Ze pendelen tussen de schuiten en de pier, op en af over de loopplanken, als gele insecten. Op de brug van een schuit zitten vrouwen (met groen-, geel-, roodzijden parasols opgeslagen) op een kluitje suikerwerk te eten. Het zijn de echtgenotes van de kapiteins, de stuurlieden, de scheepseigenaren. Het is een levendig, lieflijk tafereel: die gele soldaten gebogen onder het gewicht van kisten en zakken, die vrouwen op de brug, die felle kleuren en die zachte gebaren in de rivierbries, vol schitterende schimmen van insecten.

Op de kant, aan de rand van de kermis, bereiden een paar soldaten de maaltijd. Het zijn jonge soldaten, ze lachen, sommigen maken knoflook en uien schoon, anderen gooien bonen in de kookpotten, anderen jassen piepers, weer anderen vetten grote pannen in met reuzel, weer anderen snijden het braadvlees in plakken. De bonensoep pruttelt. Een kapitein houdt een oogje op de keukenbrigade en af en toe wendt hij zijn gezicht en blikt onverschillig naar de haven, naar de vrouwen op de brug van de schuiten, naar de ossen, naar de Russische oever, daar, voorbij het Brateșmeer. Verderop staan de metaalgieterijen van Titan-Nădrag-Călan, die bewaakt worden door wachters met de bajonet in de aanslag.

Een enorme wolk zwarte rook barst los uit de korte schoorsteenpijpen van de metaalgieterijen, omhult de haven, de huizen, de mensen, de ossen, de schuiten. Soms lijkt de haven in brand te staan, lijkt heel de wijk Badalan in lichterlaaie te staan. Je ziet soldaten achter wegrennende ossen, achter geschrokken paarden aan draven. Een goederentrein rangeert, onophoudelijk fluitend, bij het station, dat eveneens door de aardbeving is verwoest. Alles kleurt donkerblauw in de wijk Badalan: ramen, luiken, deuren, leuningen, hekken, uithangborden, zelfs de gevels van de huizen. Het is bijna een schaamteloze herinnering aan de zee op de oever van deze bleke, bijna blanke rivier.

Bij de silo’s, achter de gieterijen, staan soldaten en arbeiders op te kijken naar een aanplakbiljet dat net aan de muur is bevestigd. Het is het aanplakbiljet waarmee de regering de levenslange dwangarbeid bekendmaakt van Horia Sima en andere legerleiders. Ze staan daar voor het aanplakbiljet als voor een schilderij. Ik vraag me af of ze wel kunnen lezen. Ze hebben uitgebluste ogen, een vlak gezicht: nee, ze kunnen niet lezen. Dan lacht er een soldaat, de anderen beginnen onderling te praten. Ze hebben het over de vorderingsprijzen van het vee, over de dreigende oorlog. Terwijl ik omkeer, stijgt er een donkere wolk op van het Brateșmeer. Het is een onmetelijke donkere vleugel die de lucht verduistert boven de rivier, boven de haven, boven de stad: een wolk raven. De doodsvogels krassen boven de daken van de huizen. Ik loop de Strada Brașoveni in. Op een gegeven moment valt er iets uit de lucht op de mensen op het trottoir. Niemand die blijft staan, niemand die zich omdraait. Ik kom dichterbij, ik kijk. Het is een stuk rot vlees dat een raaf uit zijn snavel heeft laten vallen.

Curzio Malaparte 
De Wolga ontspringt in Europa 
Oorspronkelijke titel Il Volga nasce in Europa
Vertaling Jan van der Haar 
Paperback met flappen, 288 blz.
€ 24,50
ISBN 9789083212739

 

Curzio Malaparte
Cees Nooteboom
Uitgeverij Koppernik

Meld u aan voor onze nieuwsbrief en ontvang bericht bij nieuwe boeken.

Dank voor uw aanmelding.