Aan de vooravond van de Angolese onafhankelijkheid metselt Ludo, een vrouw met straatvrees, zich in haar flat in Luanda, waar ze de volgende dertig jaar zal blijven. Ze leeft van groenten en duiven, verbrandt haar meubels en boeken om in leven te blijven en houdt zichzelf bezig door haar verhaal op de muren van haar huis te schrijven.
Terwijl het land de verschillende politieke stadia doorloopt van kolonie naar socialistische republiek en van burgeroorlog naar vrede en kapitalisme sijpelt de buitenwereld langzaam Ludo’s leven binnen.

 

Met de De theorie van het vergeten stond Agualusa op de shortlist van de The Man Booker International prize en won hij de Dublin Literary Award. 

‘Wanneer Agualusa een trauma in het verleden van Ludovica beschrijft, suggereert hij parallellen tussen haar agorafobie en de kolonisatie van Angola door Portugal. In de onafhankelijkheid van Angola en het einde van de burgeroorlog zien we de hoop op vrijheid voor Ludovica, vrij van haar traumatische herinneringen en haar angst voor mensen.’ The Guardian

‘Zonder enige twijfel een van de belangrijkste Portugeestalige schrijvers van zijn generatie.’ António Lobo Antunes

‘Mix J.M. Coetzee met Gabriel García Márquez en je hebt José Eduardo Agualusa, Portugals volgende kandidaat voor de Nobelprijs.’ Alan Kaufman

Ludovica hield niet van de hemel. Als kind al was ze doodsbang voor open ruimten. Wanneer ze van huis wegging, voelde ze zich zwak en kwetsbaar, als een schildpad waarvan het pantser is afgerukt. Op haar zesde, zevende weigerde ze naar school te gaan zonder de bescherming van een enorme zwarte paraplu, wat voor weer het ook was. Noch de boosheid van haar ouders noch de wrede spot van de andere kinderen kon haar daarvan afbrengen. Later werd het beter. Tot datgene gebeurde wat ze Het Ongeluk noemde en ze die aanvankelijke vrees als een voorteken beschouwde.

Na de dood van haar ouders trok ze in bij haar zus. Ze ging nauwelijks uit. Verdiende wat geld met het geven van bijles Portugees aan verveelde pubers. Daarnaast las, borduurde en kookte ze. En speelde piano en keek tv. Bij het vallen van de avond liep ze naar het raam en keek naar het donker alsof ze zich over een afgrond boog. Haar zus Odete schudde dan boos haar hoofd: ‘Wat heb je toch, Ludo? Ben je soms bang dat je tussen de sterren valt?’

Odete gaf Engels en Duits op het lyceum. Ze hield van haar zus en ging nooit op reis om haar niet alleen te laten. De vakanties bracht ze thuis door. Sommige vrienden roemden haar om haar edelmoedigheid, anderen vonden het overdreven wat ze deed. Ludo kon zich niet voorstellen alleen te wonen, maar het verontrustte haar wel dat ze een last was geworden. Ze zag haar zus en zichzelf als Siamese tweelingen die met hun navel aan elkaar vastzaten. Zijzelf verlamd, bijna dood, en de ander, Odete, gedwongen haar overal mee naartoe te slepen. Ze was tegelijk blij en ontzet toen haar zus verliefd werd op een Angolese mijningenieur. Orlando, een kinderloze weduwnaar die naar Aveiro was gekomen om een ingewikkelde erfeniskwestie te regelen. Hij was geboren in Catete, maar woonde afwisselend in de hoofdstad van Angola en Dundo, een stadje dat gesticht was door het diamantbedrijf waarvoor hij werkte. Twee weken nadat ze elkaar toevallig hadden ontmoet in een lunchroom vroeg Orlando Odete ten huwelijk. Omdat hij vreesde dat Odete anders toch nee zou zeggen, stelde hij voor dat Ludo bij hen kwam wonen, en een maand later zaten ze in een reusachtig appartement op de hoogste verdieping van een van de meest luxueuze flatgebouwen van Luanda, de Flat der Benijden.

De reis was moeilijk geweest voor Ludo. Verdoofd door kalmeringsmiddelen was ze zuchtend en steunend thuis vertrokken en ze had de hele vlucht geslapen. De volgende morgen had ze de draad van haar dagelijkse routine weer praktisch onveranderd opgenomen. Orlando bezat een kostbare bibliotheek van duizenden boeken in het Portugees, Frans, Spaans, Engels en Duits, waaronder bijna alle grote klassiekers uit de wereldliteratuur. Ludo beschikte nu over veel meer boeken maar ze had minder tijd, want ze had per se gewild dat de twee dienstmeisjes en de kokkin weggestuurd werden, omdat zij in haar eentje voor het huishouden zou zorgen.

Op zekere dag kwam de ingenieur thuis met een kartonnen doos, die hij voorzichtig overhandigde aan zijn schoonzus: ‘Hier, Ludovica, dit is voor jou. Heb je wat gezelschap want je bent veel te veel alleen.’

Ludo maakte de doos open. Er zat een pasgeboren wit hondje in dat haar verschrikt aankeek.

‘Een Duitse herder. Een mannetje,’ legde Orlando uit. ‘Ze groeien snel. Dit hier is een albino, die zie je niet vaak. Hij mag niet veel zon hebben. Hoe ga je hem noemen?’

Ludo aarzelde geen moment: ‘Spook!’

‘Spook?’

‘Ja, het lijkt net een spook, zo helemaal wit.’

Orlando haalde zijn knokige schouders op: ‘Als jij het zegt. Dan wordt het Spook.’

Vanuit de woonkamer liep er, ietwat uit de tijd, een smalle smeedijzeren wenteltrap naar het dakterras. Je had daar uitzicht op een groot deel van de stad, de baai, de landtong, die het Ilha wordt genoemd, en in de verte een lang snoer van verlaten strandjes tussen het schuim van de golven. Orlando had de ruimte benut voor de aanleg van een tuin. Een pergola met bougainvilles wierp een geurende lila schaduw op de ruwe tegelvloer. In een van de hoeken stonden een granaatappelboom en een aantal bananenbomen. Bezoekers vroegen altijd verbaasd: ‘Bananen, Orlando? Verbouw je bananen?’

De ingenieur ergerde zich daaraan. Die bananenbomen deden hem denken aan de tuin tussen lemen muren waar hij als kind had gespeeld. Als het aan hem had gelegen had hij ook mango’s en mispels gehad, en een heleboel papajabomen. Wanneer hij thuiskwam van kantoor ging hij daar, met een glas whisky binnen handbereik en een zwarte sigaret in zijn mond, zitten kijken naar de nacht die bezit nam van de stad. Altijd met Spook naast zich. Het hondje was ook dol op het terras. Ludo daarentegen weigerde naar boven te gaan. De eerste paar maanden durfde ze niet eens in de buurt van de ramen te komen.

‘De hemel boven Afrika is veel groter dan bij ons,’ zei ze tegen haar zus. ‘Die verplettert je.’

Op een zonnige dag in april kwam Odete tegen de middag opgewonden en verschrikt thuis van school om te eten. Er was chaos uitgebroken in de stad. Orlando zat in Dundo, maar hij kwam nog diezelfde avond naar huis en trok zich met zijn vrouw terug in de slaapkamer. Ludo hoorde hen druk praten. Zij wilde zo snel mogelijk weg uit Angola: ‘De terroristen, schat, de terroristen…’

‘Terroristen? Gebruik dat woord nooit meer in mijn huis.’ Orlando schreeuwde nooit. Hij fluisterde op scherpe toon, zijn stem drukte zich als een mes op de keel van degene tegen wie hij sprak. ‘Die terroristen hebben wél gevochten voor de bevrijding van mijn land. Ik ben Angolees. Ik ga niet weg.’

Er volgden bewogen dagen vol demonstraties, stakingen en meetings. Ludo hield de ramen dicht om te voorkomen dat het appartement overspoeld werd door het gelach van het volk op straat, dat door de lucht knalde als vuurwerk. Orlando was de zoon van een kruidenier uit Minho die zich in het begin van de eeuw in Catete had gevestigd, en een halfbloed Luandese, die in het kraambed was gestorven, en hij had nooit familiebanden aangehouden. Een van zijn neven, Vitorino Gavião, kwam in die tijd weer opdagen. Hij had vijf maanden in Parijs gezeten, waar hij in de stamkroegen van Portugese en Afrikaanse ballingen had gedronken, geflirt, samengezworen en poëzie geschreven op papieren servetjes. Dat had hem het aureool van een romantische revolutionair verleend. Hij kwam telkens als een wervelwind binnenstormen en liet een puinhoop achter op de boekenplanken en in de glazenkast. Spook werd er doodzenuwachtig van. Het hondje liep grommend en blaffend op een veilige afstand achter hem aan.

‘De kameraden willen met je praten, man,’ schreeuwde Vitorino terwijl hij Orlando een por tegen zijn schouder gaf. ‘We zijn een voorlopige regering aan het vormen en we hebben kaders nodig. Jij bent de juiste man.’

‘Dat zou wel kunnen ja,’ gaf Orlando toe. ‘Kaders hebben we trouwens genoeg, denk ik. Wat ontbreekt is opvulling.’

Hij aarzelde. Ja, mompelde hij, het vaderland kon rekenen op de ervaring die hij had opgebouwd, maar hij was bang voor de extremere elementen in het hart van de beweging. Hij zag de noodzaak van meer sociale gerechtigheid best wel in, maar de communisten, die de hele sakkerse boel wilden nationaliseren, joegen hem angst aan. Onteigenen. De blanken verjagen. De middenklasse tandeloos maken. Hij, Orlando, was trots op zijn perfecte glimlach en wilde geen kunstgebit in zijn mond. De neef moest hartelijk lachen, weet het overdreven taalgebruik aan de euforie van het moment, prees de whisky en schonk zijn glas nog eens vol. Die neef met zijn ruige Jimi Hendrix-kop en zijn bezwete borst onder een half open bloemetjeshemd boezemde de zussen angst in.

‘Hij praat als een neger,’ placht Odete op verwijtende toon te zeggen, ‘en hij stinkt naar de bushbush. Als hij hier komt verpest hij de lucht in de hele flat.’

Orlando werd dan woedend en beende met slaande deur naar buiten. Aan het eind van de middag kwam hij terug, nog droger en scherper, alsof hij een doornstruik was. Gevolgd door Spook liep hij met een pakje sigaretten en een fles whisky naar boven en bleef op het terras. Als hij later op de avond terugkwam, bracht hij het donker en een sterke drank- en tabakslucht mee. Hij struikelde over zijn eigen voeten, botste tegen de meubels aan en gromde verbitterd tegen dat verdomde kutleven.

De eerste schoten duidden het begin aan van de grote afscheidsfeesten. Jongeren sneuvelden zwaaiend met vlaggen op straat en de kolonisten gingen ervandoor. Rita, uit het appartement ernaast, verruilde Luanda voor Rio de Janeiro. De avond voor haar vertrek nodigde ze tweehonderd vrienden uit voor een maaltijd die duurde tot het licht werd.

‘Wat we niet opgedronken krijgen mogen jullie hebben,’ zei ze tegen Orlando, en ze liet hem de voorraadkamer zien, waar hele dozen met de beste Portugese wijnen opgestapeld stonden. ‘Zorg dat je alles opdrinkt. Dat er geen druppel overblijft voor die communisten.’

Drie maanden later was het flatgebouw zo goed als leeg. Daar stond tegenover dat Ludo niet wist waar ze alle flessen wijn, kratten bier, conservenblikken, rauwe ham, bacalhau en pakken zout, suiker en rijst moest laten, plus een eindeloze hoeveelheid toiletgerei en schoonmaakspul. Orlando had van een vriend die sportwagens verzamelde een Chevrolet Corvette en een Alfa Romeo gta gekregen, en een andere vriend had hem de sleutels van zijn appartement gegeven.

‘Ik heb nooit geluk gehad,’ klaagde Orlando bij de twee zussen, en het was moeilijk uit te maken of dat ironisch of serieus bedoeld was, ‘en nu ik eindelijk ook eens een keer auto’s en appartementen begin te verzamelen, willen de communisten me meteen weer alles afpakken.’

Ludo zette de radio aan en de revolutie golfde naar binnen: Die troep komt door de macht van het volk, herhaalde een van de populairste zangers van dat moment. Hé broer, zong een ander, heb je naaste lief / kijk niet naar de kleur die hij heeft / zie in hem alleen een Angolees. / Als het volk van Angola één is / komt de onafhankelijkheid vanzelf. Sommige melodieën pasten niet bij de tekst. Ze leken gejat van liedjes uit een ander tijdperk, ballades zo triest als het licht van een ouderwetse schemering. Half verborgen achter de gordijnen gluurde Ludo door het raam en zag beneden vrachtwagens vol mannen voorbijrijden. Sommigen hielden vlaggen omhoog, anderen spandoeken met leuzen:

Onafhankelijkheid nu!

Vijf eeuwen kolonale onderdrukking: basta!

Wij willen de Toekomst!

De eisen eindigden op uitroeptekens en die uitroeptekens voegden zich bij de kapmessen die de betogers droegen. De messen glinsterden ook op vlaggen en spandoeken. Sommige mannen hadden er in elke hand een. Hoog boven hun hoofd sloegen ze de klingen tegen elkaar, een luguber lawaai.

Ludo droomde een keer dat er onder de straten en de statige huizen van de benedenstad een eindeloos netwerk van tunnels liep. De wortels van de bomen hingen los in de gewelven. In die kelders woonden duizenden mensen, ondergedompeld in de modder en het donker, en ze hielden zich in leven met wat de koloniale bourgeoisie in de goot gooide. Ludo liep tussen het gewoel door. De mannen zwaaiden met kapmessen. Ze sloegen de klingen tegen elkaar en het geluid galmde door de tunnels. Een van hen kwam naar haar toe, drukte zijn vuile gezicht tegen dat van de Portugese en glimlachte. Met een zware, zoete stem fluisterde hij in haar oor: ‘Onze hemel is jullie grond.’

Vertaling Harrie Lemmens
Paperback met flappen,  
€ 18,50
ISBN: 9789492313058
Verschenen december 2015

José Eduardo Agualusa

Ook interessant: