Drie jaar, twaalf seizoenen, twaalf hoofdstukken. Steden, bossen, treinen, de zee. Ruigoord, Berlijn, Pécs, de kust, een boerderij, een Noors eiland, Den Haag, de Rijn, de Karpaten, Lviv, Odessa. Mieren, kwallen, een ezel, vogels, passanten. Een dichter, zwervend, vrij en buiten.

De lente barst open
Mijn huis staat tussen bossen
Maar ik zal verder trekken
Lof voor de zang van de merel

Wolken &c. bezingt de vormen, de veranderlijkheid, het reizen, het schrijven & het mijmeren.

‘Maar laten we schrijvers als Niedekker (1963), wiens Oksana in 2017 op de shortlist van de Fintro Literatuurprijs stond, koesteren. Ik ken echt niemand die de stilte van een bibliotheekzaal, vol met lezers, zo liefdevol bezingt als hij. En hij heeft er nog gelijk mee ook.’ NRC Handelsblad

‘Niedekker gaf Wolken&c. de treffende ondertitel vademecum, Latijn voor ‘ga met mij’ en gangbare term voor een naslagwerk of wegwijzer. Het is een rijk boek, vol grootse beschrijvingen en gebaren, zonder ooit pretentieus te worden. Niedekker schrijft met een grote eerbied voor de dingen, het boek is een ode aan de verwondering. Ontbreekt het u aan de nodige tijd en middelen om te reizen en heeft u het daar moeilijk mee, zoek dan uw toevlucht in dit boek.’ Tzum

Om rechte lijnen te kunnen trekken maakte Vermeer gebruik van een krijtsnoer. Vanuit het beoogde verdwijnpunt op een schilderij spande hij een aan een speld bevestigd stuk touw dat met krijt was ingewreven. De diagonalen voor de tegelvloeren, denkbeeldige horizon en zichtlijnen markeerde hij door het touwtje op te lichten en dan los te laten, zodat op het doek een dun laagje krijt achterbleef. Hierlangs kon hij de gewenste lijn schilderen. Van de slaglijnen is niets meer te zien maar boven de rechterhand van de melkmeid op het naar haar vernoemde schilderij zit op de plek van het verdwijnpunt een gaatje in het doek.

Hoe technisch Vermeer ook te werk ging, hij is de meester van de in gebogen lijnen uitgedrukte weifeling, ingekeerdheid of concentratie. De soepele pols van het melkmeisje, de gave schouder van de brieflezende vrouw in het blauw, de boog van de arm die het raam vasthoudt van de vrouw met waterkan.

 

Hij zoekt deze vloeiende lijn.

‘Hij’ – het kan ook ‘het’ zijn of ‘ik’ of ‘u’ of ‘wij’.

Hij dus, maar hij verandert in een handomdraai in ik en in jij en in wij, en ik verandert in jij en jij verandert in het en het verandert in hij en hij verandert in wij en wij verandert in &c.

Hij – een dichter, een schrijver, een mijmeraar in de eerste plaats, een dagdromer, een decorbouwer, meer in zijn fantasie dan op een toneel, een brenger van verhalen, meer als postbode dan als reiziger met een rarekiek, een jager.

Hij kan uitmuntend jagen. Als hij de boog spant is hij de boog, als hij de pijl richt is hij de pijlpunt en op het moment dat hij de pijl loslaat is hij de valk geworden. Hij voelt de pijn van de torenvalk in zijn eigen borst.

Maar om eerlijk te zijn, hij jaagt nooit met pijl en boog, hij jaagt met woorden, nog liever met dromen, maar als hij met woorden jaagt dan met verhaspelde woorden.

Hij neemt het niet zo nauw met grenzen en afbakeningen.

Hij.

Ergens in de tijd.

Hij zoekt de bij Vermeer triomferende vloeiende lijn. Hij zoekt die in de curve van de keeper in een snoekduik. In de oppervlaktespanning van de bellen die regendruppels op een meer maken. In de gladde omtrek van een door wind, regen en zand gepolijste kiezel.

De vervagende lijn van iemand die verdwijnt. De superieure kromming die op het gezicht van de kantwerkster beschreven wordt, van haar wang over het jukbeen naar haar slaap. De gekromde pink van de gitaarspeelster. De licht geopende mond. Ze draagt een geelsatijnen mantel.

 

De gitaarspeelster herinnert hem eraan dat de melancholie haar gestaag druppelende weg langs de kromme zoekt. Daar hoorde de geur van een internationale trein bij. Een vroeg ontwaken. Hij liep het gangpad op en terwijl de brede wagons door een flauwe bocht gleden, keek hij uit over de glooiende, jonge groene velden waarvan de dauw optrok. Toen wist hij wat het was om alleen te zijn. Een mild gevoel van verlatenheid overviel hem en het leek te vervloeien met de zacht golvende lijnen die de trein en het landschap beschreven.

Hij raakte steeds verder verwijderd van de plek waar hij wilde zijn. Die ochtend, de glooiingen in het landschap, het ongrijpbaar tere groen, de geluidloze vaart van de trein, het lichtjes in de bocht overhellen van de wagons – dat alles vatte zijn stille gemis samen. Er was iets voorgoed verdwenen. Iets wat gedoemd was te verdwijnen, maar nu pas, oog in oog met deze voorwereldse morgen, werd het hem gewaar.

Een vrouw met krullend vlasblond haar keert op het dek van een veerboot met gesloten ogen haar gezicht naar de regen. Op de zandoevers van de rivier liggen roeiboten met de roze, blauwe, okergele rompen naar boven. Er komt een man over het strand aangerend. Hij wenkt op de steiger met zijn aktetas als de veerboot wegvaart. Regendruppels stuiteren op het wateroppervlak. Op de heuvels gaat tussen de bomen een klooster schuil waarvan de gouden koepels net boven de kruinen uitsteken.

 

Bij de huiselijke rust van Het straatje weet hij dat zitten in de deuropening kan volstaan. En zien hoe de avond valt. Hoe het blauw wit wordt, dan grijs, vervolgens violet, zwart. De wind gaat liggen. De eerste sterren breken door. Geritsel in de struiken en in het gras. Een egel? In een huis gaat op de eerste verdieping een licht aan en enkele tellen later weer uit. Een gordijn wordt dichtgetrokken.

Het is voldoende om dag in dag uit ’s avonds op een duintop te zitten. Hij kijkt naar de zee, het wijkende licht, de stilte, waarvan de branding de omlijsting is. De avond zeilt kalmpjes naar de horizon. Het lijkt absurd dat de volgende dag alles opnieuw begint. En dat ook die dag achter de zee zal verdwijnen. Hij wil met een zeilschip mee naar het einde van de wereld. Hij wil als de avond verdwijnen, oplossen in de nacht.

 

Van De kantwerkster naar de hemel is een kleine stap, want kant is een handeling in stof en lucht. Het vliegtuig glijdt traag en geluidloos, als een schip, door de met schapenwolken beklede
hemel. De romp vlamt op als een glimp van een ster, de vleugel blikkert. Dan verdwijnt het toestel in een witte wolk, alles in volkomen stilte, om blinkend, licht hellend in een ruime bocht naar het zuiden weer tevoorschijn te komen.

Dat is soevereiniteit, het vermogen onverstoorbaar een gave curve te beschrijven. De zalvende hand van de priester, de trage rivier die lui meandert, de hals van een zwaan of de lijnen van een ei.

Zo waardig en kalm wensen wij te leven, maar het gaat met horten en stoten, met plotselinge rukken aan het stuur, noodstops en versnellingen waarbij we bijna overboord vallen. Hoe jaloers of bewonderend of jaloers én bewonderend kijken we naar de roofvogel in zijn imposante vlucht. De hemel hoort hem toe. En wij met ons gedribbel en struikelingen kunnen nergens aanspraak op maken. Misschien dat we daarom zo frenetiek bouwen, zo hopeloos driftig in de weer zijn (‘Gebeurt er? Gebeurt er?’), omdat we het meest simpele niet verstaan, namelijk een gave curve uitvoeren, behalve wanneer we duiken. Een duik in een ochtendblauw bassin. Als vis zijn we soeverein.

Een reiger kan in de schemering met zijn trage vleugelslagen imponeren als een wezen uit een andere tijd, maar zo gauw hij zijn schelle roep laat horen is de betovering verbroken. We glimlachen en voelen ons met hem verwant.

Als we berusten in ons onvermogen, en stil zijn, komen we dicht in de buurt van de arend in zijn autonome glijvlucht. De blinde Oidipous, de blinde King Lear. In de valavond glijdt een roeier in zijn glimmende boot door de stille rivier. Een schaatser verdwijnt in de vrieskoude lucht aan de horizon.

 

Maar nu het klapstuk, Vrouw met waterkan. Op een dag zal hij in Oslo Sentralbanestasjonen rond vier uur in de middag op de trein naar Bergen stappen. Een zaterdagmiddag? Hij heeft niet veel bagage bij zich, een kleine handkoffer met daarin een paar boeken die hij lang geleden heeft gelezen, een blocnote, een dichtbundel van een Noorse dichter, wat spullen voor de nacht. Hij weet in welke richting de trein vertrekt.

Van Oslo naar Bergen – dat benadert de over de eeuwigheid uitgestrekte ovaal.

Zal het een vorstheldere winterdag zijn? Zal het stormen of sneeuwt het? Hij weet waarom hij aan de reis is begonnen, maar nu de trein vertrekt wordt hij door twijfel overvallen.

Hij is gewend aan die vlagen van onzekerheid.

Hij pakt het boek van de Noorse dichter. Het staat hem allemaal weer helder voor de geest. Maar was hij toen niet in Trondheim? Of was dat eerder? Zou hij niet met de nachttrein naar Bodø vertrekken? Naar Stockholm?

Hij reist naar Finse, het hoogste punt van de Bergensbanen, 1200 meter boven zeeniveau. Hij kent er de bergen, de stugge wind, het blauw van de gletsjer, de hut waar hij zal overnachten. Na drie uur reizen zal, als hij in de zomer reist, een boer in een veld langs het tracé staan. Hij heeft op het naderende geluid van de trein het hooien onderbroken. Hij leunt op de steel van zijn vork. Achter hem ligt op een houten kar het grijsgele gras opgetast. Hij wil iets zeggen, hoe de oogst is dit jaar, dat het een goede zomer was, dat hij de eerste ganzen naar het zuiden heeft zien trekken.

Maar hij reist deze keer in de winter. De boer zal hij zich herinneren. En die zomer en de ganzen en het hooien.

De trein begint te klimmen, het gebergte in. Elke klim houdt een belofte in, als elke bocht, iedere kromming. De curves van een vrouwenlichaam. Diepe, slingerende dalen ontvouwen zich voor zijn oog. Hij kijkt op zijn horloge en als de trein boven de boomgrens komt, als rotsblokken, donkere gekloofde bergwanden en ongenaakbare meren het uitzicht bepalen wordt hij gegrepen door nervositeit.

De trein mindert vaart. Met een bezwaard hart springt hij, zoals hij het zich had voorgesteld, uit de trein een perron op van deels aangestampte, deels verse rulle sneeuw.

Finse.

Zijn geest registreert het lichtblauw van de gletsjer, maar hij loopt instinctief naar een gebouw, in de hoop een witte hond te vinden. En dan, als hij naast de hond knielt en een arm om hem heen slaat, als de hond gaat zitten, tegen hem aanleunt, zijn kop omdraait, met zijn neus die van hem beroert en er een zweem van herkenning voorbijtrekt in de ijsblauwe ogen, dan heeft hij het antwoord gekregen. De moeite, de pijn is niet zinloos geweest.

Veel later, jaren later, zal hij in een konditorei in Oslo een vrouw met blauw haar ontmoeten en over dans praten.

Hij legt zijn hoofd tegen de kop van de hond aan. Hij sluit zijn ogen. De trein is vertrokken. Dat was het. 1222 meter boven de zeespiegel. 302 kilometer van Oslo, 169 kilometer van Bergen.

 

Hij begint. Hij besluit te beginnen, en dat ís het begin, het exacte begin. Al zal het nog jaren duren voor hij op de trein naar Bergen stapt, hij begint. Zijn reis zal drie jaar omvatten. Twaalf jaargetijden plus een dertiende als hij naar Finse reist, maar die vierde winter valt buiten de reis, dan verkeert hij al binnen het domein van het weten, het ononderbrokene.

Hij begint. Het begint. U begint. Ik begin. Wij beginnen.

 

Paperback met flappen
400 blz.
Prijs € 21,50
ISBN 978 94 923 1352 2
Verschenen oktober 2018

Donald Niedekker