Nadat docent klassieke talen Adriaan zijn vrouw Aimée heeft verloren, trekt hij naar Italië, daar werkt hij verder aan een project waar hij al jaren mee bezig is: hij wil de laatste weken beschrijven van het leven van keizer Hadrianus – de periode die Marguerite Yourcenar in Mémoires d’Hadrien niet heeft verteld. 

Hij treedt in de voetsporen van Hadrianus en verblijft in Rome, in Napels en ten slotte in Baia, de oude Romeinse badplaats waar de keizer volgens overlevering op de tiende juli van het jaar 138 stierf. Terwijl hij werkt aan de beschrijving van de laatste reis van de keizer dringen gedachten aan Aimée zich steeds sterker aan hem op en durft hij het eindelijk aan in haar nagelaten dagboeken te lezen.

Het einde van het lied is een verzengende tour de force over liefde, noodlot en aanvaarding, waarin Willem du Gardijn op geraffineerde wijze fictionele en historisch-biografische verhaallijnen verweeft.

Willem du Gardijn (1964) debuteerde in 2008 met de roman Monografie van de mond, waarmee hij werd genomineerd voor de Academica Literatuur Prijs. In 2011 verscheen de verhalenbundel Negen raven en in 2016 de roman Bevrijding. Zijn verhalenbundel Het grote vakantiepark, die in 2018 verscheen, stond op de longlist van de BookSpot Literatuurprijs.

 
 

‘En dan is er het meest afstandelijke verhaal, het historische, waarin Du Gardijn zich het aura van Yourcenar aanmeet en daar ook nog eens met glans in slaagt.’ Knack Focus (*****)
https://focus.knack.be/entertainment/magazine/willem-du-gardijn/article-normal-1775095.html

‘Dat begint al met dat eerste ‘lied’, dat het soort literatuur is waar je af en toe even afstand van moet nemen omdat het een te grote aanslag op de zenuwen is. Zoals Wessel te Gussinklo’s De opdracht je af en toe te veel kan worden, of de scène waarin er in Geheime kamers van Jeroen Brouwers in een kas gevreeën werd, zo heb je er ook een kluif aan om het eerste deel van Het einde van het lied achter elkaar uit te lezen.’ NRC (****) 
https://www.nrc.nl/nieuws/2021/09/09/hoe-wordt-die-weduwnaar-ineens-romeins-keizer-a4057778

‘Ingenieuze stijlregisters’ De Morgen 
https://www.demorgen.be/tv-cultuur/deze-vier-nieuwe-boeken-zijn-meer-dan-de-moeite-waard~bfc95f2d/?referrer=https%3A%2F%2Fwww.google.com%2F&utm_campaign=shared_earned&utm_medium=social&utm_source=copylink

 

Over Het grote vakantiepark:

‘Du Gardijns gedistingeerde stijl levert verrassingen op.’ NRC Handelsblad

Over Bevrijding:

‘Onzinnig, schandelijk, diep triest en raar vrolijk.’ De Groene Amsterdammer

Over Negen raven:

‘Een inspirerend en onderhoudend avontuur.’ de Volkskrant

 

In de hitte van de junimaand was een reis bezwaarlijk, waarde Marcus, maar in Baiae kon ik beter ademhalen. Ik ging vertrekken, het besluit was genomen. Hermogenes had overlegd met zijn assistenten, zij waren allen tot dezelfde conclusie gekomen. Het zwellen van mijn benen was een teken dat mijn situatie verslechterde. Als u, mijn heer, nog in uw villa aan zee wilt zijn, moet u niet langer aarzelen, zei hij. 
Hermogenes zat als een slaaf op zijn knieën voor mij. Ik zat op de rand van mijn bed, wachtte gedwee af wat mijn lijfarts verder ging zeggen. Ik had nauwelijks kracht genoeg om mijn nek gestrekt te houden, maar liggen kon ik niet wegens onverdraaglijke pijn in de lage delen van mijn rug. Die pijnen waren volgens Hermogenes het gevolg van een slechte spijsvertering. In plaats van mijn rug behandelde hij de laatste dagen mijn buik door er links en rechts van mijn navel met zijn vingers diep in te prikken. Zo diep dat het pijn deed en er rode vlekken achterbleven op de huid. Ik was voorbij het stadium dat ik uitleg vroeg over handelingen die hij verrichtte. Ik wilde hem niet dwingen te zeggen dat hij het niet meer wist.

De voorbereidingen voor de reis naar mijn villa in Baiae waren in volle gang. Er was overal bedrijvigheid, voor mijn werkpaleis, bij de grote en kleine thermen, voor de personeelsvertrekken, in de magazijnen, in de vestibula, op de trappen bij de dierenverblijven waar ik gedurende mijn wandeling graag een paar minuten stilstond in de schaduw.

Bethunius, een man van in de veertig met lang goudblond haar, had mij per bode de vraag voorgelegd of ik behalve paarden andere dieren wilde meenemen. Ik was daar nog niet uit. Het zou kunnen dat ik Florius mee wilde nemen omdat hij mij beter dan mijn nederigste slaaf gehoorzaamde en ik hem verdragen kon als ik pijn leed die ik met mensen niet kon delen. Zijn ondersteuning zat hem erin dat hij het grootste deel van de dag alleen maar lag, aan mijn voeten of naast mijn bed, in mijn tuin of voor de ingang van mijn privévertrekken op mijn eiland. En geluiden maakte hij niet, wat mogelijk ook aan mijn doofheid kon liggen, constateerde Hermogenes, die iets deed wat hij nooit deed, hij lachte.

Ik vertelde Hermogenes dat Florius tijdens het laatste rondje om mijn eiland met mij meegezwommen was. Ik hoopte dat mijn vermoeidheid bestreden kon worden met oefeningen waarin ik mijn gehele lichaam strekte. Met zijn poten voor zich uit trappelend ging Florius net zo langzaam als ik door het donkergroene water. Soms zakte hij met een scheve kop onder water zodat ik eraan twijfelen moest of hij überhaupt zwemmen kon, tegelijkertijd wist ik dat hij met mij speelde, hij deed alsof, om mij te vermaken. Ik zei tegen Hermogenes dat ik mijn leven gegeven zou hebben als hij werkelijk niet meer boven dreigde te komen, mijn leven dat met zoveel moeite te beëindigen was, hoewel ik de goden prees voor het respijt dat ik gekregen had.

Als Florius meeging moest Bethunius ook mee. Ik wist niet of Bethunius op de villa gemakkelijk vervangen kon worden, maar zijn mening daarover was niet relevant. Als ik wilde dat hij meeging, dan ging hij mee. Bethunius was geen onaardige man, de omgang met dieren had zijn karakter zacht gemaakt. Ik zag nooit eerder iemand die zoveel gaf om het welzijn van dieren. Zijn verzoek op de villa geen dierengevechten te laten plaatsvinden honoreerde ik, sindsdien kon ik niet verder in zijn achting stijgen. Gelukkig was de man met de lange blonde haren zelf op generlei wijze kruiperig.

Ik had de route vastgesteld, daar was geen lange vergadering voor nodig. Net voor en na Teanum Sidicinum lagen de moeilijkste stukken, het ging om een mijl of twintig, niet meer. Voor de rest was de Via Latina in goede staat, nog geen vijf jaar geleden had ik de opdracht gegeven het stuk na Aquinum te restaureren en dat was gebeurd. Met man en macht had men daar gewerkt zoals op zoveel andere plekken in het rijk met man en macht gewerkt werd. Er was geen rijk op aarde dat zo’n goede infrastructuur kende als het onze. Ik was trots op onze verbindingswegen en als ik niet ziek was geweest, zou ik ernaar uitgezien hebben ze te bereizen. Helaas moest ik in een wagen, op een paard was geen optie, ik was te zwak. Dat zei Hermogenes tegen mij, en hoewel ik er moeite mee had ging ik mee in zijn voorstel. Zijn vertrouwen wilde ik niet schaden. 

Hermogenes sloot het niet uit dat als ik me goed voelde ik enkele mijlen op Rubi zou kunnen rijden. En natuurlijk had ik mijn draagstoel, waarvan de kussens niet lang geleden vervangen waren. De met een panterhoofd gedecoreerde notenhouten armleuningen waren behandeld met olie van olijven zodat het haar en de ogen van de dieren zouden glinsteren in de zon.

Rubi was mijn laatste paard, een goed paard, krachtig en gehoorzaam, zoals ik ook van mijn manschappen verwachtte. Toch kon Rubi evenmin als enig ander paard aan mijn goede oude Borysthenes tippen, die op mijn bevel met de gehoorzaamheid van een hond in staat was te knielen en zijn hoofd voor mijn voeten in het zand te leggen. Ook bij anderen deed hij dat als ik het wilde. 

De dag dat ik Borysthenes begraven moest net buiten Narbo Martius in Gallia was ik nooit vergeten. Het gerucht was buiten mij om in het leven geroepen dat een slagtand van een everzwijn hem doorboord zou hebben. Dat was niet waar, mijn hengst struikelde over een rots en brak op twee plekken zijn rechtervoorbeen, terwijl ik een paar meter verderop zacht in de struiken terecht was gekomen. Mijn beste hengst ooit kon niet verder, hij moest sterven. Mijn verdriet was groot. Ik gaf het hem nooit, maar Borysthenes had een gouden bit verdiend. 

Feronia, die in de verre verte familie van mij was, verzorgde Rubi. Ze deed dat werk uitstekend. Ze roskamde Rubi dagelijks terwijl ze met hem praatte over haar dagelijkse zorgen, waarop het dier vriendelijk en vol begrip reageerde, dat was haar indruk. Ik gaf haar toestemming Rubi te berijden zodat de conditie van het dier door mijn onvermogen geen gevaar liep. Feronia huldigde de opvatting dat paarden net als apen konden lachen. Ik zou het graag met haar eens zijn geweest. Lachen was een menselijke eigenschap die de eenheid tussen paard en berijder perfect kon maken. Toch huisde in lachen een vorm van ongehoorzaamheid. Ik had het nooit van mijn troepen geaccepteerd als zij met gelach reageerden op ernstig bedoelde bevelen. 

De koelte van de nacht zou mij toestaan na het vertrek nog te kunnen liggen, misschien zelfs te slapen. Hermogenes zei (met vriendelijke woorden, zoals ik van hem gewend was) dat ik me geen zorgen hoefde te maken. Ik kon erop vertrouwen dat mijn lichaam sterk genoeg was. Bovendien had hij een bijzonder middel klaargemaakt dat mij zou helpen de reis te veraangenamen. Ik wist dat hij het zeer wel meende, die schrandere man met zijn geloof in minerale zouten en geneeskrachtige kruiden. 

Zelf was ik niet positief. Mijn onder- en bovenbenen deden als gevolg van zwellingen zo’n pijn dat ik ze liever niet meer had. De organen in mijn buik leken niet langer met elkaar in verbinding te staan, het was alsof ze elkaar afstootten als vijandige legers. Mijn nood was niet alleen lichamelijk, waarde Marcus, zij betrof ook mijn geweten. Ik naderde het einde, maar was niet klaar met mijn aardse bestaan. Ik werd gekweld door de vraag wat waardigheid was. Getuigde het niet van de hoogste waardigheid als een keizer grootsheid en eenvoud in zijn handelen bij elkaar wist te brengen? Had ik grootsheid en eenvoud bij elkaar gebracht als ik mijn leven overzag? Het was alsof een onzekerheid die ik mijn leven lang voelde, maar nooit had toegelaten, in mij naar boven was gekomen en als een heldere gestalte tegenover mij was gaan staan, niet alleen om zich aan mij te tonen, ze gaf mij een opdracht: in mijn laatste overwegingen mijzelf niet alleen als keizer te zien, maar als keizer én mens.

De drukte was het grootst voor de magazijnen van de lage entree tot het vestibulum. Daar tuigde men de wagens en de paarden op. Daar instrueerde Caninius Celer de met indrukwekkende helmen uitgeruste garde, die, als je zijn leden in de ogen keek, niet meer was dan een bende hongerige mannen. Ik zag Bethunius met zijn knechten lopen, sommige honden werden aan een riem gehouden omdat ze wild waren. Feronia had Rubi uit zijn stal gehaald en bereed hem bij de hoge entree tot de villa in het volle zonlicht, rug en nek recht als een plank, haar schouders naar achteren, borst waardig naar voren. De meeste mensen stonden stil als ik passeerde, zij reed door. Ze wist dat ik naar haar keek.

Er werden tonnen met water ingeslagen, manden met broden en vochtrijke vruchten klaargezet om in te laden in de wagens die voor mij uit zouden rijden. Ik riep Celer tot mij en gaf hem de opdracht een bode naar Rome te sturen om uw vader en mijn opvolger Antoninus op de hoogte te stellen dat mijn vertrek aanstaande was. Hij moest mij de volgende keer niet in Tibur, maar in Baiae bezoeken. 

Ik ging de villa verlaten waaraan ik meer dan twaalf jaar gewerkt had, ik verliet de lommerrijke met rozen overgroeide paden, de donkere spelonken onder het Griekse theater, waar Florius het liefst zijn siësta hield en Nola Livia, de verantwoordelijke en de schoonste onder de huishoudsters, elke dag een grote pan water neerzette om hem en zijn roedel in de zomerhitte tevreden te houden. Jaloers ben ik geweest op de slaap van deze dierbare hond, geen wezen wist zich zo kalm met het stof te verenigen, mond open, tong en tanden zichtbaar, geen angst voor het binnendringen van een kwaadaardig insect, geen angst voor het oordeel van een kritisch oog. Ik verliet de stille plekken en paden tussen de paleizen, ik verliet de Canopus, ik verliet het Antinoeion waarmee ik mijn geliefde Antinoüs, die mij zo noodlottig ontvallen was, met het diepste gevoel waartoe ik in staat was herdacht. Ik herdacht hem met gevoel dat alleen priesters konden opwekken als zij in het licht van de nacht omgeven door geuren van brandend poeder van harsen en gommen, die zij met bezwerende handen en de dansende panden van hun toga’s verspreidden voor de gebogen gezichten van ingewijden, het inwendig steen van zijn koude standbeeld in vlees en bloed hadden weten te veranderen. Daarna lukte het mij verder te leven. In de eerste weken na het ongeluk had ik mijn geduld vaak niet kunnen bewaren en spookte het door mijn hoofd zijn voorbeeld te volgen en in het groene water tussen de eenzame oevers van de Nijl of een andere rivier het leven te laten, drijvende op mijn buik zoals hij, de armen en de benen uitgestrekt, maar zonder de indruk te wekken om hulp te vragen omdat De Grens gepasseerd was. Ik wist niet of ik ooit genoeg gezegd zou hebben over dit ongeluk dat tot de meest tragische uit mijn leven behoorde. 

Het zat in mij om snel te reizen, dat deed ik mijn leven lang en nu zou het niet anders zijn. Chabrias, Celer en Hermogenes hadden mij gedrieën met de beste bedoelingen tegengesproken terwijl wij op een avond van de laatste week in de schemering etend en drinkend aanlagen in het heiligdom van Serapis. Omdat mijn gezondheid kwetsbaar was moest ik me in acht nemen. Ik antwoordde: Mijn wil zal geschieden, al moet ik eronder lijden. Vier dagen duurt de reis, meer niet. Het bleef stil, eenieder dronk van zijn wijn uit een glazen beker met verzilverde voet, die Chabrias speciaal voor deze ontmoeting had meegenomen. Twee eenden streken neer op de waterspiegel van de Canopus en bleven tussen de lelies rondzwemmen. Toen het donker was hoorden we gefladder en spatten van water. Door het kaarslicht kon ik de eenden niet zien wegvliegen, maar met de dood verkerend in mijn nabijheid waren zij mythische vogels verbonden met de zielen van mensen die mij ontvallen waren, twee van mijn liefste zielen, Trajanus en Antinoüs, misschien Antinoüs en Plotina, mijn geliefden?

Ik hoopte erop dat ik in gerustheid en kalmte zou sterven, iets wat mij in mijn villa in Tibur niet ging lukken. Ik had een laatste reis voor de boeg. Die reis ging over de aarde in de richting van de zee, maar ook omhoog, de richting op van het firmament dat zich boven de zee uitstrekte, de plaats waar zielen zich na hun aardse leven verzamelden in grote marmeren zalen waarin, als je er eenmaal was, het onderaardse van het bovenhemelse niet te onderscheiden was. Hoe, waarde Marcus, moest ik me de plaats voorstellen waarheen arenden mijn ziel gingen dragen als ik alleen maar gebruik kon maken van kennis die mij op deze aarde gegund was? Ik kon niet ophouden eraan te denken dat ik levend naar Baiae ging en over enkele dagen of weken gebalsemd deze reis zou voortzetten, stijf, in doeken gewikkeld, gelegen op een hoge met lauriertakken en bloemen versierde baar op een kar met een span van vier ossen. Wonderlijk was het dat ik die reis naar het nabijgelegen Puteoli waar mijn lichaam verbrand zou worden van bovenaf gade zou slaan. 

Ik herinnerde me dat ik in Spanje geaccompagneerd door mijn oude levensmoede grootvader Marullinus ooit op mijn rug naar de sterren keek en mij in mijn tunica, die ik half van mij afgeworpen had zodat de wind mijn huid strelen kon, futiel voelde én opgewonden tegelijk; ik was als een jong paard in de groei aangejaagd door zweepslagen van goddelijke verwachtingen, genietend van die zweepslagen omdat de pijn ervan mij hielp te ontdekken hoe groot mijn capaciteiten waren, groot genoeg, ja werkelijk, om een deel van die verwachtingen waar te maken. Hoe wonderlijk was het dat ik over enkele dagen of weken die futiliteit opnieuw zou gewaarworden. Ik zou dat gebalsemde lichaam zien, waaraan ik tweeënzestig jaar mijn vertrouwen schonk, ik zou mensen eromheen zien die ploeterend in een hete zon uitvoerden wat Antoninus, Celer en Chabrias van hen vroegen. Wat was er van mij overgebleven? Zat in dat lichaam op die baar beneden ooit een keizer? Hoog in de hemel mijn leven overziende zou ik meer dan ooit denken dat het keizerschap van geen persoonlijk belang was geweest, dat ik alleen Rome en het rijk, dat wil zeggen zijn mensen dienen wilde.

Paperback met flappen
232 blz.
Prijs: € 21,50
ISBN: 978 90 830 8983 6
Verschijnt: september 2021

Willem du Gardijn

Uitgeverij Koppernik

Meld u aan voor onze nieuwsbrief en ontvang bericht bij nieuwe boeken.

Dank voor uw aanmelding.