Wat als twee mannen, die als jongens hartsvrienden waren maar elkaar uit het oog verloren, elkaar even onverwachts als stil verhoopt na tientallen jaren tegen het lijf lopen op een Egeïsch eiland waar ze inmiddels beiden een onderkomen blijken te hebben?

Natuurlijk wordt er dan over en weer een bezoek gebracht om bij te praten en herinneringen op te halen, maar ook om tot bekentenissen te komen waar ze als zestienjarigen niet de moed voor hadden.

Zal het lukken de hechte vriendschap zodoende weer leven in te blazen, dit keer voor altijd?

Wachten op een vriend is een roman om in één adem uit te lezen om dat meteen daarna nogmaals te kunnen doen.

Over Wachten op een vriend

‘Een pageturner vanjewelste, maar ook een meesterwerk vol verborgen betekenissen’
Benno Barnard in De Standaard *****

‘Als dichter is Beurskens al vaak en terecht gelauwerd. Nog even wachten en dan wordt hij ook als romancier erkend als de belangrijke schrijver, de virtuoze vakman en de meesterlijke verteller die hij is.’
Bart Vervaeck, De Reactor

‘De tweede lezing is de mooiste, [dan] komen Beurskens’ details in een scherper perspectief te staan.’ Peter Buwalda over De verloving

‘Beurskens maakt ons voyeur van vingerspel, van liefdesspel, van jongens- en meisjesspel. Van verliefdheid. En hij zet al zijn stilistisch vernuft in om er iets van te maken, iets moois, vol details, vol warmte, en barstensvol zinnen die de gevoelens […] in wonderbaarlijk licht zetten.’ Kees ’t Hart over De hemelse kamer

‘Ik ken geen andere schrijver die in staat is zoveel reële, mogelijke en verbeelde werkelijkheid op vanzelfsprekende wijze in eigen werk op te nemen.’ Cyrille Offermans

‘In elk prozaboek van Beurskens zijn geweld en dreigende misdadigheid aanwezig, als een onmiddellijke tegenhanger van het onuitroeibaar schuldgevoel.’ Stefan Hertmans

Ik had de behoefte acuut om te keren. Sterker, die behoefte had mij!

Maar wat een kinderachtige behoefte was dat! Dus rukte ik me ervan los. Expres flink stapte ik tegen de steeds taaier wordende weerzin door, terwijl mijn schaduw zich kruiperig schuin achter me bleef ophouden.

 

Maar laat ik bij het begin beginnen.

 

Een van de wandelingen die ik vaak maak, voert over een hoge, eenzame, ooit in de berghelling uitgehouwen landweg, boven langs een zee-engte waar ik meer dan eens dolfijnen heb zien tuimelen. Het vrij steil naar het water aflopende rotslandschap doet kaal aan, maar zoals altijd komt ogen tekort wie ze de kost geeft.

Dezer dagen bloeien de gele vlinderbloemen van lage, kussenvormige stekelige bremmen. Cistusstruiken tonen rozerode en witte bloemen. Voor en tussen de omhooggestoken paarse lippen van de geurige salie gonst het van de hommels en bijen. Bladsprietkevers zitten onder het stuifmeel. Als je heel stil bent en aandachtig luistert, hoor je, achter het zachte sjirpen van de veldsprinkhanen, de rode rotsen in gefluister met de zee. En reken maar, aangezien de buizerd cirkelt, dat er reptielen en kleine knaagdieren tussen de rotsblokken en stenen darren.

In de Oudheid stond het eiland bekend om zijn dichte bebossing. Nu staat langs het stenige slingerpad van een kilometer of vier maar één boom. Ongeveer halverwege. Tegenover waar je op het pad bijna als langs een klif naar beneden kunt kijken. Als je dat durft.

Het is een kleine knoestige, gedraaide en gebogen en daardoor bijna terneergedrukt aandoende hulsteik. Alsof hij altijd door lijvige vogels met brede klauwen als roestplaats wordt gebruikt. Maar nooit heb ik daar aanwijzingen voor gevonden. Zelfs geen desperate hoogzomerse cicade belandt hier ooit. Hooguit schildluizen huizen erin. En zijn stekelige, leerachtige blaadjes lijken vaak meer zwart dan groen.

Een heel bos van zulke bomen zou schrikwekkend zijn, maar onder dat ene boompje zit ik graag, ook wanneer de zon nog niet al te uitgelaten blaakt. Om rust te nemen en me het triomfantelijk komen terugzeilen voor te stellen van de Griekse vloot, bijna tweeënhalfduizend jaar geleden, nadat aan de andere zijde van het bergachtige schiereiland hier tegenover de Perzen in de pan waren gehakt. Of om zomaar het onderlangs varen van een tjoekend vissersbootje te volgen. Of de doorkomst van een gigantisch wit cruiseschip met drie bovendekse zwembaden.

Maar vanochtend werd ik van bloei en groei, van het spel van licht en water, van meeuwenvluchten en het glippen van hagedissen afgeleid toen ik de indruk kreeg dat er al iemand onder mijn eikje zat.

Nooit kwam ik hier iemand tegen. Althans niet iemand die hier niets te zoeken had. Een geitenhoeder kon het niet zijn, want er was niet het minste getingeltangel te horen. Een imker of olijfbomensnoeier kon het evenmin zijn. Die leggen hun weg per stof op­jagende fourwheeldrive af en ze zetten ook verder geen stap te veel.

 

Ik had de behoefte acuut om te keren. Sterker, die behoefte had mij!

Maar wat een kinderachtige behoefte was dat! Dus rukte ik me ervan los. Expres flink stapte ik tegen de almaar taaier wordende weerzin door, terwijl mijn schaduw zich schijterig schuin achter me bleef verschuilen. Ik hield mijn blik strak gericht op de gedaante onder de boom.

De figuur was bezig een van zijn schoenen uit of juist aan te trekken. Zat er een steentje in? Zou het een wandelaar zijn? Een vroegtijdige pensionado als ikzelf?

Ik haatte de kerel op slag. Want dat was het. Geen vrouw, beslist geen vrouw, zo helemaal alleen hier. Ik haatte hem bij voorbaat.

De pas erin, Hendrikus! Een, twee, een, twee, richting trouweloos eikje, een, twee, een… Er zo meteen zonder aarzeling aan voorbij gestiefeld. Hoogstens met een zwak knikje, het hoofd niet meer dan een fractie van een seconde naar opzij, met een schuin oog, een gebrabbelde groet.

Daar doet een uitroep, de exclamatie van een naam, doet mijn allereigenste naam me stilhouden. Stilstaan. Van het ene moment op het andere.

‘Hendrik!’

Paf.

Ik kijk in dat gezicht. Zie dat gezicht. Ondanks de schaduw en een al verblindend zonlicht eromheen dat die schaduw nog donkerder probeert te maken dan hij al is. En ondanks dat de tijd dit gezicht tot onherkenbaarheid zou hebben willen deuken en kreu­kelen.

Een moment lang had ik het gevoel op een andere wereld te zijn.

Waar mijn koelheid vandaan kwam, mag de hemel weten, maar alsof er op deze planeet en alles daaromheen nauwelijks iets was voorgevallen, alsof het tussentijds niet drie- of vierenveertig keer opnieuw zomer en winter was geworden, alsof ik niet meer dan zestienduizend keer mijn schoenen had uitgetrokken en ze net zoveel keer had aangedaan, alsof ik niet meer dan drie straatjes om was gelopen, zei ik: ‘Daar ben je dus weer.’

‘Vind je?’

Toen meldde bewogenheid zich uiteraard ook al.

‘Wat ben ik blij je weer te zien! Ik dacht dat je voor altijd verdwenen was.’

‘Ik net zo.’

‘Hoe gaan we dit weerzien vieren? Sta op, ik wil je omarmen.’

‘Ja, ho, wacht, wacht.’

 

Ik wilde de oude grappenmaker een hand reiken om hem overeind te helpen. Maar hij sprong al lachend op, als een metalen veer uit zijn spanning, zoals een schoolknaap in heel zijn gymnastische jongensachtigheid. Gelukkig droeg hij er een fatsoenlijke lange broek bij.

We sloten elkaar in de armen en beklopten elkanders rug, als om ons ervan te vergewissen niet van doen te hebben met een antropo­morfe stoffige plunjezak waar de botten als door elkaar gekwakte xylofoonstaven in begonnen te rammelen.

O, wat voelde dat nog stevig genoeg aan! Wat klonken tweeën­zestig jaar oud vlees en kalkarmatuur van beide kanten nog voldoende soepel en solide!

Wat nu? Wat toen?

Lerrie bleek onderweg van het vissersdorpje waar ik heen wilde, naar het zandstrandgehucht waar ik juist vandaan kwam.

‘Je kunt meteen met mij meelopen, Hendrik,’ zei hij, ‘dat is voor jou terug dus. Ik kan niet rechtsomkeert maken en je op jouw wande­ling vergezellen, want mijn dochter wacht ginder met haar auto op me en ik heb geen mobiel telefoontje. Uit nietbijdetijdsheid. Of heb jij zo’n ding op zak? Ach, ik ken niet eens haar nummer uit mijn hoofd. Heb je een appartementje gehuurd? Voor hoeveel weken? Je komt natuurlijk zo gauw mogelijk bij ons langs! Als je tijd en zin hebt tenminste. Ik heb een verblijf aan de noordkant. Veel groener daar dan de zuidkust, ondanks de bijna jaarlijkse bosbranden. Maar misschien heb je dat al ontdekt? Och, ik overval je, zie ik.’

Ik knikte en schudde mijn hoofd. Of ik schudde én knikte, in een doorgaande beweging, en ik maakte dus een zwakzinnige draaiing met mijn kop, waarin woorden tegendraads over elkaar bleven vallen en tollen, als klonteringen in een cementmolen.

‘Dochter’, ‘auto’, ‘huis’, ‘ons’, ‘autodochter’, ‘onshuis’, ‘onsautodochterhuis’.

En daar mengde zich, als met een scheut pijn, het woord ‘vrouw’ in, ‘vrouw’, ‘Lerriemetkind’, ‘Lerriemetvrouwenkind’…

‘Je bent dus getrouwd?’ vroeg iets plaatsvervangend in, voor of naast me.

‘Was.’

‘Gescheiden?’

‘Al jaren weduwnaar. En jij?’

Ik wilde antwoorden dat ik altijd had gedacht, nee, had gehoopt dat Lerrie kinderloos zou zijn gebleven, want voor altijd even trouw celibatair als vergeefs wachtend op de thuiskomst van de enig levenslang ware, net als ikzelf. Maar geforceerd uitbundig merkte ik op dat we elkaar zó veel te vertellen hadden, dat we zo veel herinneringen de revue moesten laten passeren en dat we daar de tijd voor hoorden te nemen en er de juiste omstandigheden voor moesten kiezen. Wat als Lerrie eerst eens bij mij over de vloer zou komen? Vanavond?

‘Wat? Hendrik! Heb jij hier ook een woning, jongen? Hoe lang al?’ riep Lerrie uit in plaats van ‘Vanavond al?’

‘Bovendien overvalt het me inderdaad, Lerrie, dat ik je uitgerekend hier weer ontmoet, in alle blijdschap en verrukking. Begrijp me goed. Juist daarom!’

‘Dat is wederzijds, Hendrik, geheel en al.’

‘Daarom wil ik over drie kwartier op het terras aan de baai van Posidonio zitten. Met een glaasje gekoelde goudgele harswijn voor me op het pas opnieuw blauw geverfde houten tafeltje. Om het helemaal tot me door te laten dringen. Als in een droom die bij het ontwaken geen droom zal blijken te zijn geweest.’

‘Lily zal ook enthousiast zijn.’

‘Lily? O, die dochter, ja…’

Had ik een vriend voorgoed terug of er juist een voor eens en altijd verloren?

‘We kunnen ook voorgoed afscheid van elkaar nemen, als je denkt dat dat beter is, Hendrik.’

‘Dat heeft nu geen nut meer.’

‘Nee, dat heeft nu geen nut meer.’

‘Gaan we dan?’

‘We gaan.’

‘Op weg naar elkaar.’

‘Op weg naar vanavond!’

 

Terwijl we elk de ander optisch de indruk gaven dat hij zijn gestalte ras verkleinde om uiteindelijk weer onder de hersenpan of in het hartzakje van de ander te kunnen passen, keken we nog meerdere keren vrijwel gelijktijdig om.

Net voordat het pad Lerrie achter een grillig gevormd rotsblok aan mijn zicht zou onttrekken, riep hij nog iets naar me, waarbij hij beide armen hoog in de lucht stak, om vervolgens een uitzinnige lach te laten schallen.

‘Stella!’

Ik bleef even half gedraaid staan, hief mijn handen en hield ze halverwege symmetrisch aan weerszijden geopend, als een priester bij het openingsgebed.

De rotsen grijnsden. In stille samenspraak met een mild briesje vertoonde de zee glinsterende pretrimpeltjes. Ik had wel kunnen huppelen.

Paperback met flappen, 205 blz.
Prijs: € 17,50
ISBN: 9789082175172 

Verschenen februari 2015

Huub Beurskens