Vijf sterren voor de gaarkeuken is een kleine verzameling van de mooiste essays en essayistische vertellingen die Wessel te Gussinklo in de loop der tijd schreef, en waarin hij (aldus Jeroen Vullings in Vrij Nederland): ‘Zijn historische kennis met brede zwiepende bewegingen uitvent.’ Sommige daarvan zijn eerder gepubliceerd in diverse kranten en tijdschriften, andere verschijnen hier voor het eerst.

Onder meer Hitler, de Twee van Breda en Pim Fortuyn komen voorbij in deze gevarieerde en toegankelijke bundel. De ene keer gaat het om een zaak van gewicht, de andere keer wat minder, maar altijd weet Te Gussinklo de lezer te betrekken met zijn losse, speelse verteltrant en de vaak baldadige toon van deze essayistische verhaaltjes, en steeds is: ‘De lucht dun en ijl, het gevaar nabij en de geest vol van een vrolijke boosheid’ (Nietzsche).

‘Twee Te Gussinklo’s leren we in zijn essaybundel kennen: de empatische bewonderaar en de rigide, prikkelende doordenker.’ Jeroen Vullings in Vrij Nederland

Over De hoogstapelaar

Te Gussinklo schrijft onweerstaanbaar. Herkenbaar maar eigen, vrij van conventie, geestig en tijdloos. […] Zo trommelt hij het tragikomische portret op van een onvergetelijke jongen, zo onweerstaanbaar kwetsbaar.’ De Volkskrant *****

‘In een fraaie roman over een opstandige jongen laat de schrijver opnieuw zijn grote kracht zien.’ NRC Handelsblad *****

‘Met zijn zuigende, repetitieve stijl schildert Te Gussinklo de innerlijke gesteldheid van zijn hoofdpersoon op weergaloze wijze.’ Trouw

 

Vijf sterren voor de gaarkeuken

Ik kom wel eens in de verleiding me voor te stellen wat bijvoorbeeld Thomas Mann – of misschien nog liever Stendhal, een schrijver doorkneed in dubbelzinnige erotiek, intriges, geldingsdrang, poses, streken en valsheid (en ook nog de goede toon, de levendigheid) – van een boek als Gejaagd door de wind gemaakt zou hebben. Een boek dat mij als vijftien-, zestienjarige betoverde – gedreven lezer van de Bouquetreeksen van die tijd als ik was (de Mimosareeks, de Vivareeks enz.) –; maar dat, toen ik het als drieëntwintigjarige herlas, vlak bleek te zijn, vol platte kauwgumachtige opgerekte beelden en ideeën – en ook nog eens honderd keer gehoord en gelezen –; tweedehands, zonder kenmerkende details die de gebeurtenissen zichtbaar en doorleefd maakten en de grillige onwaarschijnlijkheden van het verhaal tot iets meer dan kuren van de schrijfster en haar noodzaak om iets nieuws en verrassends te vinden om de lezers te boeien – vlak, nauwelijks zichtbaar en aanwezig; sjablonen. 

Waarom had het boek me toen zo getroffen (meer nog getroffen dan het in dezelfde tijd geconsumeerde In de ban van de ring – ondanks het rusteloos zoekende oog van Sauron in dat boek (een van de aangrijpendste beelden in de literatuur: een oog dat wacht en zoekt tot er teruggekeken zal worden – om te verdelgen. Een beeld dat een verre parafrase lijkt op het adembenemende maxime van Nietzsche ‘Als je in de afgrond kijkt, kijkt de afgrond ook in jou’, dat ik nog steeds niet zonder letterlijke duizeligheid kan lezen), en daarbij ook nog: het rijk van het kwaad; de queeste van een klein moedig groepje in het duistere land om de ban van het kwaad op te heffen; de overwinning aan het einde. Maar toch…) Waarom had Gejaagd door de wind mij als vijftien-, zestienjarige zo getroffen? Het antwoord is: omdat het een van de grote verhalen vertelt, omdat het raakt aan archetypen (J.H. van den Berg: Oervormen waarin de mens zich in de loop van talloze generaties heeft leren uitdrukken; verdichtingspunten van al ons denken, voelen, voorstellen en weten): dappere vrouw – bedreigd, maar hartstochtelijk – in een tijd van oorlog en verwarring; ongelukkig in de liefde – de klassieke misverstanden –, overwint uiteindelijk alle moeilijkheden, en blijkt dan toch verloren te hebben… En waarom had het me als drieëntwintigjarige verveeld en teleurgesteld? Het had me verveeld en teleurgesteld omdat ik toen het persoonlijke zocht, het bijzondere, het authentieke – zowel in gedragingen, gevoelens en inzichten, als in taal. Ik zocht dat wat nog niet geformuleerd was, of nog niet zo geformuleerd; dat wat nog niet gezien, niet opgemerkt was – ongewone gevoelens en gewaarwordingen, onvoorziene inzichten –; formuleringen en beelden van iets wat zich net naast, opzij, achter wat ik anders zag en ‘wist’, bevond; inzichten waardoor nieuwe kleine, nog niet begane paadjes in het moeras eindelijk afgepaald werden en hele gebieden, ver van de grote verkeerswegen, de brede boulevards, de Eftelingen en Disneys van inzicht en verbeelding – plotseling begaanbaar werden, binnen bereik kwamen. Maar ook dingen die ik allang wist, maar die als nieuw werden gezegd. 

Dit is de fundamentele tragiek van de literatuur: deze spagaat tussen de grote legenden – de verhalen over menselijk leven en lot; de verhalen van ondergang en verlossing; van moed en overwinning; van verraad en volharding: veelkleurig menselijk leven (warme mensen-boeken zoals de grote volksschrijver placht te zeggen) met dwaalwegen en tragedies. En tegenover die grote algemene verhalen staan de individuele verhalen, met de bijzondere observaties – voortkomend uit een zeer eigen wereld –; die pogen het zichtbare, het beschrijfbare te verruimen; de grens op te schuiven; eindelijk dat te zeggen wat als een wolk van betekenis boven het leven, het bestaan hangt en waarvoor tot dan toe geen taal, geen woorden te vinden waren: vermoedens, intuïties, gewaarwordingen die mede – en misschien vooral – ons bestaan bepalen, maar die te kortstondig zijn, te flitsvormig en vooral te zeer haaks op onze compositie van de wereld, om formuleerbaar te zijn (een compositie die min of meer homogeen moet zijn wil hij een geheel vormen, leefbaar en hanteerbaar zijn – geen chaos van Fremdkörper). Die onvatbare aanwezigheden te naderen en misschien te raken is het hoogste. 

De spagaat tussen de grote verhalen – die tevens de grote sjablonen zijn – en het bijzondere, het ongezegde, is de grote tragedie van de literatuur. 

Maar soms weet een schrijver door de kracht van zijn taal, de allure van zijn beelden, anderen te betrekken bij zijn zeer persoonlijke mythen en legenden – zijn eigen grote verhalen. Zonder Mulisch zou het meeste van zijn wereld slechts een onderdeel zijn van de geestelijke achterbuurt van de newageadepten, en vrijwel niemand interesseren (of je het leuk vindt of niet). Zonder Van het Reve zou de meedogenloze jongeling – en de andere attributen van zijn wereld – slechts een onderdeel zijn van de broeierige onderwereld van de herenporno (idem). Er zijn de zeer eigen werelden van bijvoorbeeld Thomas Mann, Dostojevski, Gombrowicz en toch ook Sartre, hoezeer ook aangevreten door mode en mo-dieusheid –: zeer persoonlijke werelden, met daarin een zeer eigen blik op bestaan en leven – maar alleen zijdelings, en als het ware door middel van een paardensprong met de grote verhalen en legenden te verbinden. Maar soms slaat er een vonk over van het hoogstpersoonlijke, het zeer individuele en grensverleggende, naar de hoofdwegen van onze cultuur: de algemene, de voor ieder herkenbare, en voor iedereen kenbare, grote verhalen: de legenden, de archetypen; giet kwaliteit en luciditeit zich in die bedding uit. Dan ontstaat (wat had Gejaagd door de wind niet onder hand van Stendhal kunnen worden; hij is ook de schrijver van de Chartreuse) Le Rouge et le Noir; dan ontstaat in een heel andere menging – steiler, afwijzender, maar regelrecht uit de diepste krochten van de menselijke geest – Faust, of ontstaat Anna Karenina, of De Buddenbrooks, Felix Krull, Oorlog en vrede, Memoires uit het souterrain, De speler – en toch ook Madame Bovary – maar vooral een boek als Wuthering Heights van Emily Brontë: een boek van een woeste gedrevenheid, waarin de figuren haast slaapwandelend – want gestuurd door krachten groter dan zij – een lot groter dan zijzelf vervullen (een boek als Doctor Faustus van Thomas Mann, hoe groots ook, mist ondanks de legendarische opzet veel van die allure. Misschien omdat we de gebeurtenissen alleen zien gezeefd door de blik van de verteller, Zeitblom – een substraat, commentaar, beschouwing –; het gebeuren, het wonder van het aanwezig-zijn is er niet, al staan er magistrale stukken in: de melancholieke vader van Adrian Leverkühn bijvoorbeeld, die met tranen in zijn ogen kijkt naar anorganische mengsels die bladeren, organen, ledematen vormen; zich hunkerend naar het licht wenden: ‘En toch leven ze niet […] maar men moet hun streven niet geringer achten…’); en te onzent bijvoorbeeld boeken als de Max Havelaar, of Karakter – een verhaal als een bijna kaal archetype in een jasje van zijn tijd – of Eline Vere en natuurlijk De Avonden… en ook Slauerhoffs Het verboden rijk, of Terug tot Ina Damman. Elke schrijver zoekt dit soort verhalen; niet om beroemd en rijk te worden – al is dat meegenomen – maar vanwege het gevoel regelrecht uit de bron te drinken; als door onzichtbare antennes verbonden te zijn met een universum van beelden, inzichten en samenhangen, die ook nog de drijvende kracht hebben van diepe, elementaire – en daardoor niet te analyseren of te verklaren – waarheden; waarheden met de apodictische slagkracht van: zo, dit is het leven; dit is het menselijk lot – het is niet anders. 

 

Thomése vergist zich (De Revisor 1998, nr. 1, ‘De narcistische samenzwering’); hoewel slechts zeer ten dele – daarover verderop – en daarbij heeft hij het ook merendeels over iets anders – de commercialisering; de woord- en taalbrakers en het bestsellergebeuren waar zij op mikken – maar zijn lichte dedain over succesverhalen in hun sjabloonachtigheid is niet helemaal terecht. Hij doet te preuts over de middelbare vrouwen – moedig, openhartig, vaak schrijnend –; of de fascinerende zoektocht naar inzicht enz. Het zijn de kleine ‘grote verhalen’ die een perfecte opmaat kunnen zijn voor het vinden en uitdrukken van het bijzondere, het authentieke (zie Jane Austen). Thomése vergist zich nog een keer: het is niet de vorm of de taal die het belang van een schrijver of een boek bepaalt – want dan zouden de sloddervossen Dostojevski (keukenmeidenproza volgens Karel van het Reve) – vaak chaotische, slecht opgebouwde verhalen – of Slauerhoff geen belang hebben. Maar ze zijn groten! Het is mede de vorm en de taal. Maar evenzeer de opbouw, de samenstelling van een verhaal: nu dit kiezen uit de vele mogelijkheden: want in díé voortgang, daar zit het belangwekkende, het wezenlijke. Het blindelings vinden daarvan bepaalt ook de grootte van een schrijver: hij heeft het gezien, die werkelijk belangwekkende voortgang; dit, ja alleen dit is het: – uniek, ongezegd. Maar misschien is compositie het hoogste: de perfecte harmonie van de onderdelen, die meer ‘weten’ uitdrukt dan slimheid of vernuft; de Gestalt waarin het geheel belangrijker is dan de samenstellende delen en waarin elk onderdeel zijn belang krijgt, zijn glans en allure, door zijn setting tussen de andere – waarvan het zelf weer de setting is – een samenstel waardoor zelfs het meest onbeduidende opgloeit. En ja, het vinden van een mooi, meeslepend, boeiend verhaal, is ook heel wat. 

Als het alleen taal of vorm was die het belang van de schrijver bepaalt, zou bijvoorbeeld Jac. van Looy een gigant zijn, of Arij Prins van De heilige tocht een van onze grote dichters. En als het alleen vernuft of het uiterst subtiele was – en nog zo het een en ander – waren nog wel andere schrijvers aan te wijzen: de vroege J.F. Vogelaar bijvoorbeeld, of Polet, of de woordgymnast en hersenkraker Ouwens: ‘die vierkante blokkendoos op wieltjes’ (Komrij) van ontledingen en schijnontledingen, en van een hoogst eigenaardig, mechanisch en beeldloos oprekken van de taal – persoonlijk, ongezegd. Jazeker. (Maar ik stel mij, ook, wel eens voor wat bijvoorbeeld Jeroen Brouwers – een aanzienlijk veelvormiger, maar vooral tragischer auteur – van De eenzaamheid door genot of Een twee drie vier… gemaakt zou hebben.) Of een ander aspect: de mooie verhalen – voorbeelden daarvan te over tegenwoordig; we glijden erover uit. Elk van deze aspecten van de literatuur levert soms fascinerende monomanen op (dat is bijvoorbeeld Ouwens weer wel) – behalve de mooie verhalen; die kunnen in handen van de grote platmakers vanwege hun voorspelbaarheid voor negenennegentig procent door de plee gespoeld worden. 

Maar niet deze deelaspecten: het is de menging van, het mooie, het meeslepende, het bijzondere – in voor iedere schrijver wisselende verhouding – die iets groot en belangrijk maken; het ongezegde, of nog nooit zo gezegde, met taal die eigen, die bijzonder en onverwisselbaar is – ja ook die taal, want elk eigen, elk persoonlijk woord staat door de precisie van de keuze – als een schrijver kwaliteit heeft – voor een wereld, voor een bewustzijn: niet dít woord, maar dát – juist, speciaal dat; onontkoombaar. Want woorden – elk woord – zijn ook een tussenstof, een intermediair door klank, door betekenis, maar vooral door hun evocatieve kracht (en niet zoals de eerste generatie Revisor-redacteuren dacht: we weten het verband tussen het woord en het voorwerp niet echt – welzeker, welzeker; maar ook niet tussen onze zintuigen en de dingen (zet je bril eens af, zet eens een andere bril op, drink eens iets; slik of rook eens iets). We weten het allemaal niet; we roepen op, we besluipen, we omsingelen – juist daar waar we niet weten zit het belang, want behalve het postulaat van de dingen (ook al is het allemaal onze geest; een auto overrijdt je echt) is er de kracht van de taal die oproept, die uitbeeldt. We zijn omringd door raadselen. Maar juist dat wat niet gezegd kan worden, moeten we mompelen, brabbelen, hakkelen – hoewel liefst uitspreken in heldere, welgekozen, fraaie zinnen – want daar begint het raadsel, daar zitten de geheimen). Maar meer dan het ongezegde, of het fraaie, of het boeiende, het meeslepende, of het roerende, is menging de zaak. Dus ook het gewone, ook zinnetjes als: ‘De gravin ging om vijf uur ’s middags uit rijden’ – de gruwel van Valéry –; of, ‘De schone Amazone reed ’s morgens op haar paard door de velden’ – de wanhoop van Grand uit La Peste. Want ook de menging van het gewone met het bijzondere, het alledaagse met het unieke en nooit geformuleerde, geeft aanwezigheid, geeft leven; zorgt voor het reliëf, voor de meetbaarheid die iets zijn uniciteit verschaft – alleen tegen een achtergrond, in verhoudingen kunnen we iets echt zien. Leven is het wat getoond moet worden, aanwezigheid – uniek, onverwisselbaar, bestaan – meekijkend met de ogen van die ene ziener. 

En soms is dit alledaagse, én dit grensverleggende – door geluk – gebed in de grote verhalen, leunt het tegen legenden en archetypen – de brede wegen van de menselijke ervaringen, de menselijke strevingen en wensen: het algemene, het bekende, waaruit ook de goochelaars van het massavoer putten (maar dan alleen dat wat begrijpelijk en herkenbaar is; mooi en bekend en boeiend en roerend, voor die warme mensen-boeken, die prachtige, hartelijke, rondborstige, warmbloedige, echte levende boeken, die iedereen na kan voelen en mee kan beleven). 

En hier, bij de beoefenaars van dat andere proza; de goochelaars en buitelaars van de publieksboeken, de opnaaiers van de kleuterwanen; de terecht door Thomése verfoeide rekenaars en mikkers, vangen de problemen aan. Weer het lijstje: middelbare vrouwen; studerende jongeren; middelbare man; het volle leven; Nietzsche was een dubbelganger; beroemd willen worden; beroemd zijn; nog eens, het volle leven – nu dag na dag, enz. Weer de algemene voor de hand liggende verhalen of substraten ervan, maar nu uitsluitend toegesneden op de herkenbaarheid. Ik neem voor de compleetheid het lijstje even door. 

De lawaaiigste, platste variant is Dallas en Dynasty op papier: verhalen die alleen aan iets als snob-appeal van de lezer appelleren. (De buurman, directeur van de Nederlandsche Bank, de buurvrouw, directeur van Shell – en toch gewoon, net als wij, maar beroemd en rijk: Gucci-schoenen, Cartier-horloges, Versace-jurken en -pakken, dineren in Parijs, ontvangen op het Elysée, ook in het Vaticaan (dat vooral), eigen vliegtuig, ook nog een moord, ook grote hartstochten – net Jackie Kennedy. Nooit wordt er in die boeken gewerkt of zoiets.) Of, nauwelijks minder erg: achtentwintigjarige jonge vrouw – briljant, directeur onderzoeksbureau (of, nog mooier, topcomputerspecialist) en toch uiterst knap, zeer sexy enz. –, met vriend – oudere, verlopen hoogleraar, knap, onverschillig, toch grootmoedig, met sportwagen en jacht, enz. (De problemen stapelen zich bij het lezen van zo’n boek op. In een gewoon leven is knap zijn, er alles uit halen voor een vrouw – en ook nog kleding, mode; chic, interessant; elegante en decadente vrienden; op jij-en-jou-basis met presidenten en vorsten; hartstochtelijke relaties met de allerhoogsten – meestal op zichzelf al zo bewustzijnbeslaand, zo totaal involverend dat daarnaast nauwelijks ruimte overblijft voor iets anders – als beroep bewonderenswaardige vrouw en als bijbaantje een broodwinning, beter of minder goed volvoerd, maar zonder veel hartstocht. Hoe het zit met dit vrouwelijk wonder van vitaliteit, van grote en onmiddellijk oogstbare talenten, zou ik dolgraag willen lezen. Maar niets daarvan. Dit menselijk wonder, dit raadsel van talenten, innemendheid, seks en glamour, blijft onverklaard; wij mogen van de aangrijpende gevolgen genieten.) Deze boeken zijn de ergste Schund. 

En dan heb je nog de detectives en avonturenboeken. Verhalen helemaal toegesneden op een oerverhaal: problemen, zwarigheden, en dan verlossing. De mogelijkheden van dit ‘model’ zijn formidabel, maar om tot de verlossing te komen is de dwang van de intrige vrijwel altijd te groot en dodelijk; alles is scheefgetrokken in een soort mechanisch afwikkelen zonder iets levends, zonder iets ‘echts’ en treffends. Als gepatenteerd slapeloze neem ik deze werkjes regelmatig door. En ja, hoe is het mogelijk dat mensen dat soort onwaarschijnlijke, slecht geschreven vodjes lezen – behalve om bliksemsnel in slaap te vallen (toch zijn hier uitzonderingen die een ‘ervaring’ zijn, die werkelijk iets raken – en wat kan het me dan schelen of iets literatuur is; geraakt worden, getroffen zijn is iets ‘groots’. Ik noem Elmore Leonard, sommige boeken van Ken Follett en natuurlijk ook van Patricia Highsmith). 

Dan is er ook nog de minder ambitieuze aanpak, eveneens op herkenbaarheid geschreven; de grote kleine verhalen: vrouw in menopauze, kinderen uit huis, man onverschillig, twijfel aan aantrekkingskracht, twijfel aan alles (zie lijstje van Thomése); mannelijk climacterium, heen en weer geslingerd tussen trouw en hartstocht – nu of nooit; meisje met te dikke billen en/of knobbeltje. Allemaal wegwerp- en afschietproza. 

‘Waar het volk uit de bronnen meedrinkt, raken alle bronnen vergiftigd,’ zegt Nietzsche ergens. (Maar alle bronnen zijn natuurlijk per definitie al vergiftigd.) Laat ik het vertalen met: waar de vervalsers, de beunhazen meedrinken. Thoméses huiver is begrijpelijk, maar hij verwisselt bron met drinker want ook een giftige bron kan fascinerende dampen en walmen produceren. 

 

Begin jaren zestig kreeg ik een rapport van de psychologische dienst van het Amerikaanse leger in handen (blijkbaar niet geheim). Het was een rapport over de periode ’45-’46; de tijd van de grootste legerexpansie. Naast de bekende trivialia over identiteitsproblemen, stress, shockverschijnselen, desintegratie, seksuele problemen (tijd, Kinsey-rapport) stond er ook iets fascinerends in: namelijk de diagnose van de geestelijke leeftijd van het Amerikaanse leger als geheel – kader en manschappen tezamen elf jaar en drie maanden (vooral die drie maanden zijn natuurlijk fantastisch). De eerste vraag is dan: wie waren het die deze diagnose stelden, wat vertegenwoordigden ze, welk mensbeeld hadden ze – welke hogere middenstandszielen bogen zich met opgetrokken neus over dat vulgaire leger –, welke belangen? En zo zijn er nog wel een paar vragen te stellen. Zo’n taxatie is natuurlijk onzin. Maar toch zegt het wel iets: je kunt inzicht in menselijke verhoudingen ‘meten’; het vermogen zich in anderen te verplaatsen – anderen niet uitsluitend als dingen of prikkels zien –; het vermogen iets van maatschappelijke samenhangen te begrijpen – doorzicht; inzicht, inlevingsvermogen – het geeft een soort mentaal klimaat weer. Elf jaar en drie maanden (je weet nog van jezelf hoe je toen was). Die gespierde lijven, die kaken, die kille oogjes, die borstkassen, en daarin zitten de elfjarigen! – en ook nog met bazooka’s, tanks, mitrailleurs, bommen… Het opent visioenen. Al die terroristen en vrijheidsstrijders – gewoonlijk die onderste lagen van een samenleving: jongens die anders voetbalvandaal of straatrover geworden waren (de anderen hebben wel iets beters te doen) en die nu een alibi hebben: IRA. ETA, Cesniks, Ustasji’s, PLO – niet anders dan negenjarigen (dat verklaart iets van hun meedogenloosheid, hun verbazingwekkende gemis aan meegevoel en inlevingsvermogen). De gemiddelde lezer moet je natuurlijk wat hoger inschatten, vijftien? zestien? – de ‘jongeren’ doen computerspelletjes, of kijken tv. Mulisch zei het al zo’n twintig jaar geleden: de meeste boeken worden voor pubers geschreven. 

 

Bij de verbreding van het lezerspubliek is er een tussenvorm ontstaan, tussen de trivialia en de boeken van belang – niet helemaal zonder goede smaak, niet helemaal zonder literaire pretenties – die ik de popliteratuur zou willen noemen (op dit moment voornamelijk overwaaiend uit Scandinavië, maar ook met gevestigde vedetten te onzent). Literatuur die net als de gelijknamige muziek – muziek bedoeld voor tussen de schuifdeuren en bij boerenbruiloften (en die niet langer mag duren dan plusminus drie minuten – want anders krijg je van al die concentratie veel au aan het hoofd) en waarover Maarten ’t Hart niet onvermakelijk opmerkte: ‘Het zijn’ – bekenden van hem – ‘heel verstandige en redelijke mensen, en toch houden ze van popmuziek.’ Waartegenover Strawinsky zei: ‘In de popmuziek komen soms de mooiste melodieën voor.’ (Maar wie is Maarten ’t Hart? Wie is Strawinsky?…); literatuur die bedoeld is voor ‘minderjarigen’ (de armzaligen van geest zoals Thomése ze niet zonder venijn noemt) – en die nu, door de verbreding van het publiek, een enorm bereik heeft. Een literatuur waarin alles gepikt, gejat is, ontleend aan de werkelijk belangrijke, de onverwisselbare boeken; alle vondsten, al het bijzondere en unieke: nagedaan, overgenomen – maar in uiterst verdunde en onschadelijke vorm –; en daarna uitgewalst, met de aanwijsstok begeleid, ontdaan van zijn scherpte en hardheid, ontsmet, gereinigd, van elk gevaar ontdaan – oude wijn in oude zakken; steeds hetzelfde melodietje, dan weer op de blokfluit, dan weer op de banjo, de doedelzak, het draaiorgel; het zoveelste slappe theetje getrokken van zaken die eerst nieuw en fris waren; boeken door iedereen te volgen en te genieten – en ook nog veel mooier, veel warmer, veel menselijker en nobeler; het goede en positieve met een lach en een traan – zo menselijk en zo geruststellend herkenbaar. Weer de kleine grote verhalen, nu wat intelligenter en beter geschreven, maar toch zo dat niemand ‘raar opkijkt’ of gehinderd wordt – en allemaal die babbeltoon. Over gewone menselijke dingen: wachten op geliefden; eten klaarmaken of kopen; een beetje boos en ook een beetje verdrietig; een beetje vals af en toe, maar niet te veel; vriendschappen; of achter de meiden aan en veel drinken; vlucht uit exotisch land met veel avonturen, enz. enz. Thomése heeft het zeer effectief en uitputtend opgesomd in ‘de Narcistische samenzwering’: doelgroepproza zonder tanden, zonder hoekigheden, zonder iets gewaagds of verrassends. Maar je leest het in één adem uit, je zou het zelf geschreven kunnen hebben, zo herkenbaar – de nieuwe Kleine Zielen; de nieuwe Buddenbrooks, de nieuwe Heart of Darkness, Felix Krull, enz. helemaal voor de lezers van deze tijd. Maar in werkelijkheid zijn het stuk voor stuk varianten op Gejaagd door de wind (en een beetje Monte-Cristo en een beetje Dame met de camelia’s en natuurlijk: De klop op de deur): dezelfde sensaties, dezelfde ervaringen – wat aangescherpt of uitgesponnen, wat intelligenter of gedetailleerder (er is wel iets geleerd) –; fascinerend als veertien-, vijftienjarige, maar onbevredigend als je ouder wordt – en vrijwel altijd zonder de onmiskenbare trefkracht die dat boek had. Dat is ook niet meer nodig; het juiste publiek is gevonden – de nieuwsgierigen naar het platteland van hun eigen gevoelens in situaties net anders dan die van hen –; de juiste ‘groef’ is gevonden; en eindeloos op dezelfde toonhoogte herhaalt het zich – in veelvoud. En wat wil je als er verkiezingen voor het beste boek van het jaar worden gehouden. Het stijgt je tot de lippen. Je geeft toch ook geen vijf sterren aan een Van der Valk-restaurant of aan de gaarkeuken! 

Ik stel me, ook, wel eens voor dat De vriendschap van Palmen door Mulisch zou zijn geschreven: ook een dunne en een dikke (Mulisch-Donner) – maar geen Kit (zo pittig) of een Ara (zo’n papegaai) en zonder dat, tussen het koeienscheren en tractorrijden door geschreven, vbo-proza met zinnen als (bij het door Ara huiverend betreden van de Mulo – zo moeilijk): ‘Jij kunt het, jij kunt het, jij bent de beste’ (ja ja, en mijn vader is de sterkste man van de wereld – dat soort vreselijke praatjes) of: Eten is in plaats van liefde, voor anderen. (Die is raak. Kassa!) Daar lees je dan een heel boek voor, voor dat duffe gemoraliseer – Laat toch eten!; of: Wij gingen ’s zondags met de auto uit ‘varen’; want zo zeggen wij dat in het dialect van ons dorp. (Wel ja, en daarna natuurlijk ganstrekken en ringsteken.) In het begin, toen ik het boekje nog maar net las, dacht ik regelmatig: met die ingewikkelde zin moet ze iets bedoeld hebben. Maar niets; onhandigheid, knulligheid, naïveteit (anders dan Thomése kunnen rare kromme zinnen mij niet eens zo erg veel schelen – het is een van de aspecten –; als er maar geraakt wordt, als er maar voltreffers zijn – en soms zijn bijzondere dingen alleen krommig, rarig te zeggen – maar is het dan nog wel krom, raar?). Toen Kit halverwege het boek ophield met menstrueren dacht ik: nu zal je het hebben, die dikkerd vreet alles op wat ze tegenkomt; nu ook Kit, daar blijft niets van over – behalve die kittige pittigheid (en die hoge intelligentie natuurlijk) –, een soort vampier die Ara; of: die symbiotische vriendschap verhindert de seksuele differentiatie en daardoor houdt ze op met menstrueren. Maar niks daarvan. Gewoon een lichamelijk probleempje dat eigenlijk door een man verholpen zou moeten worden – des schrijfsters eigen woorden bij monde van de papegaai. Geen kern, geen ideeën (behalve variaties op dat eetgedrag), niks – behalve babbelen, babbelen… Dat soort dingen heb je maar te verdragen; zoiets word je geacht te lezen. God betere. En toch recensies als van de criticus Goedkoop die na het verhaal juichend begeleid te hebben, niet zonder wijding eindigt met de zin: ‘Hier is het woord vlees geworden.’ (Ah bah, die dikke Ara natuurlijk.) 

 

Er moet iets teruggezegd worden tegen de Anna’s en Johanna’s; de jofele kantinejuffrouwen; de Kitten – misschien de Maartens (jjv) –; de mieterse bakkersdochters, de scharrelende sjacheraars – met of zonder hart –, de muzikaal begaafden, de zoekers naar hun verleden en al dat andere wezenloze zombievolk. Er moet tegengesproken worden – nu, hier. Geen begrip, geen mededogen. Dit is niet het uur van de zalvende woorden; dit is het uur van de zweep!

 

(Maar misschien, o ongelukkige Te Gussinklo, misschien is dit een tijd van grote veranderingen, van een mutatie, zoals de ridderromans werden opgevolgd door Don Quichot of de romans in brieven, de toneelstukken in dichtvorm, door vrije lossere vormen (ongetwijfeld ook toen door de beoefenaars van het genre misprijzend bekeken als onknap, gemakkelijk, ondiepzinnig); misschien beleven we in deze tijd van vele prikkels, een versimpeling en tevens een aanscherping van de roman naar het verhaal, de intrige (deze vriendelijke geste naar de lezer; zoals de criticus Jeroen Vullings het eens noemde). Maar dan toch niet zo, niet deze Kitten en Johanna’s – hoezeer dan ook de nadruk op het verhaal, de iedereen rakende en meeslepende vertelling zal liggen. Misschien zal de scherpte, het inzicht; het bijzondere en onverwisselbare, steeds meer verschuiven naar suggestie; naar de kwaliteit, het unieke van een selectie in het waargenomene en het voorvallende – juist dit; die zin, die voortgang – die het niveau verraadt; en zal de woekering met handigheid, trefkracht, herkenbaarheid, meeslependheid, leiden tot iets als glanzende, gladde, geglazuurde bonbonnetjes – zo aanlokkelijk; zo door iedereen te consumeren… én, zo moeiteloos (maar wel, heel fraai, heel lekker, heel geraffineerd)! Maar om die zo glanzend, verfijnd en appetijtelijk te maken is ook, hoewel gedeeltelijk andersoortig en andersgericht, talent nodig – talent van schrijvers die het meer over het uiterlijke, de gebeurtenissen en de context daarvan (een soort nieuw behaviorisme) zullen hebben; minder over inhoud, roerselen – die gevaarlijke woekering. En alleen de goede proever, de oplettende genieter zal onder al dat glazuur, haast uitsluitend nog als suggestie – een soort spiegeling in het ‘resultaat’ dat gedrag handeling is –, de weerbarstige dwarsheid van inhouden opmerken: want het raffinement, het bijzondere – de eigenlijke inhoud – zit dan vrijwel uitsluitend nog in de uitgekookte vorm, de listige aanpak; de glans van voorvallen en handelingen, en de kwaliteit dáárvan. En misschien zullen alle boeken – alle literatuur, om dat woord weer te gebruiken – die niet aan die versimpeling en tevens aanscherping meedoen, meer en meer in een isolement raken. En iedereen weet wat er dan gebeurt, wat het lot is van dingen waar de grote stroom van de ‘cultuur’ aan voorbijgaat. Ze zullen verdorren, ze zullen afsterven in een reservaat (zoals Marken en Volendam, of de kantklossers in Brugge); dood, bloedeloos, omdat de ‘cultuur’ aan ze voorbij is gegaan. 

Misschien, o ongelukkige Te Gussinklo, misschien zal dat de toekomst zijn. Maar ook al zal de huidige literatuur – die beschouwende, die filosofische, die veelvormige, die weerbarstige, die inhoudelijke – geen toekomst hebben; ook dan, vooral dan, zal ik liever vechten in de laatste loopgraven van de dingen die mijn hart hebben, al is het aan de kant van de verliezers – want ‘waarde’ is niet de toekomst, de finaliteit van iets; maar de zaak zelf –, dan overleven.) 

 

Paperback met flappen, 160 blz.
Prijs: € 17,50.
ISBN: 978 94 92313 09 6
Verschenen februari 2016

Wessel te Gussinklo