Indringende en nietsontziende verhalen

Ingeborg Bachmann geldt als een van de belangrijkste schrijvers van de twintigste eeuw. De stoutmoedigheid van de taal, de scherpte van haar inzicht en de energie van het gevoel vormen vanaf het begin de onverwisselbare eigenheid van haar proza. Het laat mensen zien op het kruispunt van hun bestaan, vóór er ingrijpende beslissingen worden genomen. 

Verzamelde verhalen bevat de bundel Het dertigste jaar, met de nadruk op het intellect, en de tien jaar later na een ernstige crisis gepubliceerde bundel Simultaan, met de nadruk op gevoel en liefde. Daarnaast is de nooit eerder vertaalde vroege bundel Het veer opgenomen met een grote variatie aan onderwerpen.

De intelligentste en belangrijkste vrouwelijke auteur die ons land deze eeuw heeft voortgebracht.’ Thomas Bernhard
 
‘Een van de belangrijkste Duitstalige auteurs van de vorige eeuw.’ de Volkskrant
 
‘Bachmanns stem is uniek en sterk – sterk genoeg om ons een nieuw domein van fictie binnen te voeren.’ Los Angeles Times
 
‘Bachmanns visioen is zo origineel dat het is alsof er een nieuwe letter aan het alfabet is toegevoegd.’ The Guardian
 
‘Verbazend hoe invoelend, sensibel en kernachtig de schrijfster tussen verleden en toekomst, tussen herinnering en visioen haar jonge held in Het dertigste jaar gestalte geeft.’ Die Zeit

‘Het verbazingwekkendste aan Ingeborg Bachmann was toch dat deze briljante intellectueel in haar poëzie niet aan zinnelijkheid inboette noch abstractie verwaarloosde.’ Heinrich Böll

‘Een enkele maal lees je een boek dat je, als je het uit hebt, achterlaat met het gevoel dat het absoluut is. Dat er niets geschreven kan worden dat méér waar is. Het dertigste jaar van Ingeborg Bachmann was voor mij zo’n boek.’ C.O. Jellema in NRC Handelsblad 

‘Een van de belangrijkste werken die de laatste jaren vanuit het Duits vertaald werden is naar mijn smaak Ingeborg Bachmanns Het dertigste jaar. Het staat zowel inhoudelijk als qua taalgebruik op een opvallend hoog niveau.’ Wil Rouleaux in Vrij Nederland

Over Malina:
 
‘Een feministische klassieker.’ The Paris Review
 
‘Ingeborg Bachmanns Malina is het waarste portret van het vrouwelijke bewustzijn sinds Sappho.’ Rachel Kushner
 
‘Als ik maar één boek mocht houden zou het Malina zijn. In Malina zit alles.’ Claire-Louise Bennett
 
 

Jeugd in een Oostenrijkse stad

Op mooie oktoberdagen kun je, komend van de Radetzkystrasse, naast de schouwburg een groepje bomen in de zon zien staan. De eerste boom, die vóór die donkerrode kersenbomen staat die geen vruchten dragen, is zo door de herfst ontvlamd, zo’n mateloze gouden vlek, dat hij eruitziet alsof hij een fakkel is die een engel heeft laten vallen. En nu brandt hij, en herfstwind en vorst kunnen hem niet uitdoven.

Wie zou mij daarom willen wijzen op het vallen van de bladeren en op de witte dood, in tegenwoordigheid van deze boom, wie zou mij willen beletten hem met mijn ogen vast te houden en te geloven dat hij altijd voor mij zal oplichten als op dit uur en dat de wet van de wereld niet op hem drukt?

In zijn licht is nu ook de stad weer herkenbaar, met bleke, herstellende huizen onder donkere dakpannen, en het kanaal, waarop zo nu en dan van het meer een boot de stad in vaart, die in haar hart aanlegt. De haven is weliswaar dood, sinds de vrachten sneller door treinen en vrachtwagens de stad in worden gebracht, maar van de hoge kade vallen nog bloesems en fruit op het vervuilde water, de sneeuw stort neer van de takken, het dooiwater stroomt luidruchtig omlaag, en dan wil de haven nog graag eenmaal aanzwellen en tilt een golf op en met de golf een schip, waarvan het bonte zeil bij onze aankomst gehesen werd.

Slechts weinigen zijn uit een andere stad naar deze stad getrokken, omdat haar verlokkingen te gering waren; men is uit de dorpen gekomen, omdat de hoeven te klein werden, en zocht een onderkomen aan de rand van de stad waar dit het goedkoopste was. Daar waren ook nog velden en steengroeven, de grote tuinderijen en het bouwland waarop jarenlang bieten, kool en bonen, het brood van de armste volkstuinders, geoogst werden. Deze volkstuinders groeven zelf hun kelders. Ze stonden in het grondwater. Ze timmerden zelf hun dakbalken op de korte avonden tussen lente en herfst, en God weet of ze pannenbier hebben gedronken voor ze stierven.

Hun kinderen kon dat niet schelen, want die werden al ingewijd in de onbestendige, verre geuren, als de aardappelvuren brandden en de zigeuners, voor korte tijd en met hun vreemde taal, hun bivak opsloegen in het niemandsland tussen kerkhof en vlieg-veld.

 

In het huurhuis in de Durchlassstrasse moeten de kinderen hun schoenen uittrekken en op kousenvoeten spelen, omdat ze boven de huisbaas wonen. Ze mogen alleen maar fluisteren en zullen het fluisteren hun leven lang niet meer afleren. Op school zeggen de meesters tegen hen: Slaag moesten jullie hebben, tot jullie je mond opendoen. Slaag… Tussen het verwijt te lawaaierig te zijn en het verwijt te stil te zijn, zoeken ze zwijgend hun weg.

De Durchlassstrasse ontleent haar naam niet aan het spel waarin de rovers doormarcheren, maar de kinderen dachten lang dat het zo was. Pas later, toen hun benen hen verder droegen, hebben ze de doorgang gezien, het kleine viaduct waarover de trein naar Wenen rijdt. Hier moesten de nieuwsgierigen onderdoor die naar het vliegveld wilden, over de velden, dwars door de borduursels van de herfst. Iemand is op het idee gekomen het vliegveld naast het kerkhof te leggen, en de mensen in K. dachten dat het goed uitkwam voor het begraven van de piloten die een tijdlang oefenvluchten maakten. De piloten deden niemand het genoegen neer te storten, De kinderen brulden almaar: Een vliegtuig! Een vliegtuig! Ze strekten hun armen naar ze uit alsof ze ze wilden pakken, en tuurden naar de wolkendierentuin waarin de vliegtuigen zich tussen dierenkoppen en gedrochten bewogen.

De kinderen halen het zilverpapier van de chocoladerepen en fluiten daarop het Maria Saaler G’läut. De kinderen laten op school door een dokter hun hoofd op luizen nazoeken. De kinderen weten niet hoe laat het is, want de klok op de parochiekerk is stil blijven staan. Ze komen altijd te laat thuis na school. De kinderen! (Ze weten nauwelijks hoe ze heten, ze luisteren alleen maar als er ‘kinderen’ wordt geroepen.)

Opgaven: lussen en halen, in steilschrift, oefeningen in verbreding van horizon en inperking van dromen, uit je hoofd leren met ezelsbruggetjes. In de uitwaseming van geoliede vloeren, van een paar honderd kinderlevens, kabouterjasjes, verbrand vlakgom, tussen tranen en vermaningen, in de hoek staan, knielen en onstilbaar geklets staan op het programma: alfabet en tafels, spelling en tien geboden.

De kinderen leggen oude woorden af en leren nieuwe aan. Ze horen over de berg Sinaï en ze zien de Ulrichsberg met zijn bietenvelden, lariksen en sparren, met ceder en doornstruik doorschoten, en ze eten zuring en knagen de maïskolven af voor ze hard en rijp worden, of nemen ze mee naar huis om ze boven het vuur te roosteren. De kale kolven verdwijnen in de houtkist en worden gebruikt om het vuur aan te maken, en ceder en olijfboom werden erop gelegd, smeulden, gaven warmte uit de verte en wierpen schaduwen op de muur.

Tijd van trofeeën, tijd van kerstfeesten, geen blik naar voren, geen blik naar achteren, tijd van nachtelijke optochten met kalebassen, van geesten en telkens weer schrikken. In het goede en in het kwade: zonder hoop.

De kinderen hebben geen toekomst. Ze zijn bang voor de hele wereld. Ze maken zich geen beeld van haar, alleen van het Hier en Ginds, want dat laat zich met krijtstrepen omlijnen. Ze hinken op één been de hel in en springen met beide benen de hemel binnen.

Op een dag verhuizen de kinderen naar de Henselstrasse. Naar een huis zonder huisbaas, naar een wijk die zich tam en bangelijk onder hypotheken heeft uitgewerkt. Ze wonen twee straten van de Beethovenstrasse, waar alle huizen ruim zijn en centraal verwarmd, en één straat van de Radetzkystrasse, waar elektrisch-rood en met grote muil de tram doorheen rijdt. Ze zijn eigenaar geworden van een tuin waarin vóór rozen worden geplant en achter kleine appelbomen en aalbessenstruiken. De bomen zijn niet groter dan zij zelf en ze moeten samen groot worden. Ze hebben links buren met een boxer en rechts kinderen die bananen eten, een rek en ringen in de tuin hebben en zwaaiend de dag doorbrengen. Ze worden vriendjes met de hond Ali en maken ruzie met de buurkinderen die alles beter kunnen en beter weten.

Nog liever zijn ze onder elkaar, kruipen op de vliering en schreeuwen soms hard in hun schuilhoek om hun armetierige stemmetjes uit te proberen. Ze stoten zachtjes een kleine rebellenschreeuw uit bij het zien van een spinnenweb.

Hun kelder is verpest door muizen en door appelgeur. Elke dag naar beneden, de rotte appels uitzoeken, plekken eruit snijden en opeten! Omdat nooit de dag komt waarop alle rotte appels zijn opgegeten, omdat steeds nieuwe appels gaan rotten en niets mag worden weggegooid, hunkeren ze naar een vreemde, verboden vrucht. Ze houden niet van de appels, van de familieleden en de zondagen, wanneer ze op de Kreuzberg boven het huis moeten gaan wandelen en bloemen en vogels bij hun naam noemen.

’s Zomers kijken de kinderen met knipperende ogen door groene luiken in de zon, ’s winters maken ze een sneeuwpop met ogen van kolen. Ze leren Frans. Madeleine est une petite fille. Elle est à la fenêtre. Elle regarde la rue. Ze spelen piano. Het champagnelied. De laatste roos van de zomer. Lentebriesje.

Ze hoeven niet meer te spellen. Ze lezen kranten, waaruit de lustmoordenaar ontsnapt. Hij wordt de schaduw van de bomen als ze in de schemering van catechisatie thuiskomen, en hij veroorzaakt het geruis in de bewegende sering bij de voortuin; de sneeuwbalstruiken en de flox wijken uiteen en geven één ogenblik zijn gestalte prijs. Ze voelen de greep van de wurger, het geheim dat in het woord lust schuilgaat en dat angstaanjagender is dan de moordenaar.

De kinderen lezen hun ogen stuk. Ze zijn niet uitgeslapen, omdat ze ’s avonds te lang in het wilde Koerdistan zijn geweest of bij de goudgravers in Alaska. Ze liggen op de loer bij een liefdesdialoog en zouden een woordenboek willen hebben voor die onbegrijpelijke taal. Ze breken zich het hoofd over hun lichaam en een nachtelijke ruzie in de ouderlijke slaapkamer. Ze lachen bij elke gelegenheid, ze kunnen zich nauwelijks overeind houden en vallen van de bank van het lachen, staan op en blijven lachen tot ze kramp krijgen.

De lustmoordenaar wordt echter spoedig in een dorp gevonden, in het Rosental, in een schuur, met hooislierten en de grijze fotonevel in zijn gezicht, die hem voor altijd onherkenbaar maakt, niet alleen in de ochtendkrant.

Er is geen geld in huis. Geen munt valt meer in het spaarvarken. In het bijzijn van de kinderen spreekt men slechts in bedekte termen. Ze kunnen niet raden dat het land op het punt staat zichzelf te verkopen, en de hemel erbij, waaraan iedereen trekt tot hij kapot scheurt en een zwart gat te zien geeft.

Aan tafel zijn de kinderen stil, kauwen lang op een hap, terwijl het in de radio dondert en de stem van de nieuwslezer als een bolbliksem in de keuken rondschiet en wegsterft, waar het deksel van de pan zich geschrokken boven de stukgekookte aardappelen verheft. De elektriciteit valt uit. Op straat marcheren colonnes voorbij. De vlaggen slaan boven hun hoofden tegen elkaar. ‘… bis alles in Scherben fällt wordt buiten gezongen. Het tijdsein klinkt en de kinderen beginnen met geoefende vingers woordeloze berichten met elkaar uit te wisselen.

De kinderen zijn verliefd en weten niet op wie. Ze praten koeterwaals. Hun fantasie hult hen in onbestemde nevelen, en als ze geen raad meer weten, bedenken ze een taal die hen dol maakt. Mijn vis. Mijn angel. Mijn vos. Mijn val. Mijn vuur. Jij mijn water. Jij mijn golf. Mijn anker. Jij mijn Als. En jij mijn Maar. Zo niet. Dan toch. Mijn alles… mijn alles… Ze geven elkaar een duw, gaan met elkaar op de vuist en vechten om een wederwoord dat niet bestaat.

Het is niets. Die kinderen!

Ze hebben koorts, ze geven over, hebben koude rillingen, angina, kinkhoest, mazelen, roodvonk, hun toestand is kritiek, ze zijn opgegeven, ze zweven tussen leven en dood, en op een dag liggen ze daar gevoelloos en murw, met nieuwe gedachten over alles. Ze horen dat de oorlog is uitgebroken.

Nog een paar winters, tot de bommen kraters in het ijs slaan, kun je op de vijver aan de voet van de Kreuzberg schaatsen. De fijne glasvloer in het midden is voor de meisjes in klokrokken, die rondjes en achtjes maken; de baan eromheen is voor de hardrijders. In de warme keet helpen de grotere jongens de grotere meisjes met het aantrekken van hun schaatsen en beroeren met hun oorwarmers het zwanenhalsranke leer rond de magere benen. Je moet kunstschaatsen hebben om erbij te horen, en wie, zoals de kinderen, alleen maar houten schaatsen met riemen heeft, wijkt uit naar de ondergestoven hoeken van de vijver of kijkt toe.

’s Avonds, als de schaatsenrijders en -rijdsters uit hun schoenen zijn gestapt, ze over hun schouder hebben hangen en afscheid nemend de houten tribune oplopen, als alle gezichten, fris en gelijk jonge manen, door de schemering schijnen, gaan de lichten aan onder de sneeuwschermen. De luidsprekers worden harder gezet en de zestienjarige tweeling, die in de hele stad bekend is, komt de houten trap af, hij in blauwe broek en witte pullover en zij in een blauw niemendalletje over een vleeskleurig tricot. Ze wachten geduldig de opmaat af alvorens ze van de voorlaatste trede – zij met een vleugelslag en hij met de sprong van een fantastische zwemmer – op het ijs neerkomen en met een paar lange, krachtige streken het midden bereiken. Daar maakt zij zich gereed voor de eerste figuur en hij houdt haar een hoepel van licht voor waar zij, omneveld, doorheen springt, terwijl de grammofoonnaald begint te krassen en de muziek kraakt. De oude heren kijken hun ogen uit onder hun berijpte wenkbrauwen, en de man met de sneeuwschop, die de langlaufbaan rond de vijver veegt, op zijn met lompen omwikkelde voeten, steunt met zijn kin op de steel van de schop en volgt de passen van het meisje alsof ze naar de eeuwigheid voeren.

De kinderen staan nog eenmaal verbaasd: de volgende kerstbomen vallen werkelijk uit de hemel. Brandend. En het geschenk dat ze daarbij niet verwacht hebben, is voor de kinderen meer vrije tijd.

Ze mogen bij alarm hun schriften laten liggen en de bunker ingaan. Later mogen ze snoep sparen voor de gewonden of sokken breien en manden van boombast vlechten voor de soldaten te land, ter zee en in de lucht. En hen, onder en boven de grond, gedenken in een opstel. En nog later mogen ze loopgraven spitten tussen het kerkhof en het vliegveld – dat het kerkhof nu eer aandoet. Ze mogen hun Latijn vergeten en het motorengeronk aan de hemel leren onderscheiden. Ze hoeven zich niet meer zo vaak te wassen; om hun nagels bekommert zich niemand meer. De kinderen repareren hun springtouw, omdat er geen nieuwe meer zijn, en praten met elkaar over tijdbommen en landmijnen. De kinderen spelen ‘Laat de rovers doormarcheren’ in de ruïnes, maar soms zitten ze alleen maar wat, staren voor zich uit en luisteren niet meer als er ‘kinderen’ wordt geroepen. Er zijn genoeg scherven voor hemel en hel, maar de kinderen bibberen omdat ze doornat zijn en het koud hebben.

Kinderen sterven, en de kinderen leren de jaartallen van de Zevenjarige en Dertigjarige Oorlog; het zou hun niet uitmaken als ze alle vijandelijkheden door elkaar haalden, de aanleiding en de oorzaak, die, als je ze uit elkaar kunt houden, je een goed cijfer bezorgen in de geschiedenisles.

Ze begraven de hond Ali en daarna zijn baas. De tijd van de bedekte termen is voorbij. Men spreekt in hun bijzijn van ophangen, liquideren, opblazen, en wat ze niet horen en zien, ruiken ze, zoals de doden van St. Ruprecht, die niet kunnen worden uitgegraven omdat de bioscoop boven hen is ingestort, waar ze heimelijk naar toe waren gegaan om de Romanze in Moll te zien. De jeugd werd niet toegelaten, maar daarna wel bij het grote sterven en moorden een paar dagen later en alle dagen erna.

Er is nooit meer licht in huis. Geen glas in het raam. Geen deur in de hengsels. Niemand roert zich en niemand verheft zich.

De Glan stroomt opwaarts noch afwaarts. De kleine rivier staat, en het slot Zigulln staat en verheft zich niet.

De heilige Joris staat op de Neuer Platz, staat met zijn knots, en doodt de draak niet. Ernaast staat de keizerin en verheft zich niet.

O stad. Stad. Ligusterstad waaruit alle wortels neerhangen. Geen licht en geen brood in huis. Men zegt tegen de kinderen: Stil, wees vooral stil.

Binnen deze muren, tussen de Ring-straten, hoeveel muren zijn er nog? De vogel Wunderbar, leeft hij nog? Hij heeft gezwegen zeven jaar. Zeven jaar zijn om. Jij mijn thuis, jij geen thuis, boven wolken, onder kale rotsen, in de nacht, overdag, mijn stad en mijn rivier. Ik jouw golf, jij mijn anker.

Stad met de Viktringerring en St. Veiterring… Alle Ring-straten moeten bij hun naam genoemd worden, net als de grote sterrenwegen, die voor kinderen ook niet groter waren, en alle straatjes, de Burggasse en de Getreidegasse, ja, zo heetten ze, de Paradeisergasse, de pleinen niet te vergeten, de Heuplatz en de HeiligenGeist-Platz, opdat hier alles genoemd zij, voor eens en altijd, opdat alle pleinen genoemd zijn. Golf en anker. 

En op een dag reikt niemand de kinderen meer een rapport uit en ze kunnen gaan. Ze worden aangespoord het leven in te stappen. De lente daalt neer met heldere, kolkende wateren en baart een halm. Men hoeft de kinderen niet meer te zeggen dat het vrede is. Ze gaan weg, met de handen in gerafelde zakken en een fluitje dat hen zelf moet waarschuwen.

 

Omdat ik, in die tijd, op die plek, onder kinderen was en we onze plaats hebben ingeruimd, geef ik de Henselstrasse prijs, ook het uitzicht op de Kreuzberg, en neem alle sparren, Vlaamse gaaien en het welsprekende loof tot getuige. En omdat ik besefte dat de waard geen groschen meer geeft voor een lege spuitwaterfles en hij mij ook geen limonade meer inschenkt, laat ik de weg door de Durchlassstrasse aan anderen en trek de kraag van mijn jas wat hoger op als ik haar zonder te kijken oversteek om bij de graven te komen, iemand op doorreis wie niemand zijn herkomst aanziet. Waar de stad ophoudt, waar de groeven zijn, waar elke zeef vol resten rolstenen staat en het zand niet meer zingt, kun je een ogenblik gaan zitten en je hoofd in je handen laten rusten. Je weet dan dat alles was zoals het was, dat alles is zoals het is, en ziet ervan af een reden voor alles te zoeken. Want er is geen staf die jou aanraakt, geen verandering. De linden en de vlierstruik?… Niets beroert je hart. Geen verval van vroeger tijd, geen herrezen huis. En evenmin de toren van Zigulln, de twee gevangen beren, de vijvers, de rozen, de tuinen vol goudenregen. In het roerloos herinneren, voor het vertrek, voor elk vertrek, wat moet er voor ons dagen? Er is maar weinig dat ons klaarheid schenkt, en de jeugd hoort daar niet bij, ook de stad niet waar ze zich heeft afgespeeld. Alleen als de boom voor de schouwburg het wonder verricht, als de fakkel brandt, lukt het mij, zoals de stromen in zee, alles vermengd te zien: de opsluiting vroeger in het donker met de vluchten boven de wolken in vurig witte gloed; de Neuer Platz en zijn dwaze gedenktekens met een blik op Utopia; de sirenes van toen met het zoemen van de lift in een flatgebouw; de droge boterhammen-met-jam met een pit waarop ik gebeten heb aan het strand van de Atlantische Oceaan.

 

Ingeborg Bachmann
Verzamelde verhalen

Oorspronkelijke titel Sämtliche Erzählungen

Vertaling Paul Beers

Gebonden met stofomslag, 504 blz.

€ 29,90

ISBN 9789083089850 

NUR 304 

Verschijnt oktober 2021

 

Ingeborg Bachmann

Ingeborg Bachmann
Uitgeverij Koppernik

Meld u aan voor onze nieuwsbrief en ontvang bericht bij nieuwe boeken.

Dank voor uw aanmelding.