Sus is negentien jaar, maar ze lijkt nog steeds een kind, en is opgegroeid onder erbarmelijke en wrede omstandigheden. Haar broer ligt op de intensive care met een granaatsplinter in zijn hoofd. Haar vader zit gevangen wegens de moord op haar moeder – hij had haar vastgebonden op bed en was haar vergeten. Sus probeert haar vertwijfeling weg te dringen en brengt al haar tijd door met zich voorbereiden om haar vader dood te slaan zodra hij wordt vrijgelaten. Sus is er namelijk van overtuigd dat haar vader een monster is, geen mens.

Sus is een hard en onbevooroordeeld verhaal over het zwaarste en sociaal meest achtergestelde milieu in Kopenhagen, dat tegelijkertijd het begrip overbrengt dat bij iedereen een fundamentele menselijkheid aanwezig is.

Oorspronkelijke titel Sus
Vertaling David Grävling

Over Sus:

‘Te midden van de meedogenloosheid voel je ook een tederheid, een empathie voor deze Sus, die me doet denken aan Stieg Larssons jongensachtige wreker Lisbeth Salander, een ander literair buitenbeentje dat het recht in eigen hand neemt.’ Berlingske

‘Dit is niet alleen een uitstekende, maar ook een belangrijke roman.’ Jyllands-Posten

‘[Bengtsson] is een meester in zijn universum en zijn uitdrukkingsvorm.’ Politiken

 

Over Een sprookje:

‘Erg bijzonder wat Bengtsson allemaal bij je gedaan krijgt.’ NRC Handelsblad

1

 

Sus slaapt onrustig en heeft zich weer in het laken verstrikt, ze struikelt er bijna door wanneer ze uit bed stapt. Ze trekt haar trainingsbroek aan. Er wordt aangebeld. Ze valt bijna over de laarzen in de hal. Verdomde klotelaarzen.

Ze doet de deur open. Er staan twee agenten buiten, een jonge en een oude. De oude heet Ivertssen, het is lang geleden dat ze hem heeft gezien.

‘Is mijn broer dood?’ vraagt ze.

‘Nee… Niet dat we weten,’ zegt de jonge agent.

‘We zijn hier niet vanwege Peter,’ zegt Ivertssen. ‘We hebben alleen een paar vragen.’

‘Zijn dat vragen waarop ik antwoord moet geven?’

‘Je kent de spelregels,’ zegt Ivertssen.

‘Ik hoef nergens antwoord op te geven, maar dan kan het gebeuren dat jullie me meeslepen naar het bureau en me vergeten, en dan kan ik zes uur in een verhoorkamer zitten staren en pijn in mijn kont krijgen.’

Ivertssen glimlacht. ‘Ja, zoals ik zei, je kent de spelregels.’

‘We komen echt alleen maar voor een kort praatje,’ zegt de jonge agent. Het lijkt alsof hij had verwacht dat dit heel anders zou gaan. Sus krijgt bijna medelijden met hem, bijna. Ze heeft hem eerder gezien, op de parkeerplaats beneden, rondsluipend als een kinderlokker. Als ze zich niet heel erg vergist, heeft hij Ivertssens oude baan overgenomen.

‘Jullie willen alleen even praten?’

‘Ja.’ De jonge agent steekt zijn hand uit, ze neemt hem niet aan. Hij trekt hem weer terug, maar blijft glimlachen.

‘Ik heet Robert,’ zegt hij.

‘Nou praat, Robert.’

‘Zouden we misschien heel even binnen mogen komen?’

Ivertssen kijkt haar alleen maar aan, hij hoeft het niet te zeggen, ze kent de spelregels tenslotte. Ze kan hun verbieden om de drempel over te komen, maar als ze naar binnen willen, lukt dat ze toch wel. Ze hebben alleen maar gerede verdenking nodig. Dus moeten ze het een of ander vinden wanneer ze het huis binnenste buiten keren. Maar in deze wijk is er altijd het een of ander te vinden.

Ze draait zich om, loopt terug door de hal zonder achterom te kijken, ze hoort hen over de drempel stappen. Als vampiers die binnen zijn uitgenodigd en van nu af aan altijd kunnen komen en gaan zoals het ze uitkomt. Ze denkt nu pas aan de messen. Ze heeft er een paar. Het jachtmes of de grote dolk die ze aan het slijpen is kan zomaar op de salontafel liggen. Ze weet niet precies hoe de wet in elkaar zit. Ja, ze weet dat ze allemaal onwettig zijn als ze er op straat mee opgepakt zou worden. Ze zijn allemaal meer dan zeven centimeter lang, de zakmessen kunnen allemaal worden vergrendeld, het blad klikt vast wanneer het wordt geopend, en een paar ervan kunnen ook met één hand worden bediend, ja, ze kent de wet redelijk goed, maar ze weet niet zeker of die ook binnenshuis geldt. Je mag bijvoorbeeld best een groot keukenmes in de keuken hebben. Ze zou zoiets moeten weten, de wet moeten kennen, de spelregels moeten kennen. Ze is te dom, veel te dom. Fuck, fuck, fuck, denkt ze en ze hoopt dat ze het niet hardop heeft gezegd. Ze is de laatste tijd veel alleen geweest. Als ze door de deuropening van de woonkamer loopt, beseft ze dat de messen misschien niet haar grootste probleem zijn.

De asbak ligt vol met peuken van joints. Het zouden ook zelfgerolde sigaretten kunnen zijn, ze zien er tenslotte hetzelfde uit, maar de geur is niet te miskennen. En het kan ernaar ruiken in het appartement, het kan naar hasj stinken, ze kan zich niet herinneren wanneer ze voor het laatst gelucht heeft. Het is puur toeval dat er geen Rizla, aluminiumfolie en een paar klompjes op de salontafel liggen. Ze kijkt snel om zich heen, het had veel erger kunnen zijn, en misschien kan hasj hun niets schelen. Ivertssen heeft nooit iemand naar het bureau gebracht voor een klompje, anders had hij aan de gang kunnen blijven.

Sus laat zich op de oude leren bank zakken. Ivertssen gaat in de versleten leunstoel ervoor zitten. Meer zitmeubels zijn er niet, dus de agent die Robert heet blijft staan en lijkt niet goed te weten wat hij met zichzelf aan moet.

‘Ik dacht dat je hier niet langer werkte,’ zegt ze tegen Ivertssen en ze hoort zelf dat het ontspannen klinkt.

‘Nee, ik werk nu voor de taskforce, bendecriminaliteit.’

‘Dan is het goed dat jullie me eindelijk hebben gevonden, ik leid een groot drugskartel vanuit mijn tweekamerwoning.’

‘Ja, we hebben je eindelijk te pakken.’ Ivertssen lacht, en zij lacht met hem mee.

Ivertssen was verantwoordelijk voor de samenwerking tussen school, sociale dienst en politie in de wijk toen ze jong was. Hij moest met de jongeren werken, een soort politiepedagoog die de oudere jongens te pakken moest zien te krijgen voordat ze van deugnieten in criminelen veranderden. Toch had ze hem altijd meer gezien als een sheriff in een dubieus westernstadje.

‘Dus wat doe je hier?’ vraagt ze.

‘Ik was vanochtend op bezoek bij Bureau Bellahøj en Robert vroeg me om raad. Er is iets waar hij het graag met je over wil hebben.’

Robert haalt zijn notitieboekje tevoorschijn uit zijn windjack. Hij kijkt erin alsof dat hem een soort van autoriteit moet verlenen. Sus denkt niet dat hij het lang vol zal houden in de wijk.

‘Gisteravond kregen we rond elf uur een telefoontje op het bureau. Een bezorgd persoon in de flat aan de overkant meende dat hij iemand op het dak had zien staan, helemaal aan de rand. De dienstdoende agent dacht dat het misschien een zelfmoordpoging kon zijn, dus stuurden we er een patrouillewagen langs, maar ze vonden niets. Misschien had de persoon de moed verloren.’

‘En wat heeft dat precies met mij te maken?’ vraagt Sus.

‘Het ging om deze flat, en de beschrijving van de persoon die is gezien, zou goed bij jou passen…’

‘Hoe luidde die beschrijving?’

Robert kijkt weer in zijn boekje, bladert eventjes, het ziet eruit alsof hij tijd probeert te winnen. Wanneer hij eindelijk zijn mond open wil doen onderbreekt Ivertssen hem.

‘Houd op die man voor de gek te houden, Sus. Wil je echt zo graag dat hij het zegt?’

‘Wat zegt?’

‘Dat het de beschrijving van een twaalfjarig jongetje was.’

‘Waarom zijn jullie dan niet buiten om twaalfjarige jongetjes op te pakken?’

‘Het komt heel zelden voor dat twaalfjarige jongetjes zelfmoord overwegen. Ze zijn te druk bezig met het drinken van kersenwijn en te kijken of ze iemand kunnen vingeren in de pauze.’

Sus knikt, daar zit iets in.

‘Maar… Als ik zo genoeg van alles had, waarom zou ik dan niet gewoon van de galerij springen? Waarom zou ik het dak op klauteren, is het daarboven niet afgesloten?’

‘Ja, met een groot slot, dat is doorgeknipt met een betonschaar.’

‘Dat klinkt als een hoop moeite.’

Ivertssen krabt in zijn grijze baardstoppels. ‘Ik gok maar wat, misschien hebben ze die kleine hindernis nodig. Hebben ze het nodig om daarboven op het dak te staan, uit te kijken over de daken. Misschien om het iets bijzonderder te maken dan alleen vaarwel en adieu en over de balustrade. Maar wat weet ik. Het zou per slot van rekening niet de eerste keer zijn. We kunnen ons allebei Groenlander-Mads nog herinneren.’

Sus kan zich Mads nog goed herinneren. De altijd lieve en glimlachende Groenlander-Mads, die eigenlijk maar half Groenlands was. Ze was er niet toen het gebeurde, maar heeft het verhaal sindsdien vaak gehoord. Hij had samen met de anderen op het parkeerterrein gestaan, zoals hij altijd deed, en had toen gezegd dat hij even iets moest doen. En iemand had gevraagd of hij een cola mee wilde nemen, en hij had geantwoord: ik geloof niet dat dat kan. Hij was naar de flat gelopen. Ze hadden overwogen om te wachten met het opsteken van de volgende joint tot hij terugkwam, maar hadden dat toch maar gedaan toen er meer dan tien minuten waren verstreken, of het waren er eerder twaalf. Daarna hadden ze hem tegen de grond zien klappen. Het geluid toen hij neerplofte, zou het ergste zijn geweest.

‘Ik herinner me hem,’ zegt ze. ‘Maar helaas kan ik jullie niet helpen.’

Ivertssen kijkt haar aan gedurende iets wat meerdere minuten lijken, die ouderwetse politieblik die voelt alsof je wordt onderworpen aan een levende leugendetector. Dan knikt hij.

‘Zou je ons vijf minuten alleen kunnen laten?’ zegt Ivertssen tegen zijn collega.

Robert ziet eruit alsof hij een heleboel vragen heeft opgespaard, een heleboel goedbedoelde praatjes, en eerst wil protesteren, maar dan geeft hij het op en loopt de kamer uit. Ze horen de deur achter hem dichtklappen.

‘Hij is een rare bleke sukkel. Maar hij bedoelt het goed.’ Ivertssen steekt een sigaret aan, waardoor hij in zijn mouw moet hoesten. Dan kijkt hij naar Sus. ‘Het spijt me van je broer.’

Ze haalt haar schouders op.

‘Het kan niet zo leuk zijn om nu kleine Sus te zijn.’

‘Alsof het dat ooit wel is geweest.’

‘Je vader heeft een verzoek ingediend tot voorwaardelijke vrijlating, maar dat weet je vast.’

‘Ik heb een brief gekregen.’

‘Als er iets is… Als je iets nodig hebt, bel me dan. Of bel Robert. Hij is een clown, maar een goede clown.’

Sus knikt.

‘En nog één ding.’

‘Ja?’

‘Als je van plan bent zelfmoord te plegen, doe het dan hier in het appartement. Drink een glas met slaapmiddelen leeg of koop een pakje scheermesjes. Maar spring niet ergens vanaf. De kinderen in deze flat hebben al genoeg gezien.’

 

2

 

Sus zit achterovergeleund op de bank en denkt erover om een joint te rollen. Ze heeft eigenlijk besloten om ’s ochtends niet meer te roken, maar aan de andere kant krijgt ze niet elke dag de politie op bezoek.

Nee, ze gaat nu niet roken.

Sus moet wilskrachtig zijn, en ze rookt niet voordat het werk van de dag is uitgevoerd. De test van de dag. Want dat doet ze. Sus test zichzelf. Gisteren op het dak was een test. Sus denkt er niet aan om zelfmoord te plegen. Oké, zeg nooit nooit, maar nu niet, er is iets wat ze moet doen, iets belangrijks, het eerste wat belangrijk is in haar leven, en ze is er nog helemaal niet klaar voor, daarom test ze zichzelf. Ze was drie dagen geleden daarboven geweest met een hamer, maar het bleek al snel dat die niet veel uit kon richten tegen het slot. Ze hebben de beveiliging vast aangescherpt na Groenlander-Mads. Gisteren was ze teruggekeerd met een grote betonschaar die ze had gestolen bij de lokale bouwmarkt. Tegenwoordig steelt ze alleen dingen die ze nodig heeft, echt nodig heeft, en die ze zich niet kan veroorloven. De betonschaar had zijn werk gedaan. Ze was de metalen ladder opgeklommen en had het luik naar het dak geopend. Stap voor stap was ze naar de rand toe gegaan. Ze had zichzelf gedwongen. De wind daarboven was harder dan ze had verwacht. Ze had er gestaan, haar armen uitgespreid en in gedachten geteld. Was tot 42 gekomen toen een windvlaag haar bijna over de rand duwde, daarna was ze weer van het dak afgeklommen.

De test van gisteren was geweest: Vrees.

Angst, pijn, uithoudingsvermogen. En wilskracht. Dat zijn de dingen die ze test. Al is wilskracht niet zozeer een test als wel een constante strijd tegen de drang om alles te vergeten, je op te krullen tot een kleine stonede bol en kindertelevisie te kijken.

Wilskracht. Zoals dat ze nu geen joint rookt, maar doorgaat met het programma van de dag. Eerst op de weegschaal. Als een bokser.

Sus kleedt zich uit en gaat op de weegschaal staan, de naald beweegt zich en blijft ergens tussen 41 en 42 kilo staan. Sus is negentien jaar, bijna twintig, maar ze lijkt op een twaalfjarige, dat weet ze heel goed. Ze kan niets aan haar lengte doen, maar ze moet aankomen. Gewicht is belangrijk in een gevecht, belangrijker dan de meesten denken. Sus wil zich graag inbeelden dat het allemaal om techniek en wilskracht gaat. Ze is opgegroeid met de kungfufilms van haar broer waarin een magere Aziaat mannen die twee keer zo groot zijn als hij ervan langs geeft, maar Sus is ook opgegroeid in de flat en heeft gezien hoe de man met het meeste gewicht achter zijn slagen vaak degene is die na afloop nog staat. Het liefst moeten het spieren zijn, maar het mag ook vet zijn, gewicht is gewicht, en gevechten hebben er nooit iets mee te maken of je in vorm bent.

Het enige wat gewicht verslaat, is slechtheid. Brutaliteit en onverschilligheid. Pure slechtheid kan gewicht verslaan, maar zelfs slechtheid heeft een klein beetje gewicht achter zich nodig. De slechtste bosmier van de wereld komt niet heel ver.

Sus heeft geprobeerd slaolie te drinken, maar ze ging er zo erg van aan de schijterij dat ze anderhalve kilo in een dag verloor. Dat was nu niet precies de bedoeling, het was zelfs het tegenovergestelde van wat ze probeerde te bereiken. En toiletpapier kost tenslotte ook geld, geld dat ze had kunnen besteden aan echt voedsel. Ze had in elk geval een shoarmawrap bij de Turk op de hoek kunnen krijgen, en in plaats daarvan zat ze daar met pijn in haar kont.

Sus kijkt omlaag naar de weegschaal. Als ze naar voren leunt, beweegt de naald zich naar 42 kilo. Maar Sus wil niet sjoemelen. Ze heeft de weegschaal bij het vuilnis gevonden, hij is oud en een beetje roestig. Ze vertrouwt er niet op, dikke mensen kunnen hem gebruiken, ze kunnen hun vooruitgang aflezen aan de verloren kilo’s, maar zij moet vechten voor elke gram die ze aankomt.

Sus heeft een betere weegschaal nodig. Ze heeft een digitale weegschaal nodig. Dat zal de test van de dag worden, een goede digitale weegschaal stelen.

Sus plast. Ze kleedt zich aan. Ze heeft niet veel kleren. Als ze het appartement verlaat, trekt ze bijna alles aan wat ze heeft om warm te blijven. Het maakt haar ook iets groter om te zien, vult haar op. Dat kan ze goed gebruiken. Ze neemt de lift naar beneden. Ze woont op de zevende verdieping. Ze had zichzelf beloofd om nooit terug te keren naar de flat, maar kon geen andere plek vinden om te wonen, en kinderen uit de flat hebben voorrang op een appartement. Dat was vast heel goed bedoeld in die tijd, meerdere generaties die zij aan zij wonen, maar Sus kan het niet anders zien dan als een vloek. Horigheid, dat is het woord dat ze zoekt.

Ze komt aan het eind van de parkeerplaats en gaat naar links.

 

3

 

Het winkelcentrum is net open. Een paar passen achter de draaideur staat een bewaker, een grote man met kwabben over de nylonriem, hij zweet ongezond in het lichtblauwe overhemd. Het lijkt alsof hij iets van zijn schoen probeert te krijgen, misschien een stukje kauwgom waar hij in is getrapt. Hij is niet het probleem. Tenzij Sus recht op hem af loopt, en hij er als een doelman met gespreide armen staat, zal ze hem altijd af kunnen schudden.

Het winkelcentrum is bijna verlaten, ze ziet twee vrouwen met hoofddoeken om en kinderwagens, en een paar van de lokale meisjes die hiernaartoe komen om op de banken gratis tijdschriften te lezen of goedkope koffie te drinken in het café met de kunstpalmen.

De volgende bewaker staat op nog geen vijf meter van de winkel in huishoudelijke artikelen. Hij is goedgetraind, even groot als de andere, maar zonder een overbodig grammetje vet op zijn lichaam, het type dat nu steroïden neemt omdat het een stuk moeilijker is als je eenmaal op de politieschool zit. Sus heeft spijt van haar beslissing, niet van de beslissing om een digitale weegschaal te stelen, ze heeft die weegschaal echt nodig, maar om het als een test te doen. Nu is ze gedwongen om het vandaag te doen, om het meteen te doen nu het het moeilijkst is. Ze mag niet weglopen, niet ‘later’ zeggen, dat is een van de regels. Het zou veel makkelijker zijn als het winkelcentrum vol met mensen was, wanneer de bewakers geen oog voor iets anders hebben dan voor verslaafden en luidruchtige allochtone kinderen, en de verkoopsters druk bezig zijn met het inpakken en verkopen van vazen en keukenmessen. Nu is het een uitdaging. Maar daarom is het tenslotte ook een test. Een test in je hoofd koel houden, in wilskracht. Ze kan gepakt worden, maar ze mag het niet opgeven en ervandoor gaan.

Ze gaat de winkel binnen, er staan twee verkoopsters achter de kassa. Mooie meisjes, een paar jaar ouder dan zijzelf. Ze staan te kletsen, de ene frunnikt aan haar mobiele telefoon, ze lijken geen aandacht aan haar te schenken. Dit zou wel eens hun lievelingstijd van de dag kunnen zijn, vlak nadat de winkel is geopend, maar voordat er klanten komen die hen storen. Dit is het moment waarop ze over vriendjes en kleren praten, en waar meisjes nog meer over praten, Sus gokt maar wat. 

Ze kijkt om zich heen naar camera’s, er zijn zo langzamerhand in alle winkels camera’s. Zelfs in de vuilste avondwinkels hebben de Pakistanen een camera geïnstalleerd, al is het maar om te voorkomen dat alle pornoblaadjes worden gestolen. Maar er zijn altijd blinde hoeken. Sus weet waar ze op moet letten, ze heeft de eerste camera bij de ingang gezien. Ze loopt door de winkel. Dwingt zichzelf om langzaam te lopen, geen warmtezoekende raket, of een meisje dat wil grijpen wat ze kan en er dan vandoor wil gaan. Ze vindt de plank met weegschalen. Kijkt er vlug naar, kiest de duurste uit, die vast ook de meest precieze is. Ze neemt de weegschaal onder haar arm. Ze loopt verder langs potten en pannen, langs glazen en mixers. Als ze er vrij zeker van is dat ze in de blinde hoek van een van de camera’s staat, zoekt ze de kleine magneetstrip aan de achterkant van de verpakking die het alarm zal doen afgaan. Ze haalt snel haar zakmes uit haar zak, zet het blad onder de magneetstrip, snijdt hem eraf. Ze legt de sporttas op de grond en doet de rits open. Dat werkt niet zo goed. De sporttas is langwerpig en de weegschaal is vierkant, het lijkt op een van die tests die ze op school moest doen toen ze dachten dat ze ADHD had. Ze drukt en duwt en schuift. Het lukt, maar niet erg netjes, de rits staat vijf, tien centimeter open. Waarom moest ze ook net dit klotetijdstip kiezen? Waarom moest ze er per se een test van maken? 

Maar nu is het gebeurt, ze kan zich niet langer bedenken. Ze loopt langs vazen en schalen en koffiebekers. Ze loopt naar de uitgang. Ze voelt haar hartslag in haar slapen, maar probeert rustig te lopen, dwingt zichzelf om niet te rennen. Ze ziet de verkoopsters, ze loopt recht op hen af, heeft oogcontact met een van hen. Sus glimlacht, alsof ze ergens om wil vragen, maar vlak voor ze bij de toonbank is, haalt ze haar mobiele telefoon uit haar zak. Het is lang geleden dat ermee gebeld is, en wie zou ze er in godsnaam ook mee moeten bellen, maar nu spreekt ze in het toestel, zegt: hadden we niet afgesproken elkaar voor de deur te ontmoeten, ze zegt: ik kom eraan. Ze blijft in die stomme telefoon praten tot ze de winkel uit is. Ze loopt door tot ze de eerste hoek om kan slaan, en dan begint ze te rennen.

 

4

 

Sus haat zoveel dingen. Van alles en nog wat. Nee, haat is niet het goede woord. Sus veracht. Ze veracht zoveel dat ze bijna helemaal uitgeput is. En Sus woont in een wijk waar verachten makkelijk is.

Sus veracht de groentemannen met hun verrotte fruit dat ze toch elke ochtend voor de winkel zetten. Hun vieze Duitse snoep en de boze huilende smileys die achter in de zaak zijn verborgen.

Sus veracht de alcoholisten die zich gedragen alsof de lokale kiosk een bar is met het hele jaar door buitenbediening. Hun berg van sigarettenpeuken op de stoep, hoe ze daar staan te wankelen, en hoe zij dan om hen heen moet lopen, de weg op. Ze haat hun geroep, kom met me dansen, dametje, al is het nooit tegen haar gericht.

Sus veracht de bedelaars. Meer dan wat ook veracht ze de bedelaars.

Ze veracht de dakloze voor de supermarkt met zijn roodgeaderde huid, zijn vieze krantjes, dat hij altijd glimlacht, en zijn goedendag wanneer je voorbijloopt. 

Ze veracht de kleine donkere man die waggelt op zijn kapotte, naar binnen gerichte voet, met zijn als een schaal gevormde hand, die je nooit aankijkt, alleen zijn hand naar je uitstrekt en zo snel weer weg is als je hem niets geeft. 

Sus veracht de bedelaar onder de spoorlijn die altijd in ongemakkelijke positie bedelt, met neergeslagen blik, als een Jezus die van het kruis is gehaald.

Sus veracht ook de bedelaars die proberen niet op bedelaars te lijken. Zoals die zigeuner met de accordeon die lawaai maakt als een vorm van afpersing, geef me geld, zodat ik kan leren spelen of terug kan gaan naar Roemenië en jullie oren en humeur niet langer hoef te verpesten.

De sjacheraars die op hun krukjes zitten met een vies tapijt voor zich uitgespreid, vol dingen die niemand wil hebben, maar die ze evengoed proberen te verkopen. Een mobiele telefoon met uittrekantenne, afstandsbedieningen zonder televisies, een oude walkman voor cassettebandjes, afgetrapte gymschoenen met zolen vol gaten.

Sus veracht, maar ze hoopt het op een dag te kunnen upgraden naar haat. Haat kan woede worden, en woede is het beste tegengif tegen angst, daar is ze bijna zeker van.

 

Vertaling Bart Kraamer
Paperback met flappen, 180 blz.
Prijs: € 18,50
ISBN: 9789492313386
Verschenen januari 2018

Jonas T. Bengtsson