Een oude man kijkt in de bange ogen van een inbreker die hem moet bewaken terwijl zijn broer mishandeld wordt; de bestuurder van een auto die verongelukte, waarbij een jong meisje omkwam, krijgt een band met de moeder van het meisje; een jongeman begint ’s ochtends aan zijn hardlooprondje, nadenkend over de puinhoop van zijn relatie, maar niet alles is zoals het lijkt.
Donal Ryans verhalen leggen de menselijke tragedie van eenzaamheid, isolatie en onthechting bloot. Soms vinden ze plaats in het alledaagse leven; soms worden ze opgeroepen door een noodlottige ontmoeting of een tragische beslissing. De verhalen beschrijven hoe mensen tot elkaar worden aangetrokken en zich vastklampen aan liefde, vaak in wanhopige omstandigheden. In indringend en vaak ijzingwekkend proza beschrijft Donal Ryan de wrede schoonheid van het menselijke hart met al zijn verwachtingen en tekortkomingen.

‘Zijn personages hebben voetzolen als schuurpapier, ze wonen in doodlopende straten, in huizen met te dunne muren. Ze spelen hurling en ze drinken. In Donal Ryans verhalenbundel Een stand van de zon weerklinken stemmen uit landelijk Ierland, meer bepaald uit Limerick en Tipperary.’ De Standaard

‘Zeldzaam goed.’ NRC Handelsblad *****

De passie

Ze huilt soms, zonder geluid. Ik weet dat ik niets moet zeggen, alleen mijn hand onder de hare op de versnellingspook moet laten liggen. Waar was je al de tijd voor de rechtszaak, vroeg ze me een keer, in het begin. In mijn kamer, zei ik, ik sliep veel. Alsof het de gewoonste zaak van de wereld was zei ze dat ze had gehoord dat ik in de Ragg was gezien en in Easy Street in Nenagh. Ze beschuldigde me niet, vertelde alleen wat ze had gehoord. Ik zei dat ik er niet was geweest, en dat was genoeg. Je hoort zoveel dingen, zei ze. Mensen denken dat ze helpen. Ik kijk soms naar de zijkant van haar gezicht als ze huilt, de rechte lijn die de tranen langzaam over haar wang trekken, het rood van haar lippen, en ik wil haar wang aanraken, het bewijs van haar verdriet wegvegen. Maar ik doe het nooit.

Mijn vader en moeder weten niet wat ze tegen me moeten zeggen. Ga je weer trainen? Mijn schouder, pa, ik kan nauwelijks een hurlingstick met mijn rechterhand optillen. O, ja. Ja natuurlijk. Meer fysio misschien. En ik zeg iets als Hij is voorgoed naar de klote, pa. En hij klemt zijn kaken op elkaar en ik zou zeggen dat hij bij zichzelf denkt Hij moet die grofheid uit de gevangenis hebben en God weet wat hem in de gevangenis is overkomen en ik zou zeggen dat hij alleen maar aan mij in de gevangenis denkt sinds de dag dat ik veroordeeld werd en hij vraagt er nog steeds niet naar, nooit. Zou je niet een paar ballen in het veld slaan of tegen de muur verderop en misschien dat het goed komt? En ik zeg niets en hij tikt met zijn wijsvinger tegen zijn voorhoofd alsof hij niet weet dat hij het doet en vraagt of ik nog een stuk van de vruchtencake wil.

Ze maken ’s ochtends patat voor me en geven me borden met vlaai en slagroom en kopjes gloeiend hete thee voor mijn elfuurtje, zoals zij het noemen, en we eten een avondmaaltijd bij de lunch en weer een avondmaaltijd bij de avondmaaltijd en de magerte die ik in de gevangenis heb gekregen is bijna weg. Ik begin dik te worden. Ik zal binnenkort iets moeten gaan doen wat niet te veel van mijn schouder vergt, rennen of voetbal of zoiets. Maar Bonny’s broer speelt voor de junioren en ik zou hem op de trainingen tegenkomen en dat zou niet eerlijk tegenover hem zijn.

Mijn moeder staat theedoeken uit te wringen terwijl ze door het achterraam naar de vogels kijkt en afgeeft op de manier waarop die ouwe slechte teef van een kat op hen ligt te wachten, in elkaar gedoken achter de bomen. Ze had een dood winterkoninkje achtergelaten op de trap van de achterveranda en mam schreeuwde toen ze het zag. De kleine schat, zei ze. En ze wilde Poes haar avondeten niet geven hoe ze ook jankte bij het keukenraam en krabde met haar poot. Ze kan me wat, dat moordzuchtige kreng. Daarna werd ze wat milder toen pa zei Ze heeft die vogel voor jou gedood, Moll, en als een cadeautje voor je achtergelaten, omdat ze zo dol op je is. Maar Poes kreeg nog steeds geen eten.

Je moet die mensen benaderen, had mijn vader een keer gezegd, lang voor het onderzoek of de rechtszaak. Toen ik nog in het verband zat en gips om mijn arm had. Waarom zou hij, PJ? barstte mijn moeder vanuit het niets los en hij schrok. Hij had niet geweten dat ze er was. Om te zien of hij op een of andere manier iets goed kan maken, om hun te laten weten hoeveel het hem spijt. God allemachtig, zei ze. Spijt? Spijt? Is het in godsnaam niet duidelijk te zien dat hij spijt heeft? Wat willen ze? Het was toch een ongeluk? Hij deed het toch niet expres, of wel? Of wel? Of wel? En hij heeft het nooit meer herhaald, en ik bleef dat jaar voornamelijk in mijn kamer, me vastklampend aan de rand van mijn kinderbed. Ze hebben hun wraak gehad, die menigte, hoorde ik mijn moeder zeggen nadat ik vrij was gekomen. Ze kunnen hun gewonde gezichten wegdraaien. Mijn kind was me ook afgenomen en ik kreeg hem veranderd terug. Harde mensen, die menigte.

De eerste dag in de rechtszaal pleitte ik schuldig en de rechter keek me heel lang aan voordat ze begon te praten. Schuldig dus, hè? Yep, ja juffrouw, ja mevrouw, ja edelachtbare. Toen herinnerde ik me dat de advocaat had gezegd dat ik haar rechter moest noemen. Ja, rechter. Toen ik opkeek van de grond had ik kunnen zweren dat ze een klein beetje naar me glimlachte. Er werd wat gepraat en een datum vastgesteld waarop ik moest terugkomen. Mijn vader legde zijn hand op mijn arm toen we naar buiten liepen. Jim Gildea kwam die ochtend bij ons langs in de politieauto hoewel hij eigenlijk met pensioen hoort te zijn om te zeggen dat er een woedende oom over was gekomen uit Engeland, de broer van de moeder, hij was al twee dagen aan de boemel geweest in Limerick, dat we voor hem uit moesten kijken bij de rechtbank, een lepe knaap, potig, met brede schouders. Hij zei dat hij de jongens in Nenagh zou bellen zodat ze gewaarschuwd zouden zijn, maar dat we toch op moesten letten. Dank je, Jim, zei pa. Jim schudde me de hand en wenste me geluk.

Het was Jim die bij ons kwam die nacht, en hij huilde terwijl we op de ambulance wachtten, en hij hield mijn hand vast en ik fluisterde Bonny, Bonny, Bonny, en ik kon me niet bewegen en Jim zei tegen me Ze is weg, ze is weg, blijf kijken, blijf naar me kijken.

De oom dook op van achter een pilaar bij de deur van de rechtbank. Hij droeg een pak, en hij had niet gedronken, zeiden de jongens van Nenagh later om zichzelf vrij te pleiten. Hij had een envelop in zijn hand, wat zoveel wilde zeggen dat hij een legitieme reden had om aan het hof te zijn. Hij wrong zich door een opening die er nauwelijks was, tussen een agent en een advocaat, zijwaarts door de lucht snijdend; ik voelde zijn hete adem voordat ik hem echt zag. Hij was een kleine rode man met grote vuisten en hij had drie klappen uitgedeeld voordat ik de eerste voelde. Vier schaduwen vielen op de oom en ik lag onder hen en mijn rug was verwrongen in een vreselijke hoek vanaf de bovenste trede en mijn slechte schouder brandde en toen ze hem wegtrokken schopte hij nog steeds en pa zat op de grond en probeerde overeind te komen en er liep een dun lijntje bloed van zijn neus naar zijn mond en er was niemand die hem hielp.

De tweede dag in de rechtbank hield de rechter een speech over jonge mannen die haast hadden terwijl ze nergens naartoe gingen en ze vroeg naar mijn beroepsbegeleidende leerweg en Bobby Mahon stak zijn hand op en kwam half overeind met een rood gezicht en zei bijna fluisterend dat ik in mijn derde jaar bij hem was en op het punt stond mijn papieren te krijgen en Pawsy Rogers liep naar voren en zei dat ik een goeie jongen was en een prima hurleyspeler en een harde werker en dat mensen als ik het zout der aarde waren en hij keek vol schuld en verdriet opzij naar Bonny’s vader en broer en zus en haar tantes en ooms en haar grootvader en Pawsy ging evengoed verder dat er alleen nog maar meer schade zou worden aangericht als deze jongen de gevangenis in ging en er was een halve minuut of zo van geschuifel en geroep en iemand huilde en mensen werden naar buiten geleid en de rechter werd toen een beetje nijdig denk ik en haar hamer versplinterde bijna het hout van haar bank en ze bedankte Pawsy maar ze klonk helemaal niet dankbaar en het haalde niets uit en een man in een lichtblauw overhemd en een blauwe das pakte me zachtjes bij mijn elleboog en vroeg in mijn oor of ik er rechtstreeks naartoe of eerst naar huis wilde en ik zei dat ik er rechtstreeks naartoe wilde en ik noemde mijn moeder Mama en mijn vader Papa terwijl ze me bleek als geesten vasthielden en de man in het lichtblauwe overhemd zei Oké, kom, en terwijl de deuren van het busje dichtgingen op de kleine parkeerplaats achter de rechtbank voelde ik hoe het lichter in me werd, een loslaten, alsof ik plat was uitgestrekt en op een zachte deining dreef.

De eerste avond dat ik die kant uit reed in moeders Clio was ik nog geen week uit de gevangenis. Ik dacht alleen nog maar aan opbellen. Probeerde het gevoel te testen dat ik zou hebben als ik echt zou bellen, erachter te komen hoe erg ik zou trillen en hoe misselijk ik me zou voelen. Ik had een mengelmoes van woorden in mijn hoofd, zinnen met dingen die ik kon zeggen die niet in een volgorde stonden. Ik had bedacht om misschien wat dingen op te schrijven en uit mijn hoofd te leren, maar toen had ik een beeld van mezelf terwijl ik dingen opdreunde, als een kind dat met een rode kop de tafels en de draad kwijtraakte, bevend van angst en schaamte terwijl ze allemaal naar me stonden te kijken, zelfs nog beschaamder dan ik, en alleen maar wilden dat ik zou weggaan en ophield hun aan hun pijn te herinneren. 

Het regende en ze stond bij de muur van hun poort in een regenjas met een doorzichtige capuchon over een oude hoofddoek, wachtend op een lift naar de stad neem ik aan. Ik schrok ervan haar daar te zien en minderde vaart en stopte zonder erbij na te denken en draaide het raam omlaag, en toen ik naar buiten keek in de regen waar ze stond was er geen enkel bekend woord in me en zij was even stil en haar mond vertrok alsof ze iets wilde zeggen en haar groene ogen werden een beetje wijder en hoe gek en onverwacht het ook was leek het helemaal niet verkeerd toen ze om de auto heen naar de passagierskant liep. Ze keek om naar het huis alsof ze iets of iemand verwachtte te zien die haar kon tegenhouden of haar tot haarzelf terug kon brengen. Maar er was niemand of de lege ruimte die er was had niet genoeg macht over haar, en ze schudde even met haar hoofd en ging naast me zitten en ik zag dat ze rode schoenen met niet heel hoge hakken droeg en een rok die korter was dan haar losjes dichtgeknoopte regenjas en ze rook naar regen en koude lucht en parfum en zeep en iets anders wat mijn hart deed bonken als een waanzinnige tegen de muur van een isoleercel. Rijd naar de uitkijkplaats, zei ze, en ik parkeerde op de heuvel boven het meer en we zaten uit te kijken over de Clare Hills aan de overkant en het donker dat erop neerdaalde. En het enige wat ze zei was Reed je te hard? En ik zei dat ik dat deed. En ik probeerde me niet te bewegen en geen geluid te maken terwijl ik huilde en ze legde haar hand voor de eerste keer op de mijne en er kwam iets in me omhoog, als bubbels in een fles die hard was geschud en te snel was geopend.

Er was een gevangenenbewaarder die de pupillen van Roscrea trainde en die jaren geleden met mijn vader in de aluminiumfabriek had gewerkt. Hij ging over het onderhoud in de gevangenis. Hij gaf me overdag klusjes te doen, verf afschrapen of vegen of papier verzamelen, of als hij met een ingewikkelde klus bezig was liet hij me in mijn cel en zei Stort je maar op je boeken als een brave jongen. Hij bleef rondhangen op mijn eerste avond hoewel hij klaar was met zijn dienst en bracht me naar de spelletjeskamer en ging met me mee naar binnen en vroeg of ik een partijtje pool wilde spelen en hij wees naar een paar geblokte vechtjassen en zei Let op deze jongen voor me, oké? En ik kon nauwelijks ademhalen van angst toen hij wegging. Maar die jongens waren best oké en ik leerde al snel om voortdurend naar de grond te kijken en me overal buiten te houden.

Ik vertelde haar deze verhalen gedurende een groot aantal ritten, over de treden van de rechtbank en hoe het in de gevangenis was, en ze luisterde zonder iets te zeggen. Ze wist niets van de dingen die waren gebeurd, zelfs niet dat haar broer terug was geweest. Ze had medicijnen genomen die de dokter haar gaf om te verhinderen dat ze gek werd en daardoor was ze zichzelf vrij lang kwijt geweest. Ik vertelde haar over het waterige eten, de ziekenhuisgeur in de gang, de er gemeen uitziende klootzak twee cellen verder met het litteken diagonaal over zijn gezicht, vanaf zijn kin door zijn lippen, langs zijn neus tot aan zijn voorhoofd. Het zat zelfs op zijn ooglid. Hij schreeuwde ’s nachts soms en huilde als een kind en drie of vier gevangenbewaarders brachten hem dan naar de ziekenzaal met een deken over zijn schouders. Ze zei Hoe heeft zijn oog het gered? Ik wist het niet. Ik had het hem niet gevraagd. Het moest hard dichtgeknepen zijn toen het mes eroverheen ging. Ik vertelde haar over de nachten dat ik daar in het schemerlicht op een stapelbed lag onder een man die geen kijkgeld wilde betalen en de hele nacht scheten liet en snurkte en ervan hield om in de gevangenis te zijn.

Ik zit daar en zij zit daar en ze legt haar hand op de mijne en soms voelt hij koud als ze te lang op me gewacht heeft. Ze zei een keer: Je weet hoe Onze Heer geleden heeft tijdens zijn kruistocht en hoe het vlees van Hem werd afgestroopt. Dat is het soort pijn dat ik wilde dat ik voelde in plaats van dit… dit… En ze had er geen naam voor en dat heeft ze nog steeds niet. Er zijn woorden voor, neem ik aan. In mijn hoofd zijn ze in ieder geval niet. Sommige avonden zegt ze helemaal niets en zit ik door de voorruit naar de strepen van de regen te kijken of naar het zonlicht dat zich vasthecht aan de vegen op het glas die ik er de hele tijd af wil vegen. Maar haar hand ligt altijd op de mijne en hij is altijd warm na een minuut of twee en het voelt alsof hij een deel van me is.

Ze zegt soms plotseling dingen in die stilte, woorden die op zichzelf staan en nergens op slaan, en dan weer stilte. Soms pakt ze de woorden weer op, alsof ze even heeft nagedacht over het idee dat de woorden vertegenwoordigden. De warmte, zei ze op een dag. Daarna kilometerslang niets. Je hebt die nu dubbel, misschien. En Bonny heeft niets. Ik voel de warmte van je af komen. Misschien doordat je die van haar te dragen hebt gekregen. Misschien, misschien. Ik voel de warmte van je af komen, ze komt uit de botten van je hand, zelfs wanneer je hand koud is. Ze dringt bij me binnen. 

En dat is het enige wat ze ooit over warmte heeft gezegd. Ze zegt af en toe dingen vanuit het niets die klinken als vragen maar uit haar toon en de manier waarop haar hoofd van me is afgewend kan ik inmiddels opmaken dat ze niets aan me vraagt. Misschien weet ze niet eens dat ze hardop spreekt. Ik vraag me af wat je van me weet, zei ze een keer. Ik vraag me af wat Bonny je verteld heeft. Praatten jullie wel tegen elkaar, ik weet het niet. Jullie waren altijd heel stil boven in haar slaapkamer. Hoe lang gingen jullie met elkaar?

En ik had bijna geantwoord dat het elf maanden en een beetje was geweest en dat ze ongeduldig had gewacht tot het er twaalf zouden zijn en ze had een Claddagh-ring voor ons eenjarig jubileum uitgezocht in Fitzgibbon’s Jewellers, maar op het moment dat ik mijn mond opende begon ze weer te praten, zei O ja, begonnen jullie niet vlak na haar eindexamen uit te gaan? Waarom ben je eigenlijk niet met haar naar het bal gegaan, vraag ik me af. En ze vraagt het zich nog steeds af omdat ik geen antwoord gaf en ik denk ook niet dat ze er een verwachtte.

Ze is het enige waaraan ik denk, het enige wat in mijn hoofd zit, de hele dag, elke dag. Ik tel de uren en minuten en seconden tot ik de auto te leen kan vragen en lieg dat ik even wat rond ga rijden of de jongens ga ontmoeten of iemand een lift naar de training geef. Het beeld van haar rechterdij staat op de binnenkant van mijn ogen gebrand en de zwarte panty en haar rok die eroverheen omhoogkruipt terwijl ze er zonder iets te zeggen zit en ik me schaam over het verlangen in mezelf, ik bid soms tot God om het harde weg te halen, het foute. Soms hebben we kilometers gereden voordat ze iets zegt, als ze überhaupt al spreekt, of we staan geparkeerd in Castlelough en kijken uit over het meer en de donkere heuvels of we zijn op de parkeerplaats van het winkelcentrum in Limerick of in de Clare Gens omgeven door bomen en zingende vogels. Ik denk over haar ogen en hoe groen ze zijn en haar lippen, gezwollen alsof ze door een bij zijn gestoken. Hoe ze eruitziet alsof ze huilt zelfs als ze dat niet doet. Over de rechte lijn die de tranen over haar wang maken, altijd. Over hoe haar hand op de mijne voelt, de warmte van het bloed dat erdoorheen stroomt.

Meisjes en hun moeders zijn de beste vrienden of ze kunnen elkaar niet uitstaan, dat is de regel, vertelde ze me. Het is altijd het een of het ander, er is geen tussenweg bij vrouwen. Niet zoals mannen, die kunnen met elkaar overweg, vallen nooit tegen elkaar uit of gaan te veel in elkaar op. Het is alles of niets. Ze was nog maar negentien toen Bonny werd geboren. Bonny was twee jaar jonger dan ik. Dat gekke wijf dat we voor religie hadden bij de Broeders. Op een dag zei ze iets waar ik nu vaak aan denk. De mensheid zal evolueren tot er iets is bereikt. Iets. Iets. Apotheose. Tot dat moment worden we voornamelijk gedreven door dierlijke instincten. Is dat alles wat ik ben, een dier? Stel je voor dat je deze dingen doet en niets voelt, je alleen zorgen maakt over de dag die zeker zal komen wanneer ik niet meer in staat zal zijn deze dingen te doen. In een auto zitten, haar lichtjes aanraken, gevuld worden met een soort pijn die het zoetste is wat ik ooit heb gevoeld. Een kalm, stil dier, wachtend. Ik weet ik nooit of ze er zal zijn tot ik haar stil zie staan tegen de hoge muur aan het verborgen eind van de oude molen achter Ballinaclough Cross. Sommige dagen is ze er en vaker is ze er niet. En ik denk dat ik ooit aan iemand ergens zal moeten uitleggen hoe ik ermee kon leven, de afschuwelijke verkeerdheid ervan, de verschrikkelijke, onvergeeflijke vreugde die ik elke keer voelde wanneer ik haar daar zag wachten. En Bonny dood, prachtige, prachtige Bonny, haar dochter, en ik had haar gedood, en ik kon me haar gezicht nauwelijks nog herinneren. Ik zal voor een eeuwigheid branden in de hel en het kan me niet schelen.

Er is een soort vrede nu in de wetenschap van de wegen die zich voor me uitstrekken, er zijn er maar twee, en ze zijn zo duidelijk alsof ze met een zwarte stift op een witte pagina zijn getekend, met mijn huidige leven een stip op de plek waar ze samenkomen. De ene is dood en de andere leven. Ik zal Bobby Mahon bellen en vragen om hij me terug wil nemen voor nog zes maanden en ik zal me melden bij mijn laatste werkcursus in Limerick en wanneer ik mijn papieren heb vraag ik haar of ze met me mee wil naar Canada of Nieuw-Zeeland of een van die andere plaatsen en als ze Ja zegt zal ik nooit meer een dag droevig zijn en als ze Nee zegt zal ik nooit meer een dag droevig zijn en mijn geluk beproeven bij de Goede Heer boven van de beweerde oneindige barmhartigheid en mijn vader en moeder zullen voor eens en altijd verlost zijn van de last van de zorgen die ze zich om me maken. Binnenkort zal ik me naar haar toe buigen en haar op haar lippen kussen en dan zal er geen terugweg meer mogelijk zijn en alles wat ervoor gebeurd is zal alleen nog maar stof zijn.

 

Paperback met flappen, 224 blz.
Prijs: € 18,50.
ISBN: 9789492313140
Verschenen oktober 2016

Donal Ryan