De vijftienjarige hoofdpersoon en haar afstandelijke financieel geruïneerde, maar toch geliefde vader, Johannes, gaan samen op een cruise naar Griekenland aan boord van de Proleterka. Vanuit een vreemd, telescopisch perspectief, verteld vanaf de dag dat ze plotseling besluit dat ze de as van haar vader wil ontvangen, vertelt ze over haar jeugd. Haar hertrouwde moeder, koud en ver weg, stond de vader slechts sporadisch toe zijn kind te komen bezoeken, dat weggestopt zat bij familieleden of op een school voor meisjes. Aan boord van de Proleterka heeft ze heftige, vleselijke omgang met de zeelui: ‘Ik had geen ervaring met het andere deel van de wereld, het mannelijke deel.’ In de ban van het verlangen ervaring op te doen beschrijft ze zelfverzekerd zowel haar afspraakjes als hoe ze haar vader vrijwel totaal negeert.

SS Proleterka is een genadeloos onderzoek naar afstand, schroom en wrok.

 

‘Van de bij ons nagenoeg onbekende Zwitserse schrijfster Fleur Jaeggy heeft uitgeverij Koppernik twee boeken uit het Italiaans vertaald. Het best te lezen gezeten op een oude, harde stoel zonder leuning, met gerechte rug en het zonlicht volledig geweerd.’***** Vicky Vanhoutte in De Standaard

‘In het werk van mijn nieuwe lievelingsschrijver, de Zwitserse Fleur Jaeggy, zijn de twee soorten tot in het extreme uitgetekend, zonder tussen- en mengvormen. Ik vermoed dat Jaeggy zelf slecht is in ruimte innemen, want haar romans zijn meestal maar rond de honderd pagina’s. Haar proza daarentegen is doornig en eigenzinnig, ik herken daarin het verlangen om van het eerste soort te zijn, om niemand te hoeven behagen. De schrijver geeft weinig hulpmiddelen, haar alinea’s springen halverwege soms ineens jaren terug of vooruit en dan moet je je als lezer maar zien te redden.’ Persis Bekkering in De Gids

‘Je hebt personages die je uitleggen wie ze zijn, doorgaans vreselijk. En je hebt personages die zelf ook niet weten wie ze zijn, die zich oriënteren, die een gooi doen naar duiding. Ze zegt ergens in die korte verhalenbundel: ‘Ze wensten niets anders dan afstand doen.’ Dat lijkt ook voor haar verhalen te gelden.

Nou. Ik word unheimisch van dat ascetische. Van al dat afwijzen. Alsof er iets mis is met het volle leven. Meer angst dan iets anders.

Ja. Nee. Dat kun je wel stellen. Maar daar kun je toch niets van vinden? Hoe kun je de mensen nu angst kwalijk nemen? Of romanpersonages. Het gaat júíst over het volle leven. Het gaat over zusterschap, over een vriendschap die een liefde is die een vriendschap is. En een gevangenis. De ik van Jaeggy is een ontsnappingskunstenaar met heimwee naar de gevangenis.

Ik ga het niet lezen.

Dan lees je het niet.

Ik ga iets levensbevestigends doen.

Nou, geweldig.

Biertje?’ 

Doe. Of nee, wodka, één klontje ijs. Lees het nou wel, lees die andere roman. SS Proleterka. Dan hoor je iets over het zachtmoedige in zwijgen en niet handelen en het agressieve in spreken en wel handelen.

Nee.’ Hanna van Wieringen in De gids

Christophe Vekeman over het zwartgeblakerde proza van Fleur Jaeggy tijdens het mooie radioprogramma Pompidou: https://klara.be/pompidou-donderdag-4-april-2019?fbclid=IwAR0v0FnrQEP_vefEGa4O3wLbANvpzUDaDPYA_Hgj44s47oU8DEBaB3ia2MA

‘Al op de eerste pagina  van SS Proleterka (Koppernik) krijgt de ik-figuur de spijker terug die ze in de zak van haar vader stopte voordat hij in de crematoriumoven verdween. Zo’n beeld maakt nieuwsgierig. Die vader is een afstandelijke man die zijn dochter na de scheiding maar zelden mocht zien.

Als ze vijftien is, neemt hij haar mee op een cruise naar Griekenland waar zij de andere sekse leert kennen en haar vader waar mogelijk ontloopt. De Zwitsers-Italiaanse Fleur Jaeggy roept met een paar sterke details de eenzame jeugd van dit meisje op, dat opgroeit bij haar oma die een ‘ijzige genegenheid’ voor haar kleindochter koestert. Ze blijven op afstand van elkaar.’ VPRO gids

‘De man die me onwaarschijnlijk onbekend is. Mijn vader. Geen enkele vertrouwelijkheid. We zijn bekenden én volkomen vreemden.’ De korte, koele zinnen in ‘SS Proleterka’ omsingelen langzaam maar zeker spitse waarheden. Ze verraden een rijp schrijverschap, en inderdaad: Fleur Jaeggy (78) blijkt geen jong bloempje, maar een verborgen roos uit de Zwitserse literatuur, die pas nu wordt geëerd met een Nederlandse vertaling. Deze novelle, over een getroebleerd meisje op de grens van de volwassenheid, onthecht van haar familie, doet verlangen naar meer. ‘ Humo

 

Er zijn vele jaren voorbijgegaan en vanmorgen bekruipt me plotseling een verlangen: ik zou de as van mijn vader willen.

Na de crematie stuurden ze me een klein voorwerp dat bestand was gebleken tegen het vuur. Een spijker. Ze bezorgden hem ongeschonden terug. Ik vroeg me toen af of ze hem echt in de jaszak van zijn pak hadden laten zitten. Hij moet samen met Johannes verbranden, had ik aan de bedienden van het crematorium gezegd. Ze mochten hem niet uit zijn zak halen. In zijn handen zou hij te zichtbaar zijn geweest. Vandaag zou ik zijn as willen. Het zal een urn zijn als zovele andere. Zijn naam in een plaatje gegraveerd. Een beetje als het herkenningsplaatje van soldaten. Waarom kwam ik toen toch niet op het idee om zijn as op te vragen?

In die tijd dacht ik niet aan de doden. Zij komen je later tegemoet. Ze laten pas weer van zich horen wanneer ze voelen dat wij prooien worden en dat de jacht geopend is. Toen Johannes stierf, dacht ik niet dat hij echt stierf. Ik nam deel aan de uitvaart. Meer niet. Na de rouwdienst ben ik meteen weggegaan. Het was een hemelsblauwe dag, het was allemaal voorbij. Juffrouw Gerda had alles tot in de kleinste details geregeld. Daar ben ik haar dankbaar voor. Ze maakte voor mij een afspraak bij de kapper. Ze bezorgde me een zwart mantelpak. Sober. Ze heeft nauwgezet Johannes’ wilsbeschikking gevolgd.

Mijn vader heb ik voor het laatst gezien in een koude ruimte. Ik heb hem gegroet. Naast mij stond juffrouw Gerda. Ik was volkomen van haar afhankelijk. Ik wist niet hoe het gaat als iemand sterft. Zij kende iedere formaliteit tot in de puntjes. Zij is efficiënt, zwijgzaam, op een ingehouden manier bedroefd. Als een bijl baant ze zich een weg door het labyrint van de rouw. Ze weet knopen door te hakken, ze kent geen twijfels. Ze was ongelooflijk kordaat. Ik kon zelfs niet een béétje bedroefd zijn. Zij had alle droefheid op zich genomen. Ik zou die hoe dan ook aan haar hebben overgedragen. Voor mij bleef er niets over.

Ik zeg haar dat ik even alleen zou willen blijven. Een paar minuten maar. De cel was ijzig. In die weinige minuten heb ik de spijker in een zak van Johannes’ grijze pak gestopt. Ik wilde niet naar hem kijken. Zijn gezicht zit in mijn geest, in mijn ogen. Ik hoef niet naar hem te kijken. En toch deed ik het omgekeerde. Ik bekeek hem vrij goed, om te zien, en te weten, of er tekenen van lijden waren. Daar deed ik verkeerd aan. Want terwijl ik hem zo aandachtig bekeek, is zijn gezicht me ontsnapt. Ik ben zijn trekken, zijn ware gelaat, dat van altijd, vergeten.

Juffrouw Gerda is me weer komen ophalen. Ik probeer Johannes’ voorhoofd te kussen. Zij reageert met een huivering. Ze belet het me. Het was een volkomen onverwacht verlangen, vanochtend, dat ik Johannes’ as wilde. Nu is het verdwenen.

 

Ik kende mijn vader nauwelijks. Tijdens een paasvakantie nam hij me mee op een cruise. Het schip lag aangemeerd in Venetië. Het heette Proleterka. De Proletarische. Jarenlang was de aanleiding voor onze ontmoetingen een optocht geweest. We liepen er allebei in mee. We defileerden samen door de straten van een stad aan een meer. Hij met de driekantige steek op zijn hoofd. Ik in de Tracht, de volksdracht, en het met witte kant afgezette zwarte kapje. De zwarte lakschoenen met een gesp van grosgrain. De zijden schort over de rode jurk, een kleur waarin een donkerpaars doorschemerde. En het lijfje van damastzijde. Op een plein verbrandden ze op een houtmijt een pop. De Böögg. Mannen te paard galopperen in rondjes om het vuur. De trommels roffelen. De vaandels worden geheven. Ze namen afscheid van de winter. Mij leek het alsof ik afscheid nam van iets wat ik nooit had gehad. Ik was in de ban van de vlammen. Het is heel lang geleden.

Mijn vader, Johannes H., was lid van een gilde, een Zunft. Hij had zich er in zijn studententijd bij aangesloten. Hij had een opstel geschreven met de titel Wat het gilde tijdens de oorlog heeft gedaan en wat het had kunnen doen. Het gilde waar Johannes toe behoorde, was opgericht in 1336.

De avond ervoor was er het kinderbal geweest. Een grote zaal tjokvol kostuums en gelach. Ik zat te wachten tot alles afgelopen was. Johannes misschien ook. Ik hield niet van bals. En ik wilde van mijn kostuum af. De eerste keer dat ik in de optocht meeliep (ik ging nog niet naar school), werd ik in een blauw draagstoeltje gezet. Vanuit het raampje zwaaide ik naar de andere kinderen, die vanaf het trottoir naar de optocht keken. Toen de dragers me op de grond zetten, gooide ik het deurtje open en ging ervandoor. Het was niet mijn bedoeling te vluchten. Het was geen daad van rebellie, maar louter instinct. Een verlangen naar het onbekende. Urenlang dwaalde ik door de stad. Tot ik uitgeput was. De politie vond me terug. En leverde me af bij mijn wettige eigenaar, Johannes. Dat vond ik niet leuk. Gegeven de omstandigheden was voor vader en dochter de kans om elkaar beter te leren kennen heel klein. Kijken en zwijgen. De twee lopen naast elkaar in de optocht. Ze wisselen geen woord. Het kost de vader moeite om in de maat van de marsmuziek te lopen. Twee schimmen, de ene beweegt zich langzaam voort, met zichtbare inspanning. De andere is ongeduriger. Ze trekken voorbij in rijen van vier. Naast hen een stel, de man in legeruniform, de vrouw in volksdracht. Ze lopen in de pas, ze schrijden plechtstatig, fier, met opgeheven hoofd voort. ’s Nachts doemde af en toe de brandende pop weer onder mijn gesloten oogleden op. Het geroffel van de trommels nog krijgshaftiger, met een lugubere galm. Twee dagen later liet ik Johannes in een hotelkamer achter. Mijn bezoek zat erop.

 

De Proleterka was afgehuurd door enkele heren die tot hetzelfde gilde behoorden als Johannes. De lieden die in april door de stad defileerden. Zij zouden onze reisgenoten zijn. We vertrokken, mijn vader en ik, met de trein naar Venetië. De wagon was leeg. Vanaf dat moment zou ik bij Johannes, mijn vader, zijn. Hij is nog geen zeventig. Een steile witte haardos met een scheiding. Lichte, ijskoude, onnatuurlijke ogen. Als een kindersprookje over vrieskou. Winterse ogen. Af en toe iets als een vleugje romantiek. De irissen bleekgroen, zo licht dat je je er ongemakkelijk bij gaat voelen. Ze lijken ternauwernood te kijken. Alsof het een afwijking is, al generaties lang. Johannes had een tweelingbroer, dezelfde ogen. De ogen van zijn tweelingbroer zaten vaak verborgen achter zijn oogleden. Hij bracht uren door in een tuin. In een rolstoel. Hij kon alleen ‘Es is kalt’ uitbrengen. In zijn toon viel het besef van een door God opgelegde last samen met de simpele aardse vaststelling dat kou voorbijgaat. Zo ook zijn ziekte. In die tijd noemden ze die slaapziekte.

 

In de coupé leest Johannes de krant. Hij leest langdurig. Misschien weet hij niet wat hij tegen me moet zeggen. Ik kijk naar zijn vingers die de krant vasthouden, en naar zijn schoenen. Ik zoek een gespreksonderwerp. Ik vind er geen. Ik denk aan het woord Proleterka, de naam van het Joegoslavische schip. Er zijn mooiere scheepsnamen. Zoals The Indomitable, De Ontembare, waarop Billy Budd werd opgehangen. Denk maar terug aan het bezoek van de vlootpredikant aan de geketende zeeman om hem met de gedachte aan de dood te verzoenen. Billy Budds laatste woorden waren: ‘God zegene kapitein Vere!’ Hij zegent degene die het executiebevel heeft gegeven. Hij zegende zijn beul. Ik zou het willen hebben over Billy Budd, in plaats van dit korte verhaal op te hijsen aan een vlaggenmast die wankelt in de tegenwind, ten prooi aan het niets. Billy Budd, ik zie zijn gestalte terwijl het landschap voorbijglijdt, terwijl de uren in gezelschap van Johannes voorbijglijden. Niemand wist wie Billy Budds vader was, noch waar hij was geboren. Hij werd gevonden in een fraaie, met zijde gevoerde mand. Ik ken Billy Budd veel beter dan mijn vader. ‘We zijn er,’ zegt Johannes. We hebben geen bagage. Die is al op het schip. De Proleterka.

Vader en dochter nemen de vaporetto tot aan het San Marcoplein. De dochter tuurt de hele tijd voor zich uit, ze wil het schip zien. Venetië verschijnt en verdwijnt. Ze lopen over de Riva degli Schiavoni. De dochter is ongeduldig. Johannes loopt langzaam. Hij heeft een misvormde voet. Hij draagt schoenen die bij de enkels wat hoger zijn.

Ik dacht dat hij zo geboren was. En dat hij altijd moeite had gehad met lopen. Het kwam echter door een kankergezwel. Dat heb ik gelezen in een album dat wel eens als cadeau wordt gegeven bij de geboorte van een kind. Daarin worden de eerste levensjaren opgetekend, de eerste maanden bijna dag voor dag. In de achttiende maand noteert Johannes dat zijn dochter hem is komen opzoeken in het ziekenhuis. Als zij iets te weten wil komen over de eerste jaren van haar bestaan hoeft ze het album maar door te bladeren. Het is een bewijs. Het is de bevestiging van een bestaan. Als man van weinig woorden registreerde Johannes wat zijn dochter deed, waar ze haar naartoe brachten, haar gezondheidstoestand. Korte zinnen, zonder commentaar. Als antwoorden op een vragenlijst. Geen indrukken, geen gevoelens. Het leven wordt vereenvoudigd, bijna alsof het er niet is. Johannes noteert: zijn dochter heeft nooit gehuild. Ze is nooit ongezeglijk geweest, ze gedraagt zich correct. Een correcte kindertijd. Alles blijft aan de oppervlakte. Over hem, Johannes, twee persoonlijke aantekeningen. Een lichte beroerte en een kankergezwel. Wanneer zijn dochter twee is, zo noteert Johannes, sterft haar opa (van de opa schrijft hij de voor- en de achternaam op). Bij de crematie veel vrienden. Zijn dochter gedraagt zich voorbeeldig en ontdekt alles. Johannes schrijft niet ‘begrijpt’, maar ‘ontdekt’. Hij observeert dus zijn dochter. Op tweejarige leeftijd ontdekt zijn dochter volgens Johannes wat sterven betekent. Ze moet echt innemend en welopgevoed zijn geweest, dat kind, zoals ze omging met haar opa’s dood. Misschien dacht Johannes toen al aan zijn eigen dood en hoopte hij dat het kind lief zou zijn voor iedereen. Dat het lief zou zijn voor de wereld. Voor het verdriet. Toen ze nog klein was, heeft ze van Johannes afscheid moeten nemen. Kinderen verliezen hun belangstelling voor hun ouders als ze worden verlaten. Ze zijn niet sentimenteel. Ze zijn hartstochtelijk en koel tegelijk. In zeker opzicht laten sommigen hun genegenheid, hun gevoelens los alsof het voorwerpen zijn. Vastberaden, zonder verdriet. Ze worden vreemden. Soms vijanden. Ze zijn niet langer in de steek gelaten wezentjes: zíj zijn het die geestelijk de aftocht blazen. En ze gaan ervandoor. Naar een duistere, verzonnen en ellendige wereld. En toch doen ze zich soms gelukkig voor. Balancerend als koorddansers. Hun ouders zijn niet noodzakelijk. Weinig dingen zijn noodzakelijk. Sommige kinderen nemen hun lot in eigen handen. Hun hart is van onbreekbaar kristal. Ze leren te doen alsof. En het doen alsof wordt hun meest waarachtige bezigheid, even aantrekkelijk als hun dromen. Het neemt de plaats in van wat wij als echt beschouwen. Misschien is het alleen dit: sommige kinderen hebben de gave van de onthechting.

 

Vader en dochter staan voor het schip. Het lijkt een oorlogsschip. Op de schoorsteen schittert de rode ster. Ik kijk meteen naar het opschrift Proleterka. Zwartgeblakerd, roestvlekken, verwaarloosd. Een allesoverheersend opschrift. Het is het uur van de zonsondergang. Het schip is groot, het verbergt de zon die weldra in het water zal zakken. Het is donker, pek en mysterie. Het is ontsnapt aan noodweer, schipbreuken, een kaperschip dat is gebouwd als een fort. We gaan de loopbrug op. De officieren wachten ons op. Wij zijn de laatsten. Johannes klimt moeizaam omhoog, een officier helpt hem. Ze wijzen ons de hut aan. Krap. Daar zou ik slapen met Johannes. Een stapelbed. Ik zal boven moeten slapen. De Proleterka vaart om achttien uur af. Hij glijdt zachtjes over het water. Een schrille fluittoon gaat aan het vertrek vooraf. Een afscheidsgroet. We kunnen niet meer terug. Ik kijk door de patrijspoort. Ik vraag me af hoe ik naar buiten kan, de zee in springen, als ik ervandoor zou willen gaan zoals Martin Eden.

 

Ik kleed me om. Over een uur in de eetzaal. Op de brug kijken de passagiers naar de zonsondergang. Die mogen ze niet missen. Ook Johannes kijkt naar de zonsondergang. Die verlicht nu niets meer. Het wordt donker, de reis begint. Op de eerste zonsondergang zullen er andere volgen, veertien dagen lang. Die van het gilde zijn ervan overtuigd dat ze alles op de best mogelijke manier geregeld hebben. Ook de weersgesteldheid. Een matroos nodigt de dames en heren uit om naar de eetzaal te gaan. De een na de ander, bijna in stilte, schuiven de passagiers aan. Mijn vader en ik zijn weer de laatsten. We hebben een hoektafel. Johannes leest het menu, kiest de wijn. Hij groet zijn vrienden, ik groet hen met een zuinige glimlach. Vochtige hitte. We varen rustig voort. De kristallen luchter schommelt lichtjes. Als een kalme pendel, bewogen door de wet van de traagheid. Johannes is donker gekleed. Onberispelijk. We wisselen bijna geen woord. De dames zijn in avondkledij, hier en daar een bescheiden decolleté. De zaal deint onafgebroken, langzaam, onverstoorbaar. Een lijzig, onheilspellend ritme, alsof de golven van de zee een klaaglied zingen alvorens de passagiers te verdoven. De luchter schommelt heviger. Hij werpt zijn licht op de passagiers en laat ze dan in de schaduw, waarna hij sneller terugkomt. De zaal gaat op en neer. De bloemen op tafel verschuiven met onregelmatige tussenpozen. Ze glijden weg en keren daarna op hun plaats terug. Johannes verstrooid, afwezig, elders. Het dessert: trifle. Bij het dessert wordt de zee woeliger. Ik vraag Johannes toestemming om op te staan. Buiten een razende wind. Schimmen schieten koortsachtig heen en weer. Het zijn de matrozen. Ik adem de zalige nachtelijke eenzaamheid in. Het noodweer. En het gevaar. Ik denk niet aan Johannes. Hem mijn arm te bieden en hem te helpen. Niets telt op dat ogenblik.

Ik kan me niet overeind houden. Na een paar minuten grijpt een matroos me vast en smakt me tegen de deur van de hut. De bemanning had alle passagiers bevolen in hun hut te blijven. Ze hebben nog net hun trifle kunnen opeten.

 

De Proleterka is van koers veranderd. Hij vaart nu richting Zadar. Een van de matrozen, misschien wel dezelfde die me heeft vastgegrepen, is tijdens de nacht ernstig gewond geraakt. De volgende ochtend ligt hij op een draagbaar. Ik geef een aai over zijn gezicht, ik druk hem de hand. De draagbaar wordt op een patrouillesloep neergelaten. Ook ik zou het schip willen verlaten. De kapitein salueert.

De passagiers zijn gezond en wel. We zitten in de eetzaal voor het ontbijt. Twee dagen op zee voor we in Griekenland aankomen. Vandaag is alles rustig. Ik zie Johannes niet, hij lijkt verdwenen. Zoals de storm. Enkele passagiers liggen languit op de dekstoelen. Ik ook. Ik denk aan niets. Het niets is gedachtestof. Wezens, eigenmachtige stemmen, opgedoken herinneringen be-
geleiden het klotsen van het water. Het niets is niet leeg. De gedachten vallen als uit de klauwen van een overvliegende roofvogel in onze geest wanneer we ervan overtuigd zijn dat we niet denken. Johannes verschijnt. Een goedige, verdrietige glimlach. Hij vraagt of ik het goed maak, of ik zufrieden ben. Alsof dat onze obsessie is, van vader en dochter. Niet verdrietig zijn, het verdriet verbergen dat ons zonder reden heeft getekend. Voor hem is die reis belangrijk. Voor we vertrokken had ik gedacht dat het reisdoel me koud liet. De reis naar Griekenland maakte deel uit van mijn opvoeding. Het is onze eerste reis – en het lijkt de laatste. Johannes, de man die me onwaarschijnlijk onbekend is. Mijn vader. Geen enkele vertrouwelijkheid. En toch een band die dateert van vóór ons bestaan. We zijn bekenden én volkomen vreemden.

Op het gebruikelijke uur zijn we in de eetzaal. Ik ben naar beneden in de hut gegaan om me om te kleden. Ik heb weinig kleren, bijna allemaal eendere. Kleedt Johannes zich uit voor hij naar bed gaat? Ik heb hem nooit in zwembroek gezien. Ik heb nooit zijn benen gezien. Er is een nacht voorbijgegaan, ik heb niets van zijn aanwezigheid gemerkt. De opheffing van het lichaam. Het is de tweede dag en alles herhaalt zich. Johannes groet zijn vrienden. Ik groet ook. Johannes heeft me als kind in zijn vriendenkring geïntroduceerd. Zij hebben de aanwezigheid van de enige dochter van hun vriend afgekeurd. Soms zijn kinderen zich al vroeg bewust van hun plaats in de maatschappij. In de schijnwereld. Je bent welkom of niet. Ik was niet welkom, maar zij waren de vrienden van mijn vader. Johannes maakte, al was hij een eenling, in zekere zin deel uit van hun wereld. Zijn dochter niet. Mijn vader Johannes maakte er deel van uit door zijn geboorte, door zijn maatschappelijke positie. De vriend van mijn vader en zijn familie zijn in mijn kindertijd mijn rechters geweest. En hun huis. En de ramen. De voorwerpen. De voorwerpen, mijn rechters. Hun weelderige huis. Misschien voelde ik geen sympathie voor die rijken die mijn vader en mij bij hen thuis uitnodigden. Ze weten dat mijn vader even rijk is geweest als zij. Ik wist dat Johannes rijk was geweest. Zoals zij. Nu niet meer. Zij zijn eenvoudig, vlot, wat een manier van doen is als je álles hebt. Dan ben je mild. Een venijnige mildheid. Dat dacht ik wanneer ik hen als kind observeerde. Observeren en zwijgen. Johannes’ dochter was niet eenvoudig, en evenmin mild of vlot. Ze gaf niet toe aan hun bazige eenvoud, aan de aanmatigende mildheid van haar vaders beste vriend. ‘Je zult haar in de gaten moeten houden met al die zeelui.’ Mijn vaders vriend slaat zijn blik op boven zijn goudgerande halve bril. Hij taxeert de dochter van zijn vriend. Hij heeft een witte, dichte, glanzende haardos. Het air van een baas die bereid is te luisteren, maar niet toe te geven. Zijn gezicht is rood aangelopen. Zijn vrouw ontzegt zich alles, ook zichzelf. Ze heeft haar lichaam afgeknaagd, als ze haar tanden laat zien, zijn die lang. Ze is vel over been, puriteins en bijtend. Zij is de eerste geweest die naar Johannes’ dochter heeft gekeken door de lens van de minachting. Ze is afgrondelijk hoffelijk. Haar haren samengedraaid in een wrong, een knoet in haar nek. Haar ogen vochtig van roofzuchtig mededogen. Altijd vriendelijk. Wie ons veroordeelt, is begripvol. Zoals zij. Zij begrijpt de zondaars. Ontembare razernij tegen de zondaars, maar ingehouden, zonder uitbarstingen en zonder vergiffenis. Een hoogst smartelijk begrijpen. Zij is gekrenkt door het kwaad van de mensheid. En ze belichaamt die krenking in een praalzieke terughoudendheid. In haar stem een toon van rampspoed, weeklacht en aanvaarding. Tegen Johannes, een zo eenzame en oude man, die laat blijken blij te zijn dat hij een dochter heeft, verkondigt ze dat die blijdschap slechts een illusie is. Die blijdschap is gevaarlijk, ze moet met wortel en tak worden uitgeroeid. De blijdschap moet veranderen in smart. Zij heeft medelijden met Johannes. Wanneer ze bij hen thuis zijn, zegt zijn dochter: ‘Laten we gaan.’

Het zijn ook collectioneurs, de heren vrienden van mijn vader. Wanneer ze ons te eten vroegen, zat de echtgenote altijd aan het hoofd van de tafel, tegen de wand aan, onder een schilderij. Met neergeslagen ogen vouwt ze haar handen en murmelt. Johannes’ dochter bidt niet. Ik dank de Heer niet voor de spijzen die hij en zij ons geven. Ik dank je niet, zeg ik in mezelf. Alvorens ze aan de maaltijd der rechtvaardigen begint, daalt er een sluier van onnozelheid over het gezicht van de echtgenote. Dat is haar gebed. De echtgenote dankt de Heer met een sombere en strenge gelaatsuitdrukking. Wanneer ze zich tot de Heer wendt, stolt haar bloed, verbleekt haar gezicht. Alsof het dankgebed een smeekbede om vergiffenis is, een mea culpa dat er iets te eten valt.

Telkens weer zat ik te wachten op het ogenblik waarop zij met gevouwen handen het dankgebed uitsprak. Ik nam al haar gebaren gretig in me op. En na het dessert wachtte ik tot zij nogmaals de Heer dankte. Daarna gaan we naar de salon. Nog meer schilderijen. Collectioneurs hebben overal schilderijen. Ze laten de wanden niet ademen. Fauteuils. Uitzicht over het meer. Uitzicht over het gazon. De twee vrienden praten. De een lacht, de ander minder. Wanneer de Spaanse dienstbode langskomt, geeft Johannes haar een fooi. Dat was de gewoonte. En bonbons voor de gastvrouw. ‘Neem niets voor haar mee,’ zeg ik tegen Johannes. Als zijn vriend zich tot mijn vader wendt, gebruikt hij een naam die Hongaars klinkt. Toen ik mijn vader met die naam wilde aanspreken, vroeg hij dat niet te doen. Misschien heeft alleen zijn vriend het recht hem zo te noemen. Al sinds hun studententijd. Iets tussen ingewijden. Ook zijn vriend had een eigen naam, maar die had te maken met de producten van zijn fabriek. Johannes had geen fabriek meer en dus alleen nog een bijnaam. Van iemand die niets meer bezit. Behalve een dochter, wat geen vermogen is. Zijn beste vriend weet dat. Zijn echtgenote: de Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen. Niet van hen. Dat besefte ik min of meer duidelijk toen ze me hadden toevertrouwd aan een dame die bereid was mij op te vangen.

 

Vertaling Frans Denissen
Paperback met flappen, 120 blz.
Prijs18,50
ISBN 978 94 923 1364 5

Fleur Jaeggy