De veertienjarige gymnasiast Ewout Meyster, een halve oorlogswees, gaat in de jaren vijftig naar een zomerkamp op de Veluwe. Hij verwacht dat hij in het kamp zijn ‘opdracht’ zal kunnen vervullen: het verwerven van sociaal prestige, macht en populariteit. Hij heeft daartoe van alles uitgedacht, om zijn kampgenoten zo spiritueel en slim mogelijk te kunnen bejegenen. Maar zijn gedrag stuit op een muur van onbegrip en afkeer. Wat een tijd van vriendschappen en onvergetelijke ontmoetingen had moeten worden, blijkt een vernederende kwelling. De nietsontziende jungle van de jongenswereld wordt door Te Gussinklo in trefzekere episodes opgeroepen in een boek over dweepzucht en machtsbelustheid, slachtofferschap, verraad en eenzaamheid.

HERUITGAVE

De opdracht werd bekroond met de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs, de ECI-prijs en de F. Bordewijkprijs, en genomineerd voor de Libris Literatuurprijs en De Gouden Uil.

‘Een van de allerbeste boeken van de Nederlandse naoorlogse literatuur.’ Rob Schouten bij Nooit meer slapen

‘Magistrale roman.’ Ilja Leonard Pfeijffer

De opdracht is een tour de force, alleen al door de vertelwijze en de lengte, weerbarstig in menig opzicht, een roman zonder weerga.’ T. van Deel, Trouw

‘In de laatste decennia is geen roman geschreven die vergelijkbaar is met De opdracht, het grootse epos van Wessel te Gussinklo.’ Kester Freriks, NRC Handelsblad

‘Daarom is het een genade als er van tijd tot tijd iemand als Wessel te Gussinklo opduikt, een schrijver met een uitzonderlijk oeuvre dat je bij de kladden pakt te midden der vele modieuzen.’ Rob Schouten in Trouw

‘De schrijver van een klein maar bijzonder oeuvre, waarin de ongewone, meteen herkenbare eigen stijl opvalt, terwijl er tegelijkertijd iets algemeens, iets universeels in wordt uitgedrukt.’ NRC Handelsblad

Over Zeer helder licht:

Zeer helder licht is een roman die hard hollend op je af komt, je bij je schouders pakt en niet loslaat.’ de Volkskrant

‘Een weerbarstig, gruwelijk en groots boek.’ Trouw

Zeer helder licht is een heerlijke, grappige en doldrieste roman.’ Het Parool

‘Wat een schitterende roman!’ De Groene Amsterdammer

 

Paperback met flappen, 552 blz.,
Prijs: € 24,50.
ISBN: 9789492313171
Verschijnt: november 2016

 
 

Boomgordels en de onverhoeds uitwaaierende diepten van door bos omsloten weiland wisselden elkaar met eentonige regelmaat af, voortschuivend in zijn ooghoeken en in hun hypnotiserende herhaling, detailloos, gereduceerd tot weinig meer dan geometrische vormen. Niet het bos, het laaggroeiende eikenonderhout en daarbovenuit dennen, maar de gewaarwording van verzadiging – volheid, een rond en mollig opdringen – of juist van droge warme stoffigheid, ijl en doorschoten met banen zonlicht, als de weg langs laag struikgewas voerde.

En dichterbij, vlak naast hem, het langsschieten van bomen en takken, een streepachtig bewegen van vele kleine dingen. En dan, haast schokkend abrupt, de plotselinge vertraging die zijn voortgang leek te ondergaan als wei- en akkerland zich uit de nauwte van de bosweg voor zijn ogen ontvouwden. Een muur van ruimte die hij beklom, traag als een insect op een groot vel glanzend wit papier.

Het gevoel bijna stil te staan door de tegenwind van licht die hem uit de blinkende velden tegemoet woei. Of later die middag, toen nevels de zon bedekten, de stroeve hindering die hij ondervond van het glasachtig bleke iets dat – niet echt zichtbaar, maar toch aanwezig – onbeweeglijk de open ruimte vulde tot waar de weg met een kleine zwenking weer in het bos verdween.

Het was dan of hij haast sprongsgewijs, van stilstand tot stilstand, de ruimte overwon, en toch steeds ergens in het midden bleef, daar vastgehouden werd, hoezeer hij zich ook voortspoedde over het streperige grijs van het wegdek. Een wegdek met af en toe een boomwortel die daar gedeeltelijk in vergroeid was, of een plaats waar het asfalt opgedrukt was, gebarsten en brokkelig, en hij dacht dan: oppassen! zonder zijn snelheid te verminderen. En hij zag de zwarte, inktachtig afgeronde vlekken van recente reparaties aan het asfalt, en hier en daar stukjes onregelmatige bestrating. Fijn, met stof gemengd grind markeerde de zijkant van de tunnelachtig smalle bosweg, soms opgehoopt in de bochten, alsof het daar naartoe geveegd was, of half weggezonken in gras en berm als de weg door wei- en akkerland voerde. 

En voor zijn ogen, maar toch droomachtig vaag, teruggetreden achter het waas dat inspanning en vermoeidheid over de dingen legde, opgenomen in het grotere geheel van beweging, snelheid (en zijn verwachting en zijn angst – en bij elke beweging de gedachte: het moet, het moet), bijna iets ruimtelijks dat roerloos bleef ondanks zijn gejaagde voortgang en als een stolp over de dingen stond – zag hij de gele waterachtig bewegende fietsband, een beetje hellend bij elke pedaaltrap. En hij hoorde het ritselende en toch enigszins vochtig zuigende geluid van de banden op het asfalt als hij krachtig aanzette. De warmte in het windloze, stoffig-kruidig ruikende bos was verstikkend. Hij hijgde met halfopen mond. Hij probeerde zijn snelheid voortdurend te vergroten, steeds opnieuw, ondanks het doffe trekkende gevoel in zijn kuiten en dijbenen, kracht zettend om elk verslappen te bestrijden – maar zonder daarbij uit het zadel te komen. Ook moest hij elk overmatig wringen van zijn heupen vermijden of stampen op de pedalen – net als echte wielrenners. Hij moest de volle omwenteling door een constante druk van zijn hele voet op het pedaal handhaven: een elastisch en soepel kracht aanwenden dat maximale snelheid garandeerde en dat toch laconiek, om zo te zeggen moeiteloos, haast professioneel zou zijn. 

Hij zag een streng gebeuren voor zich: strak, onvertroebeld door bijzaken, en bijna hooghartig in zijn ongedetailleerdheid; alleen het fietsen, zijn snelheid, en de kokerachtige engte recht voor hem uit die naar de verte leidde. Die verte bereikte hij en liet hij achter zich. Dat was alles. Het was een gebeuren van een stalen veerkracht dat hem zeer vereenvoudigd en toch gesterkt naar een triomfantelijke apotheose zou voeren.

Maar ondanks zijn inspanning waren zijn vorderingen op de lintvormig-onoverzichtelijke en maar niet eindigende boswegen ontmoedigend. Het was al vijf uur. Hij was nu al te laat; het zou veel te laat worden. Alles zou voorbij zijn als hij aankwam. Bewolking, een egale nevelige vormloosheid, versluierde de zon. Er dreigde onweer. De warmte in de steeds kleinere windloze ruimte waarin hij zich voortspoedde onder de steeds lagere hemel, de benauwde engte van de boswegen, vermengde zich met de gloed van zijn ontmoediging, zijn angst: het zou allemaal verkeerd gaan. Hij zou het niet kunnen.

 

Het vlakke rivierlandschap van het begin van zijn tocht dat langzaam aan de assen van zijn sloten langswentelde, met hier en daar een verre boomgroep of rijen populieren die een weg of een vaart begeleidden, had spoedig plaats gemaakt voor stoffige, haast onmerkbaar stijgende boswegen. Het was de laatste weken warm geweest. Er was geen regen gevallen. Hij verdwaalde. Hij moest terug, opnieuw zoeken, een andere afslag, een zijweg… Het werd later, maar hij twijfelde niet. Niets zou hem onmogelijk zijn.

Na een onverwacht intermezzo van kaal vlakland, leeg tot aan de horizon, met bleke dorpjes – roerloos en schraal in het ononderbroken zonlicht –, vingen de bossen weer aan, maar dichter nu, meer gesloten, donkere bossen met uitsluitend dennen en smalle overgroeide wegen die de indruk wekten nooit betreden te worden. Die bleke dorpjes, hij kon zich niet herinneren daar doorgekomen te zijn bij vorige tochten toen hij nog met de groep meereed. Hij moest verkeerd gereden zijn. Maar hij fietste verder, haastig, gejaagd, vrijwel zonder op of om te kijken. Het zou niet meer lukken als hij nu stopte, hij zou het dan niet meer kunnen. Achter hem, op zijn bagagedrager, het holle bonkende geluid van de oude bruinleren koffer, die zijn moeder, ondanks zijn protesten (het was niet nodig, hij zou belachelijk zijn met al die kleren) zorgvuldig voor hem gepakt had. Hol bonkend bij elke hobbel in het wegdek of doosachtig ratelend als het asfalt in de dorpskernen overging in bestrating.

De bleke dorpjes met hun onbeweeglijke zonlicht op asfalt en huizen had hij ten slotte achter zich gelaten. Voortjachtend langs dorpsstraten waarin vrijwel niets bewoog en de enkele wandelaar, fietser of auto omgeven door een ruimte van doodstil licht geen beweging veroorzaakte maar juist de bevestiging van roerloosheid en matte benauwdheid leek te zijn (zonlicht dat zelfs midden op de dag de indruk wekte dat de avond al viel, en dat, niet getemperd door bomen of struikgewas, schaduwloos afschampte op de gevels van de schuurachtige behuizingen, met hun kleine lichte stenen en dun voegwerk. De waterachtige weerspiegelingen in de ramen. De ongastvrije vitrages…) 

Daar te wonen, daar geboren te zijn. Niet beter weten, het vanzelfsprekend vinden te wonen in die hoge onbeweeglijke leegte waar alles voorgoed afzonderlijk was.

Toen al was een besef – eerder de gewaarwording van warmte en benauwdheid dan een helder beeld of een omlijnde zekerheid – in hem opgeweld. En gaandeweg waren de triomfantelijke visioenen die hij zo behoedzaam in zich opgeborgen had uit hem weggezakt. En tegelijk met hen de woorden, de gedragingen die deze visioenen begeleidden, of liever: die ze konden oproepen en als vanzelf met haast mathematische zekerheid in de werkelijkheid doen ontstaan – met hem als middelpunt. Als hij maar niets vergat. Hij had die woorden en die gedragingen zorgvuldig op een briefje geschreven om ze steeds beschikbaar te hebben en ze elke dag gerepeteerd. En ’s avonds voor hij ging slapen bekeek hij ze en hij overdacht de gebeurtenissen die het mogelijk zouden maken dat hij zich zo bewonderenswaardig gedroeg en zich eindelijk zou kunnen tonen. En hij bekeek ze ’s morgens als hij opstond, zodat de hele dag, elke handeling in die dag door hen bepaald zou zijn. Bijna onmogelijk dat er dan nog iets fout ging. En soms bekeek hij ze als hij alleen was in zijn kamertje, ongelukkig, bang, niets lukte, altijd zou dat zo blijven, de starre benauwdheid die van de dingen uitging. Wat moest hij beginnen. Ze hielden niet van hem. Ze bewonderden hem niet. Hij was niet aardig. Het was onbegrijpelijk, waarom was hij niet aardig? Wat moest hij dán doen…? Hij bekeek het briefje met de woorden, de gebaren, bewegingen, antwoorden, die hij zo zorgzaam opgeschreven had en die stuk voor stuk een toegang betekenden, al was het nog maar een eerste begin. Meteen zag hij voor zich hoe hij die bijzondere dingen deed of zulke opmerkelijke woorden gebruikte (het woord ‘autark’ bijvoorbeeld of ‘inherent’, zomaar losjes in een of andere zin, en natuurlijk ‘überhaupt’, of het woord ‘verdomme’ achteloos en haast onverschillig gebruikt bij kleine tegenslag), en hoe de andere jongens op zouden kijken, vrijwel terugdeinzen als hij zoiets indrukwekkends zei. Dit hadden ze niet van hem verwacht. Onmiddellijk zou hij dan met iets anders komen om het succes vast te houden. Het superieure gebaar bijvoorbeeld dat hij dagelijks voor de spiegel geoefend had. Glimlachend en waarschuwend zijn vinger op zijn lippen leggen als iemand iets vervelends zei… ssst… zou hij dan zeggen. Of die brede en superieure beweging van arm en geopende hand om ruiterlijk voorrang te verlenen of kameraadschappelijke sportiviteit uit te drukken – eveneens glimlachend. Ze stonden ervan te kijken. De volwassen manlijkheid van zijn houding en uitingen zou hen voor hem innemen. Dat zou blijvend zijn als hij maar eenmaal het eerste begin had.

Het waren houdingen en gedragingen van een grote helderheid. Hij werd bijvoorbeeld op een fout betrapt. En glimlachend wendde hij zich tot de jongen die hem terechtwees, niet schuw of nijdig, maar met ogen warm van vriendschap. ‘Je hebt gelijk,’ zou hij zeggen. ‘Die is voor jou.’ ‘Eén-nul.’ 

En vrijwel onmiddellijk zou die jongen hem anders zien, als een vriend, als een kameraad, en andere jongens die erbij kwamen en het zagen… 

En altijd glimlachen, wat er ook gebeurde. Nooit somber kijken of blikken vermijden. Niet schuw zijn maar altijd wat terugzeggen, ook als ze scholden of hem uitlachten of belachelijk maakten – en meelachen, niet venijnig, maar royaal en losjes alsof hij erboven stond, onverschillig, maar sportief. En rustig praten omdat hij anders ging stotteren. En iedereen altijd recht aankijken. En zijn hoofd iets achterover houden, maar zó dat hij, hoewel zeer mannelijk, haast al volwassen, toch heel aardig leek, op een vriendschap en enthousiasme wekkende manier, zodat ze altijd bij hem wilden zijn. En als iemand boos werd moest hij niet schichtig worden of bang zijn. Een jongen zou bijvoorbeeld ‘klootzak’ zeggen, of ‘donder op lul’ en dan zou hij onverschillig glimlachen – glimlachen was belangrijk – en ervoor moeten zorgen dat hij niet wegkeek of geschrokken fronste en niets meer durfde te zeggen – en vooral zijn ogen beheersen.

Hij zou zeggen – net als alle andere jongens –: ‘Gooi niet met vleeswaren joh!’ en hard lachen, zodat die jongen wel gedwongen was ook te lachen en elke schrik en gekwetstheid door lachen vervangen werd. En als die jongen toch doorging zou hij zeggen: ‘Je bent zelf een lul’, ‘je bent zelf een klootzak’, koel, onverschillig en niet geschokt door de houding van die jongen, of niet meer in staat naar die jongen te kijken omdat die zijn ogen niet mocht zien; het trillen daarin, de geslagenheid, de tranen die soms in zijn ogen sprongen; want deze jongen had een hekel aan hem, hij vond hem niet aardig maar belachelijk, en hij durfde dat zomaar te zeggen, hij vond het zelfs niet belangrijk hem te vriend te houden. Hij moest glimlachen en terugkijken, onverschillig, ongeschokt. Dat zou niet meevallen. Iets in hem verstarde dan, kromp ineen. Onmogelijk nog te reageren. Hij zou gaan stotteren als hij dat deed. Maar het moest. Als hij maar hard lachte en niets liet merken. Het zou helpen: lachen.

En af en toe zou het noodzakelijk zijn dat hij zélf een beetje kwaad werd, of op zijn minst koel en terughoudend, omdat ze anders zijn vriendelijkheid niet voldoende zouden waarderen… Ook moest hij als jongens bij elkaar stonden daarbij gaan staan en niet wachten tot ze het vroegen – en gelijk meepraten, en altijd grappen maken, zodat ze zouden lachen en hem opmerken – lachen was belangrijk. Hij moest ze altijd aan het lachen maken. En niet te veel en te snel praten. En steeds even wachten om te kijken of ze nog wel geïnteresseerd waren…

Hij had het briefje met al die voornemens, die superieure gedragingen, die slimme en gewiekste reacties, in zijn kamertje met een punaise aan de muur geprikt, verborgen achter een langs de wand gedrapeerd kleed – en voor de zekerheid met de lege kant naar voren en dubbelgevouwen – zodat niemand het zou kunnen vinden en zou weten, zou vermoeden wat hem bezighield, en hoe oneerlijk en vals hij was met al die berekening, al die trucjes – zo heel anders dan hij zich voordeed: zijn onechtheid, de beschamende smoezeligheid van zijn bestaan tussen die andere jongens die gewoon zichzelf waren, argeloos zonder valse heimelijkheid, en die aardig tegen hem zouden zijn omdat ze dit niet wisten. Maar deze voornemens waren een eerste begin, hoe beschamend ook, als hij ze maar goed onthield en niets vergat. Als dat eerste begin er was zou het vanzelf verder gaan. Het zou zich uitbreiden als een olievlek. En al het smoezelige van zijn bestaan, al die valsheid, de beschamende onechtheid van zijn gedrag, zou vanzelf verdwijnen, en daarmee de wereld waarin hij geplaagd werd en uitgelachen en al het andere –

En wat had Churchill gezegd: ‘De tegenslagen in mijn leven, de rampen en vernederingen zijn nodig geweest, zie ik nu, om te worden die ik ben.’

Zo ging dat. Misschien had Churchill, hoewel hij er nooit over had gelezen en het haast ondenkbaar was, ook zulke problemen gehad. 

Als glanzende fonkelende knopen lagen ze in zijn bewustzijn gereed, de woorden en gedragingen die hij dagenlang gerepeteerd had, en met hen de beelden, de triomfantelijke visioenen. Hij streek langs ze en betastte ze, ze waren er nog, helder en koel als kralen. Hij hoefde zich maar op ze te concentreren, en de wereld die in ze besloten lag zou zich vanzelf ontvouwen, beheerst en overzichtelijk, afgepast als een choreografie. Hij was veilig zolang zij er waren. Aan hen dankten de dingen hun kleur. Zij bepaalden de heldere zichtbaarheid tot de horizon.

En al die tijd – al die wegen en dwalingen, de kruidig-ruikende bospaden, de blinkende vlakten – had hij ze als een beschermende vertrouwdheid in zich gevoeld, en ze soms voorzichtig, heel terloops betast. Ze waren er nog. Niets zou voor hem onmogelijk zijn. 

Maar tegelijk met zijn vermoeidheid, de doffe pijn in zijn lichaam, de niet-eindigende boswegen onder de steeds zwaardere, benauwde lucht, de warmte, het dreigende onweer – en zijn uitputting, zijn angst – waren ze één voor één uit zijn bewustzijn weggezakt, flets en krachteloos geworden. De opdracht zou te groot zijn. Hij zou het niet kunnen.

 

Paperback met flappen
552 blz.
Prijs: € 24,50.
ISBN: 9789492313171
Herdruk verschenen
november 2016

Wessel te Gussinklo

Uitgeverij Koppernik

Meld u aan voor onze nieuwsbrief en ontvang bericht bij nieuwe boeken.

Dank voor uw aanmelding.