Wervelende roman over toewijding en ontluistering

In dit vierde deel van de Ewout Meyster-cyclus bevindt de drieëntwintigjarige Ewout zich op het landgoed De Hartz. Daar, in het landhuis van de Grote Man, volgt hij colleges en lezingen, gegeven door een internationaal gezelschap van hoogleraren en wetenschappers. Maar vooral is dit deel een terugblik op de periode dat hij als achttien-, negentienjarige bij de door hem hooglijk bewonderde Somsen in de leer was. 

Ewout volgt een privéopleiding bij hem – zijn kennismaking met filosofie en psychologie. In die tijd leert hij ook Sylvia kennen, de eerste grote liefde in zijn leven. Van de branie en bluf uit De hoogstapelaar is niets meer terug te vinden. Nee, Ewout oefent zich in discipline, opoffering en totale toewijding aan zowel zijn grote liefde Sylvia als aan zijn leermeester Somsen, die bij hem de vensters opent naar kennis, zelfkennis en geestelijke volwassenheid. Wetenschap en pseudowetenschap, maar ook ontluistering, verraad en bedrog spelen een grote rol in dit verhaal, met dramatische gevolgen.

Over Op weg naar De Hartz: 

‘In het nieuwe deel van zijn romancyclus cirkelt Wessel te Gussinklo bijna als een roofdier om zijn hoofdpersonage Ewout heen. In een compromisloze, striemende stijl wordt diens persoonlijkheid blootgelegd.’ (*****) Bo van Houwelingen in De Volkskrant

https://www.volkskrant.nl/cultuur-media/het-is-gedaan-met-de-spielerei-in-de-compromisloze-nieuwe-roman-van-wessel-te-gussinklo~b5df64db/

‘Maar wat een ongekend genot biedt dit kunststuk. Wessel te Gussinklo lezen is een zoete kluisterende kwelling.’ (*****) Jeroen Vullings in EW Magazine

https://www.ewmagazine.nl/cultuur/achtergrond/2020/10/kunststuk-dat-leesgenot-biedt-216351w/

‘Het lijkt allemaal griezelig, maar misschien is het ook om te lachen? De ironische laag die de schrijver aanbrengt, geeft de lezer alvast soelaas; we zitten dan wel in het volle hoofd van Ewout maar we weten meestal beter dan hij. We zouden hem soms willen wakkerschudden, redden zelfs.’ (****) Peter Jacobs in De Standaard

https://www.standaard.be/cnt/dmf20201002_95375880

 

‘Ditmaal zien we Ewout als jongvolwassene, voorheen als late puber, jonge tiener, kind. We zien hem telkens weer tastend, grip krijgend op de werkelijkheid in zijn woorden, de woorden wegend, zijn formuleringen aanscherpend en dan ferm concluderend: zó, zo zit het. En al die woorden, die hele interne monoloog, lezen we. Die hele meanderende, kolkende vloed van overwegingen staat in de romans weergegeven, iedere interne trilling wordt vastgelegd, op het neurotische af. Niemand schrijft zoals Wessel te Gussinklo (1941) – tenzij je hem net gelezen hebt, want dan ben je zozeer in zijn personage ondergedompeld geweest dat je een beetje denkt als Ewout en formuleert als Te Gussinklo.'(****) Thomas de Veen, NRC Handelsblad

https://www.nrc.nl/…/in-de-ban-van-de-grote-man-a4013452

‘Wessel te Gussinklo is een schrijver die goed naar de klassieken heeft gekeken. Neem de eerste regels van het boek: ‘De donkere wel een kilometer lange, smalle oprijlaan, overhuifd door vliegdennen en sparren, die zich als een koker door het bos geboord had, slechts met een enkele lichte lofboom hier en daar, opende zich’. Een onvervalste Natureingang die ook het hele verhaal hoopvol samenvat: door de duisternis naar het licht. Misschien is het wel die in zekere zin ouderwets volle manier van schrijven, die diepe concentratie op enkele personages, á la Henry James of Marcel Proust, die Te Gussinklo’s werk zo uitzonderlijk maakt in deze tijd.’ Rob Schouten in Trouw

https://www.trouw.nl/cultuur-media/nieuwe-ewout-meyster-is-pijnlijk-en-tragisch-maar-toch-ook-weergaloos-mooi-en-diep~b71819ef/

 

‘Het is Wessel te Gussinklo menens in zijn nieuwe roman.’  (*****) Bo van Houwelingen in De Morgen

https://www.demorgen.be/nieuws/het-is-wessel-te-gussinklo-menens-in-zijn-nieuwe-roman-in-een-striemende-stijl~b52d25b0/

 

‘Het knappe is dat Ewouts blinde toewijding even sterk invoelbaar als huiveringwekkend is. Wessel te Gussinklo zet de totale overheersing, het intellectuele hersenspoelen, haarscherp neer.’ HUMO 

https://www.humo.be/nieuws/wessel-te-gussinklo-op-weg-naar-de-hartz~b470d3ff/

 

Jeroen Vullings over ‘Op weg naar De Hartz’ van Wessel te Gussinklo bij Nieuwsweekend!

https://www.nporadio1.nl/nieuwsweekend/onderwerpen/66462-2020-10-17-boekenrubriek-met-jeroen-vullings

 

‘Wessel te gussinklo is eigenlijk een van de grote schrijvers die we in het Nederlandse taalgebied hebben.’ Bob Kappen van Athenaeum Boekhandel bij de ‘Ochtend op 4’

https://www.nporadio4.nl/…/2020-10-10-boek-van-de-week-op-w…

 

 

 

 

 

Over De hoogstapelaar:

‘Boeken als deze zijn een bedreigde diersoort. Ons literaire landschap kampt soms met een gebrek aan durf, maar aan Te Gussinklo ligt het alvast niet – zo’n vreemde eend in de bijt moeten we koesteren.’ HUMO *****

‘In een fraaie roman over een opstandige jongen laat de schrijver opnieuw zijn grote kracht zien.’ Sebastiaan Kort, NRC Handelsblad *****

‘Te Gussinklo schrijft onweerstaanbaar. Herkenbaar maar eigen, vrij van conventie, geestig en tijdloos.’ Bo van Houwelingen, de Volkskrant *****

Over De opdracht:

‘Het is verschrikkelijk, overweldigend goed, pijnlijk, meeslepend, tragisch en onverbiddelijk.’ Ilja Leonard Pfeijffer, nrc Handelsblad

Over Zeer helder licht:

‘Een zeer fraaie, geestige, vaak ontroerende en soms pijnlijke roman.’ Kees ’t Hart, De Groene Amsterdammer

Over De Weergekeerde Bloem:

‘Literatuur zoals die in de mooiste, meest extreme vorm tot je kan komen. Meer dan vijf sterren.’ Jeroen Vullings, Tros Nieuwsshow

Lees het fragment van Op weg naar De Hartz hieronder of via Issue

De donkere wel een kilometer lange, smalle oprijlaan, overhuifd door vliegdennen en sparren, die zich als een koker door het bos geboord had, slechts met een enkele lichte loofboom hier en daar, opende zich. En voor hem verrees de groene heuvel; een langzaam oplopend veld kort gemaaid gras, een gazon haast eerder, boomloos zich honderden meters uitstrekkend voor zijn ogen, met bovenaan waar de helling verflauwde een grote, ronde vijver met beelden en een fontein. En daarachter, ver uitrijzend boven de bomen en scherp afgetekend tegen de leegte van hemel en wolken, het landhuis van de Grote Man – een omvangrijk matgeel gebouw, met aan deze zijde over de volle breedte een uitbouw van twee boven elkaar gelegen balkonterrassen in een vaag gebogen vorm, ondersteund door fragiele pilaren – elegant, sierlijk, met filigrainachtig donkerbruin hekwerk – uitkijkend boven het gazon op de vijver en het bos. Een fraai gebouw, iets zuidelijks, bijna Italiaans of Portugees. Hij had foto’s gezien van het huis en de omgeving, maar nooit was hij er overdag geweest, alleen ’s avonds met Somsen in een taxi; Somsens tas achter hem aan het gebouw in dragend. Niet alleen voor de Grote Man zelf was het landhuis; het was ook de zetel van zijn Hogeschool met ontvangstruimten, vergaderzalen, collegeruimten. Hier resideerde de Grote Man, ontving en verklaarde. 

Twee oprijlanen voerden om het gazon heen de heuvel op, de ene naar de ingang, het bordes aan de andere zijde van het gebouw, en de andere van achter het gebouw vandaan neerdalend langs de zoom van het bos om zich daar weer met de donkere oprijlaan te verenigen. 

Die plotselinge wijdte, die ruimte, die golf van roerloos licht; een muur bijna, na de donkere engte van de bosweg die hem voortgestuwd had tot hier; glad en vormloos langs hem glijdend – steeds dezelfde bomen en struiken, dezelfde blinde dingen hem nauw omsluitend terwijl hij langs ze schoof. En nu dit; alsof hij uitgespuwd werd uit die kokerachtige nauwte en hier stilviel. 

Dat zachte septemberlicht van de laagstaande namiddagzon rustend op voorwerpen en dingen; het gras, de takken en bladeren, de precieze bestrating van de oprijlaan, de afgemeten begrenzingen. En verder weg de reusachtige slagschaduw van het gebouw, des te groter door de helling van het gazon. En geen wind – niets bewoog, geen blad, geen tak; roerloos dat alles, alsof de ruimte een glasachtig ding was hier neergezet voor zijn ogen; een ding, doorzichtig maar ondoordringbaar, dat alle voorwerpen omsloot. Daar doorheen gaan, doorheen breken bijna, de weerstand overwinnen van deze grote, lege ruimte; de daad bijna die dat zou zijn, tot de ingang van het gebouw toe. 

Teruggaan! Weggaan! Niet daarheen, eerst nadenken. Hij stond stil. 

Maar die eerste handeling was er geweest; een daad bijna – opstaan en het huis uitgaan; de trein, de busreis hiernaartoe; het bospad; voortgaand van het een naar het ander, zonder veel gedachten behalve de beweging zelf – onontkoombaar die opeenvolging; dan dit, dan dat, nu hier aankomen, nu dít bereikt, en daarna onontkoombaar volgde dát; onmogelijk daar uit te stappen, uit dit zich voltrekken, nu het eenmaal aangevangen was – eindelijk een daad, een beweging. Want wat anders? Aan zijn tafel zitten thuis met gesloten gordijnen en zacht lamplicht? Of liggen in zijn bed, niet slapend, niet lezend, wegdrijvend in een donzige, vormloze ruimte. En die donzige, vormloze ruimte was hijzelf.

Op het terras van het gebouw zag hij gestalten bewegen; pratend, leunend over de balustrades. Hij kon ook vaag hun stemmen horen. Daar waren ze, daar stonden zij met z’n allen; al die mensen, glad en gesloten langs elkaar lopend, tussen elkaar door, als dingen, als biljartballen kaatsend tegen elkaar – en meteen was het effect er al. En dan hun ogen nog. Daar stond je dan eenzaam in de ruimte van top tot teen zichtbaar voor hun blik. Nee meer, alsof die blik de ruimte schiep om over die ruimte heen te zien, te meten; te oordelen ook. En bedwingen kon je die blik niet, want achter die ogen was dat ding dat hen voortdreef naar plannen en doeleinden, langs hem, los van hem; achteloos langs hem wegglijdend zoals op straat langs huizen en dingen. En dwingen kon je ze niet. De woede, de razernij soms; iets knijpends, iets snijdends in hem: Kijk naar mij! Let op mij! Laat mij bestaan! Zie mij, zie mij aan! En nog iets, dat andere – o o, walgelijk was dat; o o, beschamend, onzegbaar was het: Wees toch aardig! Wees toch aardig…! Maar afgesloten waren ze, ernstig en op weg. De machteloze woede soms, de razernij bijna: schoppen, schreeuwen. Maar zijn gezicht bewoog niet. Hij voelde de dikke zwaarte van zijn wangen, zijn mond, en dan zijn ogen nog; wegkijkend zijn ogen, de lege weerloosheid erin verbergend. Ook in de bus was dat zo geweest. 

‘Kunt u mij waarschuwen als we bij De Hartz komen?’ had hij gevraagd. Maar de toon was verkeerd geweest; te nadrukkelijk, niet losjes en terloops genoeg voor zomaar een achteloze vraag. Nee, nadruk, ernst. En daarna bleef hij staan, roerloos wachtend op het antwoord, alsof nu een beslissing viel die alles zou bepalen (raar, eigenaardig, hij voelde het zelf – maar hoe anders?); kijkend naar de chauffeur, ernstig, zonder een lachje – een dikke man breeduit zittend achter het grote stuurwiel, die ook niet glimlachte na een korte blik.

‘Komt allemaal goed, meneer,’ zei de chauffeur wegkijkend naar de halteplaats, het verkeer op de weg. Zijn stem was geruststellend maar koel en superieur. ‘Ik waarschuw u wel.’ 

Maar dat was niet genoeg geweest. Aardiger had gemoeten, vriendelijker, niet dat verveelde wegkijken.

‘Ja, ik ben daar nog niet eerder geweest,’ zei hij, nog steeds wachtend, hij bewoog zijn gezicht. ‘Tenminste, niet met de bus. Ik heb geen idee waar het precies is. Ik bedoel…’ Bijna kwam het grote praten al; woorden, nieuwe woorden, niet af te ronden zinnen, geen einde was er dan nog te vinden. Daar stond hij, nog steeds wachtend; hij voelde de onbeweeglijkheid in zijn ogen gericht op de chauffeur – het bolle gladde hoofd, de bril, het platte, dunnende haar. Wat was het belang van die man? Maar de reactie, de instemming die er had moeten zijn, het begrip…

‘Ja’, hij produceerde een verontschuldigend lachje – maar was dat zo, was het verontschuldigend? – ‘Ja, ik ben er alleen ’s avonds in het donker geweest met een taxi’, hij wachtte even. 

Wat liet hij horen? Wat drukte hij uit? Dit ongeveer: hij, ja hij in dit pak, met die das, dat vest, die overjas; hij, ’s avonds in een taxi naar het landhuis. Daar een gewaardeerde gast. En nu ging hij een keer zeer gewoontjes met de bus. Maar hij deed dat met genoegen, met waardering voor de chauffeur, zeker. Zoiets was het ongeveer. 

Nu zou de chauffeur op moeten kijken; waarderend, begripvol, met respect, met aandacht voor hem – met andere ogen als het ware. Dat was dat wachten en kijken en nog even blijven staan. 

‘Komt allemaal goed meneer.’ De chauffeur rekte de tonen in zijn stem. ‘Gaat u maar rustig zitten. Ik waarschuw u wel.’ 

Hij knikte, omhoogkijkend in de achteruitkijkspiegel, opzij naar de weg, trekkend aan hendeltjes, het stuur. Maar geen blik, geen glimlach, die slepende toon – ‘gaat u maar rustig zitten…’ –; wegwuivend en onachtzaam was het geluid van zijn stem. Te veel was het al en te laat; hinderlijk dat staan hier, zijn vragen, bijna of hij weggejaagd werd. Ook nu weer, steeds opnieuw. 

Andere woorden vinden, iets anders zeggen; iets vragen, zodat die chauffeur… – ja wat –, zodat hij opkeek, reageerde; vriendelijk glimlachend, herkennend en waarderend (maar welke woorden, wat nog te zeggen), en hij gesterkt door die reactie, die herkenning, die waardering, al reeds geoefend haast door dit gesprek, op het landgoed aan zou komen bij al die krachtige, zekere vreemden – leraren, docenten, professoren, die elkaar lachend begroetten, en bij elkaar stonden, samengebald in zichzelf, als achter een wal van zekerheid kijkend en pratend. Nee meer nog, over die wal heen kijkend en pratend. En hij zou zich daar dan aansluiten met de goede woorden, de juiste gebaren en houdingen, ongedwongen en moeiteloos; geoefend al in de bus met die chauffeur en nu als vanzelf voortgezet. 

‘Ja,’ zei hij wat opzij kijkend langs de chauffeur, ‘ja.’ 

Met een schok kwam de bus in beweging, draaide de weg op, zodat hij naar achteren struikelend en zich vastgrijpend aan leuningen met een plof ging zitten vele stoelen verder. Hij voelde de stroeve onbeweeglijkheid van zijn gezicht, het knijpen en trekken daar – ergernis, wrok. Hij zou niet groeten als hij uitstapte bij de halte, strak langs de chauffeur kijkend; of juist wel groeten, extra vriendelijk en dankbaar glimlachend alsof hij niets gemerkt had, het hem onverschillig liet wat zo iemand ook zei of deed. Hem wel. 

Beboste landschappen waar de bus doorheen reed over een smalle, kronkelende provinciale weg; dorpjes met rode daken, een wit kerkje verder weg blinkend in de zon; boomgroepen in grote open ruimten, en voorbij een bocht weer nieuwe ruimten die zich openvouwden voor zijn ogen met ver weg coulissen van andere bomen, met daarachter vaag zichtbaar nieuwe ruimten en een enkel dak van een boerderij, en weer boomgroepen met daaronder koeien schuilend voor de warme herfstzon. Fraai allemaal, mooi, een plantsoen, een park dit landschap.

Ja, warm ook deze dag weer. Benauwd hier in de bus met die vage lucht van olie en diesel, en dat wiegen en draaien. Te warm gekleed ook in een pak met stropdas, een vest en zelfs een lange bruine regenjas voor alle zekerheid; te warm, te benauwd – die stropdas, dat vest –; niet koesterend en weldadig die warmte – iets zachts dat van buiten kwam en langs hem streek – maar iets van binnenuit; een opgloeien daar, alsof hij koorts had, of ziek was, of heel zenuwachtig; net of zijn huid zwol en bonsde, en ook zijn gezicht. Zo daar verschijnen, zo daar aankomen in het landhuis van de Grote Man? Bevreemding zou zijn aanblik misschien wel wekken, achterdocht – waarom dat gloeierige, dat verhitte (merendeels psychologen daar); een getekende nu al, terwijl hij alleen maar voorzichtig aan wilde sluiten, haast ongemerkt, samen met Meindert, die daar een vertrouwde was. Hij zou eerst af moeten koelen buiten in het bos, ergens wachten tot het afgenomen was. Misschien zijn vest uit, en die das los, en die overjas – onder zijn arm die overjas. 

In zijn ooghoek, daar waar hij niet keek, aan de linkerkant van de weg – naar rechts keek hij van achter het raampje waar hij zat, naar de velden en bossen, de eenzame boerderij –;in zijn ooghoek was een flits van licht; of nee, geen licht, een beeld eerder, bliksemsnel opdoemend, onbeweeglijk, helder en compleet zichtbaar als een foto, en meteen weer weg: de grote bruingrijze zwerfsteen aan de linkerkant van de weg en daarachter de twee hoge pilasters met lantaarns en de twee vleugels van het hek; de dennen, de donkere boslaan, en op de zwerfsteen met grote, zwarte letters: De Hartz. 

Meteen stond hij naast zijn stoel in het gangpad van de bus en keek. Daar schoof het weg achter de bocht. Inderdaad: De Hartz. Verdorie De Hartz! En de bus was niet gestopt, de chauffeur had er niet aan gedacht, ondanks zijn belofte, ondanks de nadruk van zijn woorden en het zichtbare ongeduld van de man; het lusteloze knikken, de vermoeide, slepende toon in zijn stem – ‘ja ja meneer’ en: ‘Gaat u maar rustig zitten, meneer.’ Precies, rustig zitten, vol vertrouwen wachten – ‘Komt allemaal goed meneer.’ Nee. Vergeten. Niet aan gedacht. Gewoon erlangs gereden – misschien wel expres, bewust; omdat hij te veel aandrong, zeurde; weerzin tegen zoiets.

‘Chauffeur!’ riep hij. ‘U hebt de halte bij De Hartz vergeten! U zou daar stoppen!’ Om zich heen voelde hij de meekijkende gezichten van de andere passagiers. 

‘Verdorie!’ zei hij. Een woord of hij stampvoette. ‘U zou me gewaarschuwd hebben!’ Hij zag het bolle, gladde hoofd van de chauffeur, zichtbaar in de grote achteruitkijkspiegel; de zware hoornen bril, het geplakte dunne haar. Uitdrukkingloos dat hoofd, starend op de weg.

‘Meneer, u moet zelf ook opletten. Ik ben geen gids. Boven uw hoofd is een knop, weet u wel! Daar moet u op drukken om mij te waarschuwen!’ 

‘Ja maar, ik weet niet waar het is. Dat heb ik u gezegd. Ik ben er alleen ’s avonds geweest in het donker met een taxi. Ik heb geen idee waar het is,’ herhaalde hij. ‘Ik heb u gevraagd mij te helpen, mij te waarschuwen als we er haast waren.’ 

Bijna kwam het praten weer, het grote uitleggen en verklaren, de rechtvaardigingen, en hij hoorde zijn eigen stem – te heftig die stem, te schril; klagend al – de zwakke, de verliezer die machteloos wat najammerde. En daarna ook nog de woorden: ‘Weet u nog wel’, alsof hij hulp zocht, instemming, de chauffeur wilde bepraten. En vergeefs zou dat zijn, want alles wat hij zei gleed af op het onbeweeglijke bolle gezicht van de man, die bril, die ver weg starende ogen – ‘weer zo eentje’. Terwijl het anders had moeten zijn: een lach had in zijn woorden moeten doorklinken, wat hoofdschudden: ‘Nou nou, chauffeur. Afgeleid door het fraaie landschap? Wat slaperig van de zon?’ En daarna superieur en grootmoedig: ‘Ach ja.’ Ook een glimlachje bij de chauffeur dan – en de andere passagiers ook wat meelachend; ‘Ja, die chauffeur, het landschap, de zon…’ Of streng en kil: ‘Nou, chauffeur, u zou me waarschuwen. Daar komt niets van terecht dus.’ En dan daar staan; ernstig en verder krachtig zwijgend – afgedaan had die chauffeur. Maar nee, praten weer, uitleggen, een beroep doen op zijn begrip. En die ergernis, die klagende, schrille toon; machteloos, een verliezer. Opnieuw, steeds opnieuw. 

‘Meneer, als u klachten hebt…’ De chauffeur liet de woorden in de ruimte hangen.

‘Godverdomme,’ zei hij, ingehouden maar krachtig, alsof hij het woord uitspuugde. En daarna harder: ‘Godverdomme!’ Woede. Razernij. Schoppen, om zich heen slaan.

‘Meneer, denkt u aan de andere passagiers?’ Ja, dat kon na zulke woorden, die berispende toon – de andere passagiers. Hij voelde hun misprijzende blikken, het kille afwenden, terwijl de bus stopte bij de volgende halteplaats. 

En ook nog een soort schop na, terwijl hij uitstapte: ‘Een eindje lopen lijkt me wel goed voor u om af te koelen. En daarna nog een klein schopje: ‘Meneeer…’ De langgerekte jengeltoon bij dat woord. 

Daar stond hij bij de bushalte, zichtbaar voor iedereen om bekeken te worden. Tegen de bus schoppen? Op de ruiten slaan nu het toch al zover gekomen was? Maar zwak en machteloos was hij – geen spieren, geen krachten –; ook dit zou vergeefs zijn.

Op weg naar De Hartz
Paperback met flappen, 504 blz.
€ 24,50
ISBN 9789083048079
Verschenen september 2020 

Wessel te Gussinklo

Uitgeverij Koppernik

Meld u aan voor onze nieuwsbrief en ontvang bericht bij nieuwe boeken.

Dank voor uw aanmelding.