Gretel is opgegroeid op een woonboot met haar moeder, met wie ze over de rivieren dwaalde en een taal sprak die ze zelf hadden verzonnen, tot ze op een dag verdween en Gretel alleen achterliet. 

Zestien jaar later brengt een onverwacht telefoontje het verleden op volle kracht terug. Om haar moeder te vinden moet Gretel verborgen herinneringen onder ogen zien aan een noodlottige winter toen ze een weggelopen jongen onderdak boden en achtervolgd werden door een onheilspellend wezen dat zich in het water schuilhield.

Onder het water is een gedurfde en onweerstaanbare roman over lot en vrije wil, genderidentiteit en gebroken familierelaties.

‘De natuurlijke wereld wordt met sinistere gevoeligheid opgeroepen en door alles heen is de schaduw voelbaar van onze ingebeelde monsters.’ Juryrapport Man Booker Prize 2018

‘Een adembenemende debuutroman.’ The Guardian

Daisy Johnson

Onder het water

een

Een witte plek op de kaart

Onze geboorteplaatsen komen terug. Ze vermommen zich als migraine, buikpijn, slapeloosheid. Ze zijn de manier waarop we soms vallend wakker worden, tastend naar het nachtlampje, ervan overtuigd dat alles wat we hebben opgebouwd in de nacht is verdwenen. We worden vreemden voor de plek waar we geboren zijn. Zij zou ons niet herkennen maar wij zullen die plek altijd herkennen. Ze is als merg voor ons; ze zit in ons verwerkt. Werden we binnenstebuiten gekeerd, dan zouden er plattegronden aan de verkeerde kant van onze huid gekerfd staan. Puur zodat we onze weg terug kunnen vinden. Alleen, aan de verkeerde kant van mijn huid staan geen kanalen en treinsporen en een boot gekerfd, maar altijd: jij.

Het huisje

Het is moeilijk, zelfs nu, om te weten waar te beginnen. Voor jou is je geheugen geen lijn maar een reeks raadselachtige cirkels, die naar binnen komen en zich dan weer terugtrekken. Er zijn momenten dat ik bijna gewelddadig word. Als jij de vrouw zou zijn die je zestien jaar geleden was, denk ik dat ik het had gekund: de waarheid zo uit je slaan. Nu kan dat niet meer. Je bent te oud om nog iets uit je te slaan. De herinneringen flitsen als kapotte wijnglazen in het donker en zijn daarna weer weg.

Er is sprake van degeneratie. Je vergeet waar je je schoenen hebt gelaten terwijl je ze aanhebt. Vijf of zes keer per dag kijk je me aan en vraag je wie ik ben of zeg je dat ik eruit moet, eruit. Je wilt weten hoe je hier bent beland, in mijn huis. Ik vertel het je keer op keer. Je vergeet je naam of waar de wc is. Ik begin schoon ondergoed in de besteklade te bewaren. Als ik de koelkast opentrek, ligt mijn laptop erin; de telefoon, de afstandsbediening. Je schreeuwt midden in de nacht om mij en als ik kom aanrennen, vraag je wat ik daar doe. Jij bent Gretel niet, zeg je. Mijn dochter Gretel was wild en mooi. Jij bent haar niet.

Op sommige ochtenden weet je precies wie we allebei zijn. Je haalt zoveel keukengerei tevoorschijn als maar op het aanrecht past en bereidt grote feestmalen als ontbijt, overal vier teentjes knoflook in, zo veel mogelijk kaas. Je commandeert mij rond in mijn eigen keuken, zegt dat ik de afwas moet doen of de ramen moet lappen, in hemelsnaam. Het verval treedt, op deze dagen, langzaam in. Je vergeet een pan op het vuur en laat de pannenkoeken aanbranden, de wasbak overstroomt, een woord raakt verstrikt in je mond en je hoest en proest maar slaagt er niet in het uit te spugen. Ik laat het bad voor je vollopen en we gaan hand in hand de trap op. Dit zijn korte momenten van vrede, haast ondraaglijk. 

Als ik echt om je gaf, zou ik je voor je eigen bestwil in een tehuis stoppen. Bloemetjesgordijnen, iedere dag op hetzelfde tijdstip eten, anderen zoals jij. Oude mensen vormen een soort op zich. Als ik echt nog van je hield, had ik je achtergelaten waar je was, je niet hierheen gesleept, waar de dagen zo kort duren dat ze amper noemenswaardig zijn en waar we eindeloos blijven opgraven, blootleggen wat begraven hoort te blijven.

Van tijd tot tijd merken we hoe oude woorden weer naar binnen glippen en zijn we erdoor ontdaan. Het is alsof er nooit iets is veranderd, alsof tijd geen zier uitmaakt. We zijn weer terug en ik ben dertien jaar oud en jij bent mijn verschrikkelijke, fantastische, angstaanjagende moeder. We wonen op een boot op de rivier en we hebben woorden die niemand anders kent. We hebben een hele taal van onszelf. Je zegt dat je het water langs hoort efferen; ik antwoord dat hier geen rivier in de buurt is, maar dat ik het soms ook hoor. Je zegt dat je wilt dat ik wegga, je hebt sjeesjtijd nodig. Ik zeg dat je een harpiedoedel bent en je wordt boos of lacht zo hard dat je moet huilen.

Op een nacht word ik wakker als jij aan het schreeuwen bent. Ik stuif door de gang, smijt je deur open, doe het licht aan. Je zit rechtop te huilen in het smalle logeerbed, met het laken opgetrokken tot aan je kin en je mond open.

Wat is er? Gaat het wel?

Je kijkt me aan. De Bonak is hier, zeg je, en heel even – omdat het nacht is en ik pas net wakker ben – voel ik een misselijkmakende paniek opkomen. Ik schud het van me af. Trek de kast open en laat je de lege binnenkant zien; help je uit bed zodat we er samen op onze hurken onder kunnen kijken, voor het raam kunnen staan om in het duister te turen.

Er is daar niets. Je moet nu gaan slapen.

Hij is hier, zeg je. De Bonak is hier.

Het grootste deel van de tijd zit je als versteend in de leunstoel naar me te kijken. Je handen zitten onder het eczeem, waar je nooit eerder last van had, en je zit er met opgetrokken lippen aan te krabben. Ik probeer het je gemakkelijk te maken, maar – en dit weet ik nu weer van je – jij vindt gemak maar vervelend. Je wilt de thee niet die ik je breng, je eet niet, drinkt amper. Je slaat me weg als ik met kussens aankom. Laat zitten, nu draaf je door, houd daarmee op. Dus dat doe ik. Jij zit in de leunstoel en ik zit aan de kleine houten tafel tegenover je te luisteren naar je verhalen. Je hebt een strijdlustig uithoudingsvermogen dat ons hele nachten wakker houdt met nauwelijks een onderbreking. Van tijd tot tijd zeg je: Ik ga naar de wc en sta je op uit je stoel als een treurende vrouw aan de rand van een graf, terwijl je handen onzichtbaar stof van de broek vegen die ik je geleend heb. Ik ga nu, zeg je en je loopt statig richting de trap, draait je om met een dreigende blik alsof je wilt zeggen dat ik zonder jou niet verder kan, het is niet mijn verhaal en ik moet wachten tot je terug bent. Halverwege de trap zeg je dat mensen voor hun fouten moeten uitkomen, ermee moeten leven. Ik sla een van de notitieboekjes die ik heb aangeschaft open en schrijf alles op wat ik nog weet. Je woorden staan bijna vredig op het papier, lijken wel ontwapend.

Ik heb zitten nadenken over het spoor van onze herinneringen, of het spoor hetzelfde blijft of verandert als we ze in de loop der tijd herschrijven. Of ze zo stevig zijn als huizen en kliffen of snel vergaan en vervangen worden, overschreven. Alles wat we ons herinneren, wordt doorgegeven, overdacht, is nooit hoe het in het echt is geweest. Het maakt me angstig, rusteloos. Ik zal nooit echt weten wat er gebeurd is.

Wanneer je je goed genoeg voelt, neem ik je mee naar de weilanden. Ooit stonden hier schapen maar nu is het gras dat er groeit zo dun dat je het krijt erdoorheen kunt zien, bultige heuvels boven op de ribben van de grond, een smal stroompje dat uit de modder opborrelt en langs de helling omlaag sluipt. Om de zoveel dagen roep ik dat bewegen gezond is en klimmen we naar de top van de heuvel, staan we bezweet aan de top te hijgen, en dalen we weer af naar het beekje. Dan pas stop je met klagen. Je hurkt neer bij het water en steekt je handen in de koude stroming tot je de kiezelige bodem raakt. Mensen die opgroeien aan het water, vertel je me op een dag, zijn anders dan andere mensen.

Wat bedoel je daarmee? vraag ik. Maar je geeft geen antwoord of je bent vergeten dat je iets hebt gezegd. Dan nog, de gedachte blijft heel de stille nacht bij me hangen. Dat we worden gedetermineerd door ons landschap, dat onze levens worden bepaald door de heuvels en de rivieren en de bomen.

Je stemming slaat om. Je mokt tot het donker wordt en rommelt dan door het huis op zoek naar iets sterkers dan water. Waar is het? roep je. Waar is het? Ik vertel je niet dat ik de keukenkastjes meteen heb leeggeruimd toen ik je bij de rivier vond en je hierheen bracht en dat je het zonder zult moeten doen. Je ploft in de leunstoel en staart me boos aan. Ik rooster brood voor je, dat jij dan weer van het bord op de vloer gooit. Ik vind een spel kaarten in een van de lades en je kijkt me aan of ik gek ben.

Ik weet het niet, zeg ik. Wat wil je?

Je staat op uit de stoel en wijst ernaar. Ik zie je armen beven van vermoeidheid of woede. Ik kan godverdomme niet de hele tijd aan de beurt zijn, zeg je. Ik heb je genoeg verteld. Al dat gedoe. Al dat gezeik over mij. Je steekt je gespreide hand uit naar de stoel. Jij bent aan de beurt.

Goed. Wat wil je weten? Ik zit in de leunstoel. Hij gloeit van je achtergebleven warmte. Je sluipt langs de muur, trekt aan de mouwen van de waxjas die je tegenwoordig binnenshuis draagt.

Vertel me hoe je me hebt gevonden, zeg je.

Ik leun met mijn hoofd naar achteren, klem mijn handen zo stevig in elkaar dat ik het bloed voel kloppen. Het is bijna een opluchting je ernaar te horen vragen.

Dit is jouw verhaal – een paar leugens, een paar verzinsels –
en dit is het verhaal van de man die mijn vader niet was en van Marcus, die, aanvankelijk, Margot was – nogmaals, geruchten, giswerk – en ten slotte is dit verhaal – het ergst van al – van mij. Dit begin eis ik op. Dit is hoe ik jou een maand geleden heb gevonden.

De jacht

Zestien jaar daarvoor had ik je voor het laatst gezien, toen ik die bus in stapte. Aan het begin van de zomer raakten de kuilen in het landweggetje naar het huis gevuld met kikkerdril, maar het was al bijna half augustus en er groeide niet veel meer. Dit huis was in een vorig leven een boot. Die maand liepen er vochtige naden langs alle muren; tijdens de plotselinge heuvelwinden hoestte de haard vogelnestjes op, stukjes eierschaal, uilenballen. Over de scheve vloer van het keukentje kon een bal van de ene kant naar de andere rollen. Geen van de deuren paste helemaal. Ik was tweeëndertig jaar oud en woonde er al zeven jaar. Vroeger had men het over een witte plek op de kaart. Tegenwoordig noemen ze het de bushbush of de rand van de beschaving. Dit zijn woorden die betekenen: ik wil niet dat iemand me vindt. Ik begreep dat dit een eigenschap was die ik van jou had. Ik begreep dat jij jezelf altijd zo diep probeerde te begraven dat zelfs ik je niet kon opdelven. De appel valt niet ver van de boom. Met de bus was het anderhalf uur naar Oxford, waar ik werkte. Niemand behalve de postbode wist dat ik hier zat. Ik waakte over mijn isolement. Ik gaf het de ruimte zoals anderen hun geloof of politieke overtuiging de ruimte gaven; ik had met geen van beide ooit iets gehad.

Voor mijn werk herschreef ik woordenboekdefinities. Ik was die hele week bezig geweest met breken. Er lagen systeemkaarten over de tafel verspreid en een paar op de vloer. Het woord was lastig en liet zich niet makkelijk definiëren. Dit soort woorden had ik het liefst. Ze waren net als een oorwurm, een liedje dat in je hoofd blijft zitten. Vaak merkte ik dat ik ze in zinnen schoof waarin ze niet thuishoorden. Een code ontcijferen. Briefgeld wisselen. Onderbreken. Ik doorliep het alfabet en tegen de tijd dat ik bij het einde aankwam, waren de woorden alweer veranderd, iets opgeschoven. Mijn herinneringen aan jou hadden dat ook. Toen ik jonger was, liep ik ze keer op keer na, probeerde de details eruit te vissen, specifieke kleuren of geluiden. Alleen waren ze iedere keer dat ik er een opnieuw ophaalde net iets anders en besefte ik dat ik niet kon onderscheiden wat ik had verzonnen en wat er echt gebeurd was. Daarna hield ik op met herinneren en probeerde in plaats daarvan te vergeten. Daar was ik altijd stukken bedrevener in geweest.

Iedere paar maanden belde ik de ziekenhuizen, de mortuaria, de politiebureaus om te vragen of iemand je gezien had. Twee keer in de afgelopen zestien jaar leek er schot in de zaak te komen: een beroofde woonbootgemeenschap met een vrouw die leek op de beschrijving die ik had opgegeven; een paar kinderen die zeiden dat ze een lichaam in het bos hadden gevonden maar die achteraf bleken te liegen. Ik zag jou niet meer in de gezichten van andere vrouwen op straat, maar het opbellen van mortuaria bleef een gewoonte. Soms dacht ik dat ik het bleef doen om er zeker van te zijn dat je niet terugkwam. 

Die ochtend was ik op kantoor geweest. De airco stond zo hoog dat iedereen truien en sjaals droeg, vingerloze handschoenen. Lexicografen zijn een slag apart. Koudbloedig, rustig overwegend, zorgvuldig formulerend. Aan mijn bureau – terwijl ik met systeemkaarten aan het schudden was – besefte ik dat het bijna vijf maanden geleden was dat ik voor het laatst naar je had gezocht. De langste tussenpauze in lange tijd. Ik nam mijn telefoon mee naar de wc en belde de vaste plekken op. Ik had je fysieke beschrijving aangepast aan de verstreken tijd. Witte vrouw, halverwege de zestig, donker tot grijs haar, één meter vijfenvijftig, zesenzeventig kilo, moedervlek op de linkerschouder, tatoeage op de enkel.

Ik vroeg me al af, zei de man van het laatste mortuarium dat ik belde, of we dit telefoontje zouden krijgen.

Je leek altijd krachtig, eindeloos, onsterfelijk. Ik vertrok eerder van kantoor. Ze waren aan de weg aan het werken bij de rotondes en de bus deed er lang over om de stad uit te komen. Ik had nooit veel op jou geleken maar in de weerspiegeling van het vieze raam herkende ik jou in de trekken van mijn gezicht. Ik sloot mijn vuisten om de stang van de stoel voor me. Die avond zou ik een tas inpakken, een huurauto boeken, het water afsluiten. ’s Morgens zou ik op pad gaan om jouw lichaam te identificeren.

Het was donker tegen de tijd dat ik thuiskwam. Ik liep naar de keuken om het licht aan te doen en merkte dat ik bang was – zoals ik al jaren niet was geweest – dat je daar zou staan. Ik hield mijn handen onder de kraan tot het water stoomde. Je was kleiner dan ik, met brede heupen en zulke kleine voetjes dat je soms voor de grap zei dat ze ingebonden waren geweest toen je een kind was. Je knipte je haar niet en het was lang en donker, stug van boven. Zo nu en dan mocht ik het vlechten. Gretel, Gretel, wat heb je vlugge vingertjes. Dan lachte je. Ik had me dat al lang niet meer herinnerd. Hoe het voelde om je haar aan te raken. Kun je een zeemeerminnenstaart maken? Nee, niet zo, probeer het opnieuw. Nog een keer. 

Ik probeerde te werken. Breken. In stukken verdelen. Defect raken of maken. Morgenochtend in het mortuarium zou ik je eindelijk weer zien. Vlucht kan als zelfstandig naamwoord worden gebruikt als een verzamelnaam voor een groep vogels. De vogels rezen op uit mijn keel, stroomden uit mijn opengesperde mond. Ik overtrad mijn eigen regel. Er zat een fles gin tussen de koelkast en de muur geklemd. Ik wrong hem eruit. Schonk een driedubbele in een glas. Hief het glas op jou. Jouw stem ratelde door mijn hoofd, onafgebroken. Ik verstond de woorden niet, alleen dat jij het was die sprak; de zinnen hadden jouw intonatie, de woorden waren simpel en hard. Ik knaagde aan de rand van het glas. Ik sloot mijn ogen. Er klonk een harde klap die een windvlaag langs mijn gezicht voerde. Toen ik opkeek stond je in de lage deuropening naar de tuin. Je had die oude oranje jurk aan, strak rond je middel, je benen braken uit de onderkant. Je hield je handen naar me uitgestoken en ze zaten vol modder. De rivier was verbonden met je linkerschouder en werd breder achter je rug. Ze zag eruit zoals toen we er woonden: dik, bijna ondoorzichtig. Alleen zag ik de schaduwen van wezens op de keukentegels duikelen en zwemmen. Ik zette de kraan weer open en hield beide handen onder het hete water. Toen ik omkeek was je dichterbij gekomen, met onkruid verstrikt in de zwarte strengen haar langs je gezicht, je oudesigarettenlucht vulde de keuken tot in alle hoeken. Ik voelde je mijn leven onder de loep nemen. Zelfs in mijn verbeelding was je bemoeizuchtig, kritisch. Je pelde een ei, haalde de schaal van de gladde witte bol. Je achtervolgde me met de tuinslang tot de grond zo doorweekt was van de modder dat we omvielen, onder zaten als pasgeboren bloembollen. Je keek me aan vanuit de opening van mijn keuken met achter je de kolkende rivier. Waar ben je mee bezig? vraag je. Is dit waar je beland bent? Je effert maar wat aan.

Ik trok mijn laarzen, jas en muts aan en ging zo snel de deur uit dat ik hem nauwelijks achter me dichttrok. Er hing een korst van lichtvervuiling en een sikkelmaan. Ik liep zo snel dat ik na een tijdje moest stoppen, uithijgen. Toen ik omkeek scheen er een enkel vierkant van licht uit het keukenraam van het huisje. Een gele holte in de heuvel. Ik wist niet meer of ik degene was die het aan had gelaten.

Ik had altijd begrepen dat het verleden niet zomaar doodging omdat wij dat wilden. Het verleden gebaarde naar ons: geklik en gekraak in de nacht, verschrijvingen, reclamejargon, de lichamen waartoe we ons aangetrokken voelden of juist niet, de geluiden die ons aan dit of dat deden denken. Het verleden was geen draad die achter ons aan bungelde maar een anker. Daarom zocht ik al die jaren naar je, Sarah. Niet om antwoorden, condoleances; niet om je met een schuldgevoel te bestoken of om je in de val te lokken. Maar omdat je – lang geleden – mijn moeder was en je vertrok.

Daisy Johnson
Onder het water
Vertaling Callas Nijskens
Paperback met flappen, 272 blz.
ISBN 9789592313744
€ 22,50
Reeds verschenen

Auteur