‘O, baby, open jij de hemel? Of ik open het vuur. Want als onsterfelijk mooi wil ik ons blijven zien.’

In Nietsdankussen doet een vrouw, tijdens haar autorit naar een rendez-vous in een strandpaviljoen, gepassioneerd verslag van de aanloop tot het weerzien, na zo’n dertig jaar, met de liefde van haar leven, in de hoop eindelijk het ultieme geluk met hem te beleven.

Of is ze juist op weg naar het moment van haar ultieme wraak?

‘Zo’n agaveplant bloeit één keer, Cinthia. Pas na heel veel jaren, indrukwekkend hoog en mooi, heerlijk geurend. Daarna kwijnt ze weg. Maar die bloei is dan wel haar opperste geluk, gedragen verrukking, stille extase, denk je ook niet?’

‘Wat betekent extase?’

Deze sterk autobiografisch getinte novelle is geschreven vanuit een besef van verlies, maar met een ongewone, melancholische vitaliteit.

Volgt

O, baby, open jij de hemel? Of ik open het vuur. Want als onsterfelijk mooi wil ik ons blijven zien. Op een warme, windstille avond. Hand in hand. Op een met duistere parasoldennen, agaven en bloeiende oleanders begroeide hoogte aan zee.

We zijn op het restant van een muurtje gaan zitten, omgeven door mimosastruiken. Boven ons, tussen de silhouetten van de gevoelig gevouwen dubbelgeveerde bladeren, fonkelt het van de sterren. Onder zijn open linnen hemd is hij bloot als de zinderende hemel.

Ik zie zijn wonderlijk heldere gezicht, alsof het straalt. Hij zit met zijn benen, zijn stevige benen ietwat uit elkaar, en als mijn hand vindt wat ze verwacht te vinden, schuift er een jongensachtig dromerige en raadselachtige uitdrukking, half genot, half pijn, over zijn gelaat.

Hij klemt mijn hand tussen zijn dijen, ontspant weer, en dan volgen kussen, niets dan kussen.

Ik ruik zijn huid in de ziltige mengeling van kruidigheden om ons heen, en voor mijn ogen vervloeien de sterren tot een flets en vochtig waas.

Een geluid of een beweging vlakbij, niet van een mens, maar van een struinende kat misschien, van een egel, of van een engel, in elk geval iets, altijd iets, al verbeelden we het ons maar, voorkomt dan dat we verdergaan en dat de waanzinnige tinteling uit ons zal verdwijnen, datzelfde zinderen waarmee de sterren ons hele leven in het uitspansel staan.

‘Ze kijken naar ons,’ zeg ik dan.

‘Om te zien hoe onsterfelijk mooi je bent,’ zegt hij.

‘Om te zien hoe onsterfelijk mooi je bent.’ Zo wil ik het straks ook horen, wanneer ik zeg dat de mensen naar ons kijken. Al zullen er nauwelijks mensen zijn. Want wie gaat nou naar het strand bij dit hondenweer?

 

– DE WONING UIT, DE AUTO IN –

 

Hooguit enkele Noord-Hollandse eigenheimers die bij de gedachte dat het de tweede dag van de lentemaand is en ook nog zondag, pertinent aan zee willen zijn.

Rubberen laarzen aan. Gehuld in waterdicht jack of compleet regenpak. Het gezicht verkleind tot mond-neus-ogen, strak ingesnoerd door de aantrekkoordjes van de capuchon. Veelal getweeën stappen ze met hun schouders naar voren en het hoofd gebogen langs de humeurige waterlijn, waar geen plevier of ruiter zich vertoont. Tegen de matige tot harde noordnoordoostenwind met zo nu en dan een extra hevige vlaag van schuin over het duin, die zelfs een stormvogel hoorbaar ergert.

Tot ze het geleidelijk zien oprijzen van de vage, grijze silhouetten van de hoogovens opeens zat zijn, resoluut omkeren en het meer dan verdiend noemen zichzelf te trakteren in een Zandvoorts strandpaviljoen.

Achter de glazen terrasschermen zit uiteraard niemand. Een van de kleine, toch al misplaatste palmen ligt met kuip en al in het natte tochten over de houten vlonder te wiegelen en er hulpeloos met zijn geknakte bruine bladeren op te klapperen.

De buitenthermometer naast de terrasdeur geeft negen graden aan, terwijl het als wel vijf graden kouder aanvoelt.

Maar binnen is het heel aangenaam. De vrouw beent regelrecht naar het toilet. De man vist een krant uit de tijdschriftenbak alvorens zijn druipende regenplunje over een stoel te draperen en aan een tafel te gaan zitten. Plaatskeuze zat.

Voor hemzelf ‘een jonge en een koffie’, voor zijn vrouw ‘warme chocolademelk graag. En tweemaal appelgebak, alsjeblieft,’ zegt hij tegen de serveerster in de witte blouse en zwarte rok. ‘Allebei met slagroom, ja.’

Hij maakt het zich gemakkelijk, leunt achterover en slaat de krant pontificaal open. Shanghai toont de nieuwe wereld. Markten rustiger na steun Merkel aan Athene. Zeven dagen Secrets of Syria vanaf € 899.

Mogelijk zijn het deze twee die straks naar ons kijken. Of anderen die stilzwijgend op hen lijken. Omdat ik zo onsterfelijk mooi ben?

Ik zal geen oog voor hen hebben. En onsterfelijk is mijn schoonheid allerminst, of niet meer, hoewel ik niet mag mopperen wanneer ik mijn spiegelbeeld ten voeten uit vergelijk met het uiterlijk van het merendeel van mijn leeftijdgenoten. De zwaartekracht lijkt minder hard aan me te hebben getrokken. De kraaienpootjes, zoals ik ze weer even in de achteruitkijkspiegel zie, zijn me zelfs sympathiek. Ze verzachten mijn blik waarmee ik, weet ik, als onbewogen of ongenaakbaar kan overkomen. Ik had wat graag van die reebruine kijkers gehad of hazelnootkleurige, in ruil voor dit ijsblauwe stel. Plus een gezichtshuid die verraadt wat ik wel degelijk gauw en goed kan, maar zonder dat je het aan me kunt zien: het heel erg warm krijgen om haast niets. De laatste tijd zelfs meer dan ooit. En mijn neus wordt nog altijd veel eerder snotterig dan dat mijn ogen tranen.

 

– DE STRAAT UIT –

 

Ik haal die belachelijke gifgroene oogschaduw er trouwens zo meteen weer af. Ik ben toch geen puber! Dat wil zeggen, als ik zover kom en me niet alsnog bedenk en grienend terugrijd zonder te zijn uitgestapt.

De ruitenwissers zijn al even wankelmoedig met hun ja, nee, ja, nee, ja, nee.

Iets wat ik in elk geval beslist moet nalaten, voel ik, wil ik niet nu al in janken uitbarsten: op Play drukken. Hoewel ik het me heb voorgenomen, de cd zelfs al heb ingeschoven. En het pas net middag is. En we het nooit bij de dashboardverlichting hebben gedaan. Er was niet eens een auto om het in te kunnen doen…

 

– ROTONDE, AMSTELVEENSEWEG OP –

 

Borgman was volkomen onverwacht maar geheel verhoopt op het vrijdagavondfeestje verschenen.

‘Ga je ook?’ had ik hem aanstokend gevraagd.

‘Nee, zeker nu niet. Wees maar niet bang. Wat heb ik daar te zoeken?’

‘Mij natuurlijk!’

‘Wie weet verandert dat de zaak,’ zei hij leukweg, in plaats van verbaasd te vragen wat ik daar dan wel te zoeken had.

In het afgehuurde buurtzaaltje werd gedanst, aan de natte tafeltjes werden flesjes bier, sinas en cola gedronken en chips en pinda’s verorberd. Achteraf vraag je je af wat we verder met onze handen, ogen en monden moesten aanvangen in dat premobieltjestijdperk.

Er waren ook twee docenten van wie ik les had. De roodbaardige aardrijkskundeleraar die verkondigde de geologische tijdperken met hun gidsfossielen te behandelen omdat het hocus pocus van het darwinisme aan de kaak gesteld moest worden.

En Swine, docent Engels, eigenaar van een polaroidcamera met een notoire zoeker voor even onooglijke als onnozele broekenmannetjes.

Ik zag aan die Laura Stoter of hoe ze heette dat Borgman in de schemerig verlichte klamme ruimte was verschenen. Want van het ene moment op het andere begon ze opzichtig te wiegelen en te draaien en geaffecteerd te gebaren. Ze had net een blauwtje bij hem gelopen.

Hij stond bij de bar. Ik had hem in de armen willen vliegen. In plaats daarvan veinsde ik belangstelling voor de jongen door wie ik me had laten meevragen, een niet onsympathieke langharige, voor het schoolblad dichtende brildrager die handtastelijker werd naarmate de alcohol vat op hem kreeg.

Aanvankelijk was dat amusant. Stiekem hield ik tussendoor Borgman in de smiezen. Die had bij wijze van tegenzet een praatje aangeknoopt met Swine, zodat ik mijn chaperon nog wat meer moest ophitsen. Tot die echt kachel werd. Eerst kon ik hem nog met een vingertje van me af duwen, maar op een gegeven moment probeerde hij me om mijn middel te pakken en op de mond te zoenen.

Quasi in paniek zocht ik de ogen van Borgman.

Vergeefs. Dus moest ik tot geweld overgaan.

De pipo tuimelde achterover tussen tafeltjes en stoelen. Door If you want my body and you think I’m sexy heen hoorde ik het geluid van krakend en knerpend glas. Toen zag ik Borgman – come on honey, tell me so – vlakbij staan, een voet optillen en verzetten en zich bukken om de glimmende restanten van glazen en een brilmontuur op te rapen en die tussen omgevallen, nog naschommelende flesjes op een tafelblad te leggen.

Met assistentie van Swine hielp de roodharige creationist het slachtoffer overeind om hem het zaaltje uit te loodsen. Maar al voordat de gedoemde dichter in zijn houtje-touwtje geholpen was om inspiratie te mogen opdoen onder ’t tollend sterrenwaas boven ’t kille duister, stond ik op de kleine dansvloer.

Een minieme hoofdbeweging of alleen al de oogopslag van Borgman was voldoende geweest. De gekleurde lichten werden nog meer gedempt en nadat bijna iedereen in een flakkering van hoop op en angst voor elkaar van de vloer was gevlucht bij de eerste tonen van het schuifel-nummer, dansten wij tegen elkaar gedrukt.

If loving you is wrong, I don’t want to be right.

Gelijktijdig met het ras toenemen van mijn fysieke opgewondenheid kwam de onloochenbare wederzijdsheid ervan voelbaar vast te staan, alsof dit niet voor het eerst gebeurde maar altijd zo was geweest. Ik zei iets onnozels in zijn oor. Hij verstond het niet, maar zijn reactie was de gewenste: zijn rechterhand schoof verder door, naar het midden van mijn rug. De vingers van zijn andere hand in mijn nek en toen achter door mijn haar.

‘Je haar ruikt lekker,’ zei hij.

‘O, babyshampoo,’ wilde ik laconiek antwoorden, maar ik liet het bij de eerste drie lettergrepen.

‘O, baby…’ herhaalde hij fluisterend in mijn oor.

If I can’t see you when I want to, I’ll see you when I can.

Laura Stoter zou me hebben willen villen. En hoogstwaarschijnlijk dat niet alleen.

Geen wonder dat we even later bijna van de vloer spatten op de rock-’n-roll van Meatloaf.

Toen praktisch iedereen vertrokken was, stond ik nog altijd in het donker met verkleumde handen aan mijn kille fietsslot te hannesen. Ik had het sleuteltje al voor de zevende keer moeten laten vallen, voordat je naar buiten kwam. Achter de rosse docent aan.

‘Ben jij nog niet steeds naar huis, jongedame?’ moest de frik uiteraard meteen vragen. ‘En zou je moeder je niet beter zijn komen ophalen?’

‘Hier is ze al!’ schetterde het achter me.

‘Nee, hè!’ kermde ik van acute nepbuikpijn.

Ze bedankte de baard voor het toezicht en gaf me uit ieders zicht de wind van voren omdat ik had beloofd om half twaalf thuis te zijn.

 

– STADIONPLEIN –

 

Ik heb altijd de indruk gehad dat mijn moeder het me kwalijk nam dat ze er alleen met mij voor was komen te staan toen ik niet eens zes was. Alsof het door mij kwam dat ze hem van de ene op de andere dag kwijt was.

Misschien ook wel vanwege dat verhaal over mij in mijn eerste badpakje op die hete middag in juli.

‘Het is zó raar,’ zei de vrouw die bij het pierenbad toezicht had gehouden tegen mijn moeder, en daarna nog meerdere keren tegen iedereen die het horen wilde – sindsdien bewaar ik het door haar geschetste tafereel als een hoogsteigen herinnering –, ‘Cinthiaatje slaakte een ijselijke kreet zonder dat er een zichtbare aanleiding toe was. Heel even stond ze daar star en wezenloos voor zich uit te kijken. Toen ik op mijn hurken bij haar ging zitten en vroeg wat er was gebeurd, wees ze op de spetterende en kletterende fontein waaronder en waaromheen de andere kinderen uitgelaten verder speelden, en zei ze dat al het water ineens in de lucht bevroren was. Nog geen kwartier later kregen we de melding dat de kleine meid met spoed naar huis moest worden gebracht, omdat er iets, dat wil zeggen niets meer’ – zo zei ze het letterlijk – ‘met haar vader was. Ik krijg er nog kippenvel van.’

Mijn moeder heeft hem beslist in rook en as laten opgaan omdat ze mij geen plek gunde om te kunnen bezoeken en er in mijn verbeelding af en toe nog een beetje bij hem te zijn en tegen iemand te mogen praten.

Daarna heb ik menige kostganger bij ons over de vloer zien komen en gaan. Soms was er zelfs een aardige vent bij, maar voordat ik een beetje aan zo’n man had kunnen wennen, kreeg ik er de schuld van dat het huis weer daverde van haar stampvoetende drift.

Volgens Ludo was de onverwachte en veel te vroege dood van mijn vader er de oorzaak van dat het op de middelbare school niet goed met me is gegaan, dat ik op een gegeven moment van school moest veranderen, en nog een keer, omdat ik een niet-aflatende onrust in me had, een me opjagende angst voor een zomaar, een moment lang bevroren staand waterspel bij grote hitte, een palmboom of agave als van kristalglas.

En dat ik daarom alleen maar feestte en beestte en zoveel mogelijk jongens in het ongeluk wilde storten. Want aan mijn intelligentie kon het volgens hem niet hebben gelegen. Merci, chéri.

‘Ach, arm verweesd katje,’ zei hij dan.

O, ik hoop zo dat het niet nodig is, maar wellicht schiet ik Ludo vannacht nog door zijn kop. Daarom moet ik eerst tanken, dan hoeft dat onderweg naar Keulen niet meer en kan ik doorjakkeren.

 

– TOTAL TANKSTATION –

 

Zal ik en passant op het toilet even die oogschaduw eraf halen? Bah, nee, niet hier. Bovendien ben ik nog nooit zo ruim in de tijd naar een afspraak onderweg geweest.

Straks maar.

Ik heb er lang over gedubd hoe ik me zou kleden. Logisch. Steeds weer voor de spiegel in iets anders.

Jurken: kort, halflang, chiffon, tricot, jersey, stretch? De framboise met de spaghettibandjes? Veel te zomers. Rokken: met rits, met split – veel te sexy. Zwart, mint, genopt? Mantelpakjes. Shirts, blouses, tops. Pumps, sandaaltjes, ballerina’s. Ondergoed: push-up, minimizer, body, string, tailleslip, halfdoorzichtig kant, katoen.

Gelukkig heeft het snertweer me enigszins van advies gediend. Maar het is niet alleen daarom dat ik deze klassieke stretchjeans aan heb, evenals de zwarte enkellaarsjes met rits en zes centimeter hoge hak, en onder mijn gevoerde roodpaarse jack dit zwart en bruine blouseshirt met luipaardprint: iets soortgelijks droeg ik ook toen ik veertienenhalf was!

Tegelijkertijd lijk ik er allerminst een puber in. Toch? Op die vreselijke oogschaduwkleur van toentertijd na dan, want wie wil er nou met verf een minnaar veroveren? En deze luipaardprint is heel wat verfijnder en stijlvoller dan de grote chocoladebruine vlekken op dat ananasgele topje zo’n dertig jaar geleden. Geen ring, armband, oorbellen, halsketting. Ook destijds niet. Geen nagellak. Ja, transparante gloss. Wel lippenstift nu natuurlijk.

Ik moet opeens denken aan de reactie van mijn moeder op dat topje. Ha! Maar eerst het jack uit, want zo meteen kom ik nog met natte oksels te zitten, in de wagen is het inmiddels warm zat.

 

– TANKSTATION UIT, STADIONBRUG OVER, TWEEDE DEEL AMSTELVEENSEWEG –

 

Ze vroeg me op een avond hoe ik aan dat dingetje kwam dat ik al een paar dagen droeg.

‘O, gewoon voor zolang geruild met Sharon,’ antwoordde ik zo onverschillig als ik kon.

‘Geen wonder dat ik het ordinair vind,’ sprak Hare Snibbigheid.

Ik had het in een etalage op de Nieuwendijk gezien en Borgman aan zijn arm gesjord. Nog geen drie minuten later stond ik in een pashokje.

Ik zei hem de wacht aan: ‘Braaf zijn, hè! Niet eerder komen kijken dan wanneer ik zover ben.’

Bijna gelijktijdig met mijn ‘Ja-ha!’ kwam ook jij achter het gordijntje.

‘O, baby,’ fluisterde je. En wat gloeide je!

Zou ik ondanks het weer toch het napparokje in plaats van jeans aan hebben moeten doen?

Als hij me voor de tweede keer laat zitten, maak ik hem koud. En daarna gaat dus ook Ludo eraan.

 

Paperback met flappen
96 blz.,
€ 16,50.
ISBN: 978 94 92313 07 2
Verschenen: april 2016

Cinthia Winter 

Ook interessant: