Negen raven laat de onheilspellende, ontroerende, soms humoristische obsessies zien van normale mensen.

Een goed verhaal, bewijst deze bundel van Willem du Gardijn, is als een raaf: mooi, intelligent, sociaal enerzijds, duister, gemeen en hongerig anderzijds. Op het snijpunt van goed en kwaad beschrijft Negen raven de onveranderlijke menselijke conditie.

‘Du Gardijn gaat analytisch en associatief te werk, verhalend en beschouwend, somber en blijmoedig, liefdevol en wreed, en het is deze cocktail die van Negen raven een inspirerend en onderhoudend avontuur maakt.’ De Volkskrant

 

‘Het is Du Gardijns zuigende, bij tijd en wijle surrealistische stijl die zijn verhalen boven het gemiddelde uit tilt.’ Trouw

 

‘De kracht van Negen raven is dat Du Gardijn op steeds andere manieren speelt met de frictie tussen wat zijn personages denken en wat ze waarnemen.’ De Groene Amsterdammer

 

‘Du Gardijn heeft een duidelijke voorkeur voor figuren met wie iets is, met vreemde vogels die niet in een maatschappelijk stramien willen passen.’ NRC Handelsblad

 

‘Schrijverij die de verbeelding prikkelt en het verstand uitdaagt.’ Vrij Nederland

Vrouw

 

Mijn vader behoorde tot de zeer ouden en had zich in zijn huis opgesloten. De gordijnen gingen nooit meer helemaal open, laurierstruiken maakten het tuinpad onbegaanbaar. De garage waarin zijn witte Mercedes stond was jaren niet meer open geweest, maar verkopen wilde hij niet. 

Drie maanden geleden, op een vrijdagmiddag net na vieren, trof ik hem aan in zijn badjas achter het stuur, sleutel in het contact, de lichten brandden, de motor liep niet. Raam en deur van de garage waren gesloten, zijn portier stond open. Opgelucht constateerde ik dat hij bewoog.

Ik hielp hem de auto uit, we liepen naar de woonkamer. Op zijn schouder legde ik een gewichtsloze hand, hij droeg pantoffels. Hem vragen waarom hij om vier uur nog in deze kleding rondliep was te ingewikkeld. Ik stelde voor thee te maken, maar hij wilde iets sterkers. 

‘Het is bijna borreltijd,’ zei hij met een lach diep in zijn keel. ‘Nog even en dan komt mijn maaltijd.’ 

Hij liet zich in zijn leunstoel vallen, zuchtte.

‘De vrouw die mijn maaltijd komt brengen kan ik trouwens niet uitstaan,’ vervolgde hij. ‘Je zou eens moeten blijven om haar te zien. Desnoods verstop je je in de kamer. Ze blijft nooit langer dan een minuut of twee.’ 

Ik pakte de fles uit het wandmeubel, schonk de glazen in op het dressoir. 

‘Nu jenever. Vanavond braaf thee,’ zei hij.

We toostten, enkele minuten zaten we zwijgzaam tegenover elkaar.

‘Hé, je hebt een brilletje,’ constateerde hij plotseling. ‘Dat wist ik niet.’

‘Ik heb al drie jaar een bril, vader.’

‘Dat lieg je.’

‘Ik lieg niet.’

Hij zette zijn glaasje op het bijzettafeltje naast zijn stoel, trok een zakdoek uit de zak van zijn donkerblauw gestreepte badjas en snoot, alsof ik hem beledigd had, knorrig zijn neus. 

Twee weken geleden had ik hem die badjas gegeven. Aanvankelijk wilde hij mijn geschenk niet aannemen. ‘Dat is toch niet nodig, jongen,’ zei hij. ‘Echt niet. Waarom doe je dat nou?’ Hij was pissig. 

’s Avonds zat ik naar reclame op televisie te kijken en begreep ik zijn reactie. Het hysterische geluk dat van nieuwe dingen verwacht werd. Het oude was vertrouwd, waarom die vertrouwdheid afnemen? Om enkele sleetse plekken? Het was beter te sterven in een oude jas met gaten in de voering dan in een jas die anoniem was en rook naar de fabriek.

Hij nam zijn bril in zijn handen, keek me met samengeknepen ogen aan.

‘Die vrouw van het eten,’ zei hij ‘kan ik niet alleen niet uitstaan, ze doet me ook aan iemand denken. Ik weet niet aan wie. Misschien kun jij dat raadsel oplossen.’

Hij poetste de glazen van zijn bril, streek lange plukken van zijn grijswitte haar weg achter zijn oren en zette zijn bril op. 

‘Hoe heet ze?’ 

‘Ik weet niet hoe ze heet, maar ik ken haar. Je moet echt blijven. Misschien herken jij haar ook.’

‘De meeste mensen die ik kende uit deze buurt zijn dood of verhuisd.’

‘Ze komt niet uit deze buurt.’

‘Hoe moet ik haar dan kennen?’

‘Dat weet ik niet.’ 

Hij keek glazig voor zich uit. Niets in de woonkamer kon hem helpen. Ik keek naar het wandmeubel, de deur had ik open laten staan. Op de onderste plank stond zijn platenspeler met ingebouwde versterker, een overdreven groot apparaat uit de jaren zeventig dat nog uitstekend functioneerde. Hij had alle symfonieën van Beethoven, Mahler had hij compleet, hij hield van Mozart. De eerste noten van het Requiem deden hem sidderen. Hij had langspeelplaten van Billie Holiday, Chet Baker, Frank Sinatra, James Last en Gilbert O’Sullivan. 

Ergens in die kast lag het plaatje van Louis Prima, Buona sera signorina kiss me goodnight. Dat singeltje had het huis omgetoverd in een café-dansant wanneer mijn moeder in de donkere januarimaand haar verjaardag vierde en haar zusters met hun mannen te gast waren. Om een uur of tien zette mijn vader op aandringen van mijn moeder dat plaatje op en dan gingen, nog voor de naald het vinyl raakte, de stoelen in de woonkamer aan de kant, lippen werden snel gestift, ooms en tantes keken elkaar verwachtingsvol aan, heupwiegden licht tijdens de eerste gesproken coupletten, maar waren niet meer te houden als halverwege het lied de ritmische versnelling werd ingezet. Armen, benen, permanentjes en paardenstaarten vlogen alle kanten op en wanneer enkele ogenblikken later de vocale climax van het lied zich aandiende, In the meantime let me tell you that I love you, was de ouderlijke woonkamer tot aan het plafond gevuld met sentiment. Ze waren allemaal dronken, voor mijn zuster Denise en mijzelf was geen andere conclusie mogelijk. 

Nooit zou ik vergeten dat mijn vader met het vergiet op zijn hoofd en met twee houten pollepels trommelend op zijn bovenbenen vanuit de keuken de woonkamer binnen kwam lopen. Mijn moeder was hem lachend en guller dan ooit in de armen gevlogen. Beiden zongen luid, hij trommelde haar op haar benen en haar achterwerk. Onvoorstelbaar dat ze zich op zestigjarige leeftijd van hem liet scheiden. Onbegrijpelijk ook dat mijn zuster Denise zich na haar emigratie naar Canada zo weinig om haar vader bekommerde. Brieven schrijven dat kon ze goed, foto’s opsturen van al haar successen: kinderen die afstudeerden, kinderen en hun verkeringen, kinderen en hun glimmende auto’s. 

Ze moest niet denken dat ze daarmee indruk maakte. Met een vinger gericht op zo’n overdreven grote Deniseachtige groepsfoto had mijn vader mij eens gevraagd wie die vrouw in het centrum was, die vrouw met die lange sjaal en die rieten hoed waarin rozen waren gestoken. Die vrouw met die hoed en die rozen vroeg in de begeleidende brief of ik een lijst wilde kopen zodat vader deze foto op het dressoir kon zetten. Als die foto daar stond, zou zij, ook al was ze in Deena Springs ver weg van alles waarvan ze hield, zó happy zijn. De brief was doorspekt met Engelse woorden: I love you deeply, forever in your debt. Wat had het te betekenen?

‘Schenk me er nog maar één in, jongen,’ zei hij, terwijl hij met zijn zakdoek in de weer was.

‘Dit is de laatste voor vandaag.’

‘Wat ben jij netjes opgevoed. Heb ik jou geleerd zo ruim te denken?’

‘In eigen persoon,’ gaf ik hem terug.

Ik vulde zijn glas, zette de fles tussen de andere flessen. De plastic kap van de grammofoon was met stof bedekt. Met een vinger trok ik een baan door het stof. Ik kon geen grotere blunder maken dan nu het singeltje van Louis Prima op te zetten. Onverdraaglijk zou het zijn als hij de muziek niet herkende. 

Ik sloot de deur van het meubel, veegde mijn vinger af aan mijn broek. Ik moest met hem over praktische zaken praten. Contact gereduceerd tot gefingeerd overleg. Hem in het huishouden betrekken, was me geadviseerd. Hem zoveel mogelijk beslissingen zelf laten nemen of hem in de waan laten dat hij dat deed. 

We toostten opnieuw, hij morste, likte zijn vingers af en nam een flinke slok.

‘Ik stel het zeer op prijs als je zou blijven voor die vrouw. Jij moet mij vertellen wie zij is.’ 

‘Komt ze met een auto?’

‘Ja, ze komt altijd met de auto.’

‘Welk merk?’

‘Misschien heb jij wel verkering met haar gehad.’

Hij zette zijn glaasje op tafel en nieste tweemaal. Zijn gezicht liep rood aan. 

‘Mijn zakdoek, waar is mijn zakdoek?’ mopperde hij terwijl hij tevergeefs in de zakken van zijn badjas zocht. 

Een snotsliert hing uit zijn linkerneusgat, zijn zakdoek lag op het tafeltje naast hem. Ik liep naar hem toe, reikte hem de zakdoek aan. Hij snoot zijn neus, gebaarde met een hand dat ik moest gaan zitten. 

‘Bent u verkouden?’ 

‘Nee.’

Ik zag dat hij geen hemd droeg. Misschien had hij geen onderbroek aan. Wanneer had hij voor het laatst gedoucht?

‘Vindt u het misschien leuk om een stukje te gaan rijden?’ 

‘Zo direct komt die vrouw.’

‘Dat duurt nog even. We kunnen een klein stukje rijden. Door de wijk. We hebben tijd genoeg.’

‘Ik wil niet in jouw auto, ik wil ook niet door de wijk rijden.’ 

‘We gaan niet met mijn auto, we gaan met uw Mercedes.’ 

‘Het spijt me zo dat ik mijn Mercedes verkocht heb.’ 

‘Vader, u heeft uw Mercedes niet verkocht. Hij staat in de garage.’

‘En jij gelooft dat?’

‘Ja, dat geloof ik.’

Soms had hij nog heldere momenten. Die zondag net na zijn verjaardag bijvoorbeeld. Ik verschoonde zijn bed, hij pakte de rode baksteen die hij vier, misschien vijf decennia in zijn nachtkastje bewaard had. 

‘Je weet wat dit is?’ vroeg hij. 

Hij ging op de stoel naast zijn bed zitten en legde het rechthoekige gespreksonderwerp op zijn schoot. Ik wist precies wat voor steen dat was, maar liet hem vertellen. De steen had hij tegen alle regels van de beschaving in meegenomen uit de ruïnes van het paleis van de koningin van Sheba in Ethiopië. En niet zomaar uit de hal of de salon van het paleis, vertelde hij trots, nee, deze steen was afkomstig uit de badkamer van de vrouw die koning Salomo had verleid. 

‘Kun je je dat voorstellen, jongen?’

Hij keek me diepzinnig aan.

‘Nauwelijks, vader. Zij was heel knap. Hij heel wijs. Hoe moet ik me dat voorstellen?’

‘Hij had een baard,’ zei hij. 

‘Zij een donker decolleté,’ antwoordde ik. 

Hij lachte eerst schamel naar mij, toen naar het gekoesterde object met honderden kleine gaatjes in zijn handen. Die man op de krakkemikkige stoel naast zijn bed was mijn vader. Hij kon met een vergiet op zijn hoofd de kamer binnenlopen, maar dit was hij ook, iemand die in een steen de geschiedenis kon gewaarworden. 

Hij stond op, strekte zijn armen en bood me dat stuk in Afrikaanse zon gebakken klei aan, een testimonium met alomvattende referenties, tegelijkertijd niet veelzeggender dan een moedervlek op de onderarm van een ver familielid.

‘Voor jou, mijn zoon.’

Ik gaf hem een kus op zijn voorhoofd, omarmde hem, hij trilde. Vijf minuten zaten we naast elkaar op de rand van het bed waarin hij die nacht geplast had. We zeiden niets, ik hield zijn handen vast. 

‘Drink uw glas leeg, vader.’ 

‘Wat?’

‘Kom op, leeg uw glas en sta op.’

‘Wat zit je nu te haasten.’

‘We gaan rijden. Nog voor die vrouw komt. Het is vijf voor vijf, zij komt niet voor half zes. Ik wil de motor van uw Mercedes horen.’

Gehoorzaam leegde hij zijn glas. Ik gaf hem een hand, hij stond op. We liepen met kleine stapjes de woonkamer uit.

In de keuken stelde ik voor dat hij zich misschien toch nog even zou omkleden. 

‘Dat doe ik niet,’ antwoordde hij fel. ‘Het is goed zo.’

Ik liep naar de gang, pakte zijn regenjas van de kapstok.

‘Trekt u in ieder geval deze aan.’

Hij stribbelde tegen, ik gaf niet op, morrend gaf hij zich gewonnen.

‘Ziet u wel dat uw Mercedes er nog is,’ zei ik toen we de garage betraden.

‘Warempel, ik dacht dat jij hem verkocht had.’

‘Welnee,’ antwoordde ik nonchalant terwijl ik hem naar de stoel van de bijrijder begeleidde. Hij ging zitten, ik legde de panden van zijn regenjas over zijn benen en trok de kraag recht. 

‘Zit u goed zo?’

‘Uitstekend.’

‘Geen koude voeten?’

‘Nee.’

Ik sloot zijn portier, liep om de auto heen en ging achter het stuur zitten. De sleutel zat in het contact.

‘Glaasje op, laat je rijden,’ zei hij glimlachend. ‘Wat een prachtige auto. Dat dashboard. Wat leuk, ga je me rondrijden?’

‘Ja, maar ik geloof dat eerst de garagedeur open moet.’ 

‘Niet door de wijk rijden hè,’ zei hij terwijl ik uitstapte. 

‘Nee, de wijk slaan we over. Daar vliegen we overheen.’ 

Ik liep naar de garagedeur, nam de knop in de hand, trok eraan, draaide, geen effect. De deur was vergrendeld. Ik liep naar het kastje rechts achter in de garage, keek of de sleutel aan het bekende haakje hing. Dat was niet het geval. Ik liep naar mijn portier, boog me naar hem toe om te vragen waar de sleutel zou kunnen zijn, maar ontdekte nog voor ik een woord uitbracht dat hij in slaap was gevallen. 

Ik ging achter het stuur zitten, nam hem in me op. Zijn hoofd hing naar voren, zijn borst bewoog op en neer, zijn oogleden trilden. 

‘Vader, wilt u een stukje rijden of liever blijven zitten?’ fluisterde ik. 

Ik vroeg het nog een keer, het hoofd dicht bij hem. Geen respons. 

Ik stapte uit, ging op de achterbank zitten en draaide met beide handen aan een draaischijf de leuning van zijn stoel naar achteren. Hij bewoog zijn hoofd. 

‘Hé Robert, ben jij daar?’ 

‘Ja vader, ik ben hier.’

‘Zo direct komt die vrouw. Wil je me toch alsjeblieft zeggen wie zij is.’

Aan zijn ademhaling hoorde ik dat hij al weer sliep. 

Jezus, wat had hij met die vrouw.

Ik keek op mijn horloge, het was net na vijven. Misschien kon ik iets nuttigs doen in de tussentijd. 

Ik klom van de achterbank, nam de sleutel uit het contact, mijn portier liet ik openstaan. Ik liep door de tuin naar de schuur en pakte de heggenschaar die met een koord trouw aan zijn haak hing naast het raam. 

Laurier kun je op elk moment van het jaar snoeien, hoorde ik hem zeggen. Als je wilt ga je je gang maar. 

Goedmoedig ging ik aan de slag. De jongste uitloop verwijderde ik gemakkelijk, voor de dikkere takken had ik een handzaagje nodig. 

Ik had een volle bos met twijgen in mijn handen, toen ik de motor van een auto hoorde. De auto was kleurloos, parkeerde in, twee huizen verderop, achterwaarts. Een vrouw stapte uit met een witte kartonnen doos in haar hand. Ze liep het tuinpad op en zei dat ze de maaltijd voor meneer Simons kwam brengen. Ik legde de twijgen op de grond. 

‘Kent u meneer Simons?’ 

‘Ja. Dat is mijn vader.’

‘Dan ben ik aan het juiste adres.’

Ik nam de warme doos in ontvangst, ze keek me aan en zei niets meer. Op dat moment leek het alsof ver weg in het universum iemand de sluizen van een grote dam openzette. Ze liep weg, ik draaide me om, rende met de doos in mijn handen de hal in, door de keuken naar de garage, langs de achterzijde van de Mercedes naar zijn portier. Ik kon zijn portier niet openen omdat hij er met zijn hoofd tegenaan lag. Ik liep om de auto, gooide de doos met zijn maaltijd op de motorkap, ging door het geopende portier naar binnen, kroop op mijn knieën langs het stuur en trok hem naar me toe. Zijn hoofd ving ik op in mijn handen, met zijn schouder viel hij tegen mijn borst. 

‘Vader,’ schreeuwde ik, ‘ik weet wie zij is. Ik weet hoe ze heet. Wilt u het weten? Vader!’ 

Nog een keer schreeuwde ik dat ik het wist, hij hoorde me niet. Met open ogen staarde hij naar het plafond van zijn Mercedes, zijn pantoffels had hij uitgetrapt. Zijn voeten waren wit als marmer.

 

ISBN 9789492313614
Paperback, 192 blz.
Prijs € 18,50
Verschenen oktober 2018

Willem du Gardijn