In het achtste jaar van de rouw laat Mari haar man thuis achter om een rivier te volgen naar zee. Terwijl zij probeert zich los te wandelen van de pijn en een nieuwe lijn te vinden voor haar leven, bouwt Felix aan een plekje waar zijn vrouw zich misschien ooit thuis zal voelen. 

Lijn van wee en wens is een roman over de onttakeling door rouw en de liefde die niet opgeeft. Caro Van Thuyne heeft een meanderend portret geschreven van een vrouw die olifantenpaadjes trekt tussen deze twee oerkrachten. Lijn van wee en wens is met een rauwe weerbarstige stijl geschreven. De roman is een zoektocht naar wat verlies betekent.

 

De pers over Lijn van wee en wens:

‘Lijn van wee en wens is doorspekt met fraaie observaties over de fysieke effecten van wandelen.’ en ook ‘Lijn van wee en wens is een leeservaring die je lang heugt, niet in de laatste plaats vanwege de thematische weelde.’ De Morgen

‘Je leest diepgravende mijmeringen over de natuur, taal en de (on)mogelijkheid om uit te drukken wat je diepste ziel heeft geraakt. Lijn van wee en wens raakt je midscheeps en blijft lang nazinderen.’ John Vervoort in Het Nieuwsblad

‘Caro Van Thuynes Lijn van wee en wens had een zeemzoete, sentimentele draak kunnen zijn. Alle ingrediënten waren aanwezig: een dood kind, een rouwende vrouw en een hulpeloze man die die vrouw op meer dan één vlak van hem weg ziet wandelen. Maar dat is het dus helemaal niet. Deze roman is daarentegen een hartverscheurende ingehouden schreeuw, een worsteling met de olifant die pijn en verlies heet en een poging om het onzegbare te zeggen.’ Marnix Verplancke in Knack

‘Van Thuyne beroept zich expliciet op haar voorbeelden. Dat dat nergens leidt totepigonisme, bewijst de uitzonderlijke kwaliteit van dit romandebuut. Lijn van wee en wens bevestigt niet alleen Van Thuynes kunnen; het doet ook uitkijken naar meer, naar het vervolg van wat wel eens een mooi oeuvre zou kunnen worden.’ Jürgen Pieters op Doorbraak.be https://doorbraak.be/rouwen-in-de-natuur/

De pers over Wij, het schuim:

‘Caro Van Thuyne’s verhalen bieden een weldadige vreemdheid, een ontregelend en enthousiasmerend teveel aan betekenis.’ De Groene Amsterdammer

‘Een bijzonder eigenzinnige stijl.’ Cutting Edge

‘Ze weet, soms uitbundig en bloemrijk, dan weer ingetogen, omgevingen en sferen te tekenen, die hoe verder je komt, een beeld schetsen van het leven in Ostsiel en het nabijgelegen Zoutaerde, fictieve plekken waar je je toch al snel een voorstelling van kunt maken.’ Tzum

‘Alles wat de auteur aanraakt, krijgt – als het ware vanzelf – een soort van mythische glans, wat erg bijzonder is, temeer daar Caro Van Thuyne het banale en zelfs vulgaire geenszins schuwt.’ Christophe Vekeman

Het had nog eens gevroren en alles was wit berijmd, het gras, de onderste takken van de struiken… Er was ook dichte mist. In het ene veld lag hij als een stil wit meer waar de schapen uit dronken, in het volgende hing er niets, in weer een volgend was hij als een sluier tussen de koppen van de knotwilgen aan weerskanten gespannen, elders deinde hij als water… Het was onaangenaam wandelen in die natte koude. En ik moest een glibberig bruggetje van stammetjes over. Heb ik schuivend op mijn kont gedaan, ik vertrouwde mijn been niet. Verderop liep een kleine zilverreiger te ijsberen in het water, de dunne witte pluimen op zijn kop als de lange haarstrengen van een oud mannetje dat er zijn kale schedel mee wilde camoufleren.

Toen ik een zompig stukje grond met wat kaal geboomte en struikgewas overstak, dacht ik een grote vogel in de voorste boom te zien zitten maar door die mist wist ik het niet goed. Tot hij opvloog en mijn richting uit kwam, zo laag dat ik er bang van werd. Hij stootte een ijl shéé-éé uit, ik schrok me lam, ik viel meer dan dat ik me bukte. Hij bleef enkele vleugelslagen lang hangen, die vleugels waren enorm. Bijna wit zo van onderaf gezien. Ook zijn buik was bleek, als rook. En zijn gezicht! Felle gele ogen in donkere holten in een spookachtig gezicht op mij gericht, het duurde nog geen seconde eer hij besefte wat hij zag en zich uit de vleugels maakte. Ik had een beetje in mijn broek geplast toen hij over me heen vloog, maar hij was prachtig!

Ik hield er minutenlang de galopperende hartenklop aan over.

De eigen ademwolkjes op koude dagen soms het enige zichtbare teken van leven in de wijde omtrek.
De papierdunne ijsplaten op de plassen, en het kleine plezier van die stuk te tikken met de tip van je schoen.De winterse boomskeletten en hoe ze soms lijken op stakerige oude vrouwen die steun zoeken bij mekaar.
De glooiingen van de velden.
De stilte en roerloosheid in de bossen.
De wolken.
Het winterlicht.
De zon die kale kruinen oranje oplicht.
De weerspiegelingen daar waar de Rin breed en glad is.
Het doffe lood van het water op de dagen dat de lucht van klei is.
In de verte lage huisjes en hoeves die zich kouwelijk tegen de grond drukken, en niets dan lege velden eromheen.
De kapelletjes op de kruispunten, de kerkjes in de dorpen. 

Ik droomde van sterrendansen: in het blauwe uur verzamelden de sterren zich in dichte drommen en wolkten als spreeuwen, duizenden felle fonkeltjes die samen dansten. En op het laatst, toen al die sterren weer uiteendreven naar hun eigen zwerkplekje, lieten honderden kauwen die onzichtbaar in het zwart tussen de dansende sterren gespeeld moeten hebben, zich terzelfder tijd met wijd gespreide vleugels uit de lucht vallen, een struikeling van kauwen. En vlak voor ze ter aarde stortten, verdwenen ze in het zwart van het land.

 

***

Ook als al het andere stopte, moest je nog naar de wc, en je moest echt heel dringend na de begrafenis. Dus toen Felix de voordeur opengemaakt had, was je hem in het donker voorbijgeschoten. En meteen tegen dat nieuwe meubel op gebotst. Geen meubel is zo week. Geen meubel beweegt zo deinend, geen meubel trompettert en snuift van de schrik. Je had het natuurlijk in je broek gedaan. En de olifant had in z’n paniek op je been geknield. 

Toen je thuiskwam uit het ziekenhuis was het beest er nog steeds. Het leek zelfs gegroeid, het paste maar net onder het plafond, kon niet eens de kop opheffen. Het was precies een levende tientonner tweedekbus uit een nachtmerrie. Een luid snuivende, stinkende, stommelende, bonkende, brullende mastodont.
Het monster stond daar met staart en slurf omhoog, de oren tegen de nek gedrukt, de ogen opengesperd en wit weggedraaid – wie was hier het meeste bang voor wie?
Felix hielp je ijlings de deur uit en dan stilletjes het huis weer binnen langs de achterdeur.
Maar je kon zo’n beest in je huis niet negeren, er was een trillen en diep brommen in de lucht, een stank van boeren en winden en stalmest, een gestommel tussen muren, een geloei en gebrul en ’s nachts het lange, trage, slepende gesnurk, zo diep van toon alsof een orgel door het hele huis vibreerde.
Hoe wende je aan zoiets?

***

Een comfortabele routine heeft zich gemakkelijk ontwikkeld.
Ik bekijk de route voor de dag en vertrek richting Rin. Overdag kijk ik niet meer naar de kaart. Een rivier volgen is als een olifant volgen, je kunt niet verdwalen.
Ik onderbreek de dag op een mooi en beschut plekje voor stokbrood met kaas en een tijdje lezen, of schrijven aan dit log, als het weer het toelaat. Daarna wandel ik verder tot ik rond schemeruur bij voorkeur in een dorp en als het niet anders kan in een stad aankom.

***

 

Je opende de deur op een kier en loerde met gestokte adem naar het lelijke, hoogbenige beest met het eierhoofd. De gemene driehoekoogjes. De massieve slagtanden. De nijdige staart. Het vel in diepe, leerachtige plooien afhangend van de uitgemergelde buik. De verschrompelde tieten tussen de voorpoten.
Ze flapperde en spreidde de kolossale oren, trompetterde en blies heftig door die vervaarlijk slingerende slurf. Alsof het de arm van een reus was, schoot de slurf uit naar de deurklink en rukte de deur uit de hengsels, zwierde die door het deurgat. Je stond te trillen op je been en je kruk, het angstzweet liep je tappelings langs de slapen en de ruggengraat. Een snuffelende slurf en twee gigantische stoottanden kwamen de hal in, de slurf sloeg de kruk weg en je viel om. Je dacht dat dit je einde was, zoals je dat nog talloze keren zou denken.
Maar dat tipje van die slurf, dat leek op een misvormd handje dat een eigen leven leidde, het betastte behoedzaam je kapotte been. Ademde langzaam en warm uit. Minutenlang heerste er stilte, stil en aandachtig onderzoek.
En je besefte dat je het bange beest beter moest verzorgen. Vooreerst moest het eten en drinken krijgen. En ruimte. Zodat het het hoofd kon heffen, zodat het kon bewegen.

 

***

Ik ben een kleine, traag bewegende stip, niets meer dan dat, een kleine, langzame beweging langs het water in een groot, stil landschap. Ruimte naar alle kanten.

 

***

Je zat halverwege de trap naar het beest te kijken.
Die oren, waarin je je wel zou kunnen wikkelen als in een deken, waaierden met een hoorbaar schrapen van droge randen tegen droge schouders langzaam en symmetrisch van voor naar achter, precies een voorouderlijke vlinder die traag de vleugels opende en sloot.
Dat machtige voorhoofd, die grijze wangen die breder waren dan Felix’ borstkas, die slurf die langer was dan jijzelf van kop tot teen.
En dan, onverwachts, dat ondoorgrondelijke barnstenen oog met die lange wimpers.
En voor het eerst durfde je je hand naar haar uit te steken.
En ze liet je.

Het zachte leer van haar voorhoofd was warmer dan je hand. Je liet je hand over de ribbelmuur van haar voorhoofd naar de slurf glijden, en over de slurf naar beneden, over de rijen dikke, ruwe, warme rimpels. Je voelde een licht trillen in de lucht, je hoorde een zacht brommen, ze hield er kennelijk van dat je haar tussen de ogen streelde. De natte koude punt van de slurf betastte en besnuffelde je rustig.
Stilaan werd de olifant je dierbaar. Je gaf haar een naam, je noemde haar Dolore.
Ze begroette je ’s ochtends uitgelaten, draaide in het rond, als een opgewonden reuzenpuppy pissend en kakkend waar ze stond, en ook vanuit haar slaapklieren stroomde het overvloedig. Ze hield haar kop en oren hoog en vulde de stilte met een dol getrompetter.
Hoe de slurf zonder de minste schroom aan je mond, je oren, je slapen, je kruis snuffelde.
Het grollig brommen en boeren van de spijsvertering.
Het licht flapperen van de huid daar waar voorhoofd overgaat in slurf als ze rommelde.
Dat haar achterpoten gevoeliger waren dan haar voorpoten.
Hoe ze als in trance heen en weer stond te schommelen als ze zich verveelde.
Dat ze wiegde met haar kop als ze tevreden was.
Dat je beter wegging als ze korzelig met de oren begon te wapperen.
Dat je echt moest maken dat je wegkwam als ze met hoge kop haar slurf rolde of met stro begon te gooien.
Dat ze in een zotte bui was als ze met plompe slobberknieën rondkloste en slungelig haar slurf liet slingeren, haar oren flappen.
Hoe ze, als je wenend op de grond lag, beschermend over je kwam staan, een baldakijn van veilig vlees. Met dat slurfhandje zachtjes langs je ogen en je ruggengraat zocht.
Hoe ze je, als je razend stond te tieren, naar haar rug tilde. Daar languit op je buik, met je handen achter de zachte vouwen van haar oren, op de kalm kloppende ader van hoofd naar hart.
Toen je op een ochtend zag dat ze een dansje wilde proberen, dacht je: er moet nog één muur gesloopt worden, die naar buiten. De olifant moet kunnen wandelen. Naar zee bijvoorbeeld. Olifanten zijn verzot op water. En je wilde mee, je wilde Dolore zien spelen in zee, zich laten omvallen en omrollen in de branding, alle vier de poten spartelend in water en lucht. Wijs me de weg, Dolore.

 

***

In de ochtenduren zie ik vaak wilde konijntjes, het wit van hun opwippende staartjes als een vrolijk da-ag! da-ag!
in het halfduister. Daarna vooral vogels. Een pijlpunt van ganzen. De fazanten zie ik pas als ze me laten schrikken door met veel kabaal uit hun beschutting te stuiven. Een enkele keer een vos, hij stond midden op de weg toen ik de bocht om kwam, we bleven een moment betoverd staan, toen schoot hij weg met stokstijve staart.

 

***

De dag van haar vertrek zag ze er energieker en angstiger uit dan ik haar de hele winter had gezien. Ik wist niet wat te zeggen bij het afscheid en ik kon haar ook niet goed omhelzen met die grote buidel op haar buik.
Ik ben er nog steeds niet zo gelukkig mee dat ze haar telefoon heeft thuisgelaten. Ze nam liever dat Annie Dillard-boek mee dat ze al sinds jaar en dag rondzeult, van kamer naar kamer, van handtas naar handtas, de rug gekraakt, de marges volgekrabbeld. Ik opende het wel eens lukraak, las dan iets wat ze onderlijnd had, iets als ‘I am the arrow shaft, carved along my length by unexpected lights and gashes from the very sky, and this book is the strayning trail of blood’ en had dan geen flauw benul.
Wat als haar been weer kuren krijgt en ze heeft geen telefoon en er zijn geen mensen in de buurt want wie loopt er nu een rivier af in putje winter?

***

 

Grijze wolken drummen bijeen als een hele kudde panikerende olifanten. Of de huilbuien nu uit de lucht komen vallen of uit je eigen ogen, het stroomt gewoon langs je heen. Je krijgt natte knieën en wordt weer droog geblazen. Je pad loopt recht naar het blauw, en de zon op je rug en je schouders voelt als warme handjes. Je krijgt overstrekkingspijnen in het holle van je rug en in de spieren van je nek naar je schouders, precies dezelfde pijnen als wanneer je lang met een groot kind op de arm loopt; maar de buidel verwarmt wel je buik.
Je loopt langs de achterkanten van tuintjes. Een rozenkwekerij. Een samenscholing van katten op braakland. Een dode kauw bungelend aan een stuk touw in een geknotte plataan. Een ‘hertenvleeskwekerij’ waar de ranke dieren in dichte drommen opeen staan op een veel te kleine schort beton achter een hangar.
De Rin als open riool. De Rin als schier drooggevallen beekje. De Rin bruin als stoutbier. De Rin onzichtbaar achter brede rietkragen of manshoge brandnetels.
Je loopt door laagland met onderwaterweiden aan weerszijden van de wegel en zwalpende knotwilgen langs de Rin. Je loopt door holle wegen met op de steile bermen stokoude bramen en bomen met hele nesten dode lianen van kamperfoelie. Klimop hangt als een theatergordijn uit de bovenste bomen neer tot op het pad. Vogels tikken, tsjiepen, schreeuwen, koeren. Verder alleen de wind in de kruinen, je eigen voetstap en adem.
In de namiddagstilte zie je een biddende torenvalk.
Soms praat je gedempt in jezelf, niet vermanend zoals thuis maar bemoedigend.

***

Mijn sigaret was op, ik gooide de peuk tussen de wilde rozelaars achter de linde en stak mijn handen in mijn zakken, het was fris.
Ik was zo opgelucht geweest toen dat wandelen aansloeg.
De eerste jaren van haar rouw waren ook voor mij zwaar geweest – de heftige huilbuien, die beangstigende hyperventilatieaanvallen, die ongerichte razernij soms, de dagenlange verlamde stilte, haar uitgebluste gezicht, met die zwarte ogen vol pijn… Ik vond geen manieren om haar weer tot leven te wekken, ze werd alleen maar kwaad of wanhopig door mijn pogingen.
Het was allemaal veel verontrustender dan ik verwacht had.
En toen zakte ze door haar been.

De eerste keer liep ze net met een grote bloempot in haar armen over de drempel, ze landde lelijk op haar elleboog, ze dacht dat ze was uitgegleden. Ze kon niet meer op dat been staan, het linker. De ene na de andere dokter stond voor een raadsel. Intussen hobbelde Mari op krukken door het huis. Soms leek ze het disfunctionele been te vergeten en kwam dan weer ten val. Haar anders zo gave bruine huid was in die tijd steeds verpest door blauwe plekken, haar humeur door frustratie.
Een psycholoog vermoedde conversie: functionele stoornis als gevolg van een psychologische problematiek die wordt ‘opgelost’ door te ‘converteren’ in het lichaam en dit zonder dat de patiënt in kwestie zich daarvan bewust is – ik kan het nog steeds woord voor woord aframmelen. Medisch is er niets aan de hand en er kan geen biologische verklaring voor de disfunctie gevonden worden. MRI bevestigde de diagnose.
Het goede nieuws was dat drie vierde van de patiënten hun conversiesymptomen dankzij hypnose of suggestie kon kwijtraken. Verbeelding als het vertrekpunt voor verandering – een kolfje naar haar hand. Mijn Spaanse furie kon alles, dat was mijn grootste geloof.

***

 

Het getokkel op mijn capuchon is gezellig, het klinkt als in een tent.
Als ik niet wil dat de regen van mijn broek via mijn sokken mijn schoenen binnensijpelt, zal ik ook mijn regenbroek moeten aantrekken. Ik heb het niet op dat ding, het kraakt en sjwiesjt me te luid.
De regen valt recht naar beneden als treurwilgloof in de zomer.
Haar fris, regenbespritst gezichtje…
Weer en wind, naar buiten wilde ze…
Ze was uit zoveel taaier hout gesneden dan ik.

Van Tully’s dood loop ik natuurlijk nooit weg, mijn rouw is mijn olifant. Soms zijn onze enkels aan elkaar geklonken met een zware vettige ketting, soms sleep ik me aan het staartje voort, in mijn rug geslagen door dunne regen, soms trap ik in de stront, soms laat ik me dragen…

 

***

Het ritme van voet voor voet zetten tilde haar gewoon uit de tijd, legde ze me uit. Het was vooral dat metronome ritme dat ze nodig had, zei ze, en de stilte en het isolement. Louter nog voeten te zijn, louter nog dat ritme van die stappende ogen te zijn, te kijken en verder niets. Haar wimperloze kolen van ogen als ze me die dingen probeerde uit te leggen.
Maar nu… nu loopt ze niet in cirkels en lussen, nu keert ze niet aan het eind van de dag terug naar huis, nu loopt ze langs de Rin in een rechte lijn op haar doel af en haar doel is deze keer niet ons huis, niet mij, maar de zee…
Dit is onzinnig, waarom zou ze niet terugkeren.
Ik rol een sigaret, steek ze op en keer terug langs het hennenpark voor een praatje.

Lijn van wee en wens
Roman
Paperback met flappen, 224 blz.
€ 19,50
ISBN 978 90 830 4809 3
Verschenen 14 januari

Caro Van Thuyne

Wolfgang Hilbig
Uitgeverij Koppernik

Meld u aan voor onze nieuwsbrief en ontvang bericht bij nieuwe boeken.

Dank voor uw aanmelding.