Telkens dat gefluister; een zachte, eindeloze stroom lucht in de bedden rondom. Ik kijk naar Carmels gezicht terwijl ze slaapt. Ze grimast, rimpelt, fronst, schudt, tandenknarst en draait. Het zijn rituelen van afkeer.

Ik wil haar diep onder de grond stoppen en op een beter moment weer opgraven. Dat klinkt gruwelijker dan ik het bedoel.

Ruth wordt met haar zusje Carmel dagenlang in een overvolle schouwburg vastgehouden. Na dagen van angst wordt hun tocht vervolgd. De bestemming: een rauw isolement met slopende rituelen. Te midden van alle ellende zoekt Ruth een uitweg. Alles voor Carmel.

Laat het stil zijn is een fragmentarische roman over herinneren en vergeten, over de ruimte tussen dromen en leegte en hoe ergens op de grens twee zussen moeder en dochter worden.

Laat het stil zijn van Femke Brockhus stond op de longlist van de ANV Debutantenprijs.

‘Laat het stil zijn is literaire impressionisme van een buitengewone kwaliteit. De roman is een schitterende paradox die door te schrijven de stilte uitdrukt. Het vele wit is de weergave van de wanhoop.’ Tzum

‘Laat het stil zijn is een stilmakend debuut:  

https://www.youtube.com/watch?v=KnTwKpkhwBI

 

‘Deze debutanten zijn allerminst saaie navelstaarders.’ Trouw

 

We lopen in een stoet die gecommandeerd wordt vanaf de zijlijn. Sneller, sneller lopen, of juist langzamer, langzamer. We bewegen als een lang lichaam dat zich steeds verder over stenen uitrekt. Dicht op elkaar, haast vast aan elkaar: we lopen niet zomaar weg.

Carmel oogt kleiner, smaller, alsof de onzekerheid haar een beetje heeft opgegeten. 

 

Ik denk aan een vroege ochtend van lang geleden. Ik zie moeders halve glimlachjes en vader die ons beurtelings op zijn rug sjouwt. We lopen over onbegonnen paden door de duinen. Het is nog vroeg, sluiers van vocht hangen in de lucht. We bukken voor overhangende takken en rillen van natte bladeren die over onze half slapende huid vegen. Waar gaan we heen, vraag ik. Waar gaan we nou heen, vraagt Carmel. Dit pad omhoog, zegt vader. Nog een klein stukje. De bomen blijven achter en we klimmen de heuvel op. We zijn er bijna. Echt bijna. Moeder begint te zingen. Vader trekt ons omhoog. Dan daar: de zee, rollend, rusteloos, dat eindeloze veld van water, aangespoeld voor ons, zo lijkt het, en dat vonden we eigenlijk ook wel terecht.

Luister naar het beuken van de golven. Hoor de schelpen ruisen en de wind loeien. Hollen naar het water mag, zegt ze, maar houd je zusje vast.

In het puntje van mijn zicht, met mijn schoenen in het natte donkere zand daar ver vandaan, staan vader en moeder tegen elkaar. 

 

Zonder dat iemand het doorheeft spelen we een spelletje Geef Me Iets Groters. Zij biedt het idee dat we nooit zullen weten waar we heen gaan, ik bied honderd dagen honger en dorst. Zij biedt een verzonnen beeld met een afscheid van thuis, alles klam van heet verdriet, ik bied de valse wetenschap dat het huis inmiddels is ontruimd. Zij biedt het vooruitzicht van getelde uren, ik bied dat zij alleen naar het Oosten wordt meegenomen en ik, plotseling, per ongeluk, uit de rij wordt geschoten. Carmel zucht en blijft nadenken. 

In de stationshal is het zo druk dat er tot twee keer toe iemand op mijn tenen stapt. Van boven moet het eruitzien als een krioelende mierenhoop. Steek er een stok in en ze tuimelen over elkaar heen om het hoogste punt te bereiken. Tassen en koffers worden over hoofden getild. Er wordt gekust, geroepen, gezocht en gehuild. Het geluid komt samen in een gemompelde monoloog. Alles blijft bewegen, zelfs de mensen die elkaar stiltrekken in een omhelzing wiegen hun tranen eruit. 

Er is een langzame maar voortdurende stroom de wagons in. Niets gaat hier toevallig, alles gaat gestaag en zonder medeweten door.

Dan zie ik ze: de papiertjes. Ze vallen van schouders, glijden uit handen, of worden aarzelend losgelaten uit halfopen ramen. Witte, grijze blaadjes, dwarrelend naar beneden, als sneeuw, tussen alle benen door, landen op een bedolven grond en worden daar vertrapt en vergeten, in een kerkhof van woorden. 

Ik raap er een paar op en lees het stapeltje in mijn hand. Carmel vindt dat onbehoorlijk. (Dat zegt ze, op een bepaalde toon, en laat ze zien met haar ogen, haar wenkbrauwen en haar mond, die ze allemaal een stukje lager laat hangen, een en al afkeuring.) Maar ik wil weten wat er nu te schrijven is. Iedereen weet wat er gebeurt: ofwel je schrijft iets ontzettend waarachtigs, ofwel je schrijft er een vet laagje leugens overheen. 

Lieve vader en moeder. We zijn naar het theater geweest. De voorstelling duurde vreselijk lang. Er was werkelijk geen touw aan vast te knopen. Carmel en ik hebben eindeloos spelletjes gespeeld en geslapen in afwachting van de afloop. Jullie zijn als een droom, zo graag willen we naar huis.

Lieve vader en moeder. Ik denk niet dat we ooit nog terug zullen komen. 

Soms vertellen we de waarheid. 

 

Paperback met flappen
128 blz.
Prijs: € 16,50
ISBN: 9789492313294
Verschenen april 2017

Femke Brockhus