In Karl Blossfeldt en het Oog van Allah beschrijft Cees Nooteboom zijn kennismaking met het werk van een man die eigenlijk helemaal geen kunstenaar wilde zijn: Karl Blossfeldt (1865-1932). Blossfeldt was leraar kunst en liet zijn leerlingen voorbeelden uit de plantenwereld zien om hun esthetisch gevoel te ontwikkelen. Daarvoor fotografeerde hij in natuurlijk licht pas geplukte planten die hij in een stellage had vastgezet.

Aan de hand van deze uitvergrote plantenafbeeldingen filosofeert Nooteboom over de grens tussen natuurvorsing en kunst, stelt vragen over de schepper en de oerknal en voert het kunstbegrip van de vergroting aan als de katalysator die structuur naar de voorgrond laat treden en het rijk van de esthetiek binnenbrengt.

Het essay gaat vergezeld van zesentwintig foto’s van Karl Blossfeldt.

Nogmaals, hoe begint iets? Is er altijd iets vóór iets anders, of is er een voor zonder voor, een geheimzinnig ogenblik waarop het tellen begint dat er daarvoor niet was, de afwezigheid van tijd waaraan we niet kunnen denken zonder aan ons bestaan te twijfelen. De sprookjes die we bedacht hebben om het begin zonder begin op te lossen hebben we op bevel van de wetenschap ingeruild voor een waar verhaal van gespleten secondes, een onvoorstelbare ontploffing, en een ballet van gassen met namen waarachter de gedachte van een maker verdwenen is, de atomen waaruit we een tijdlang bestaan sluipen op een dag weer uit onze verdwijnende vorm, als we lang genoeg leven begrijpen we dat we de raadsels niet oplossen, de soorten van wezens die de aarde bevolken leven meestal maar vier miljoen jaar, en daar heb ik er meer dan tachtig van achter de rug, dus ik moet opschieten als ik in de buurt van Blossfeldt wil komen. Maar waarom wil ik dat? Omdat Karl Blossfeldt die foto’s gemaakt heeft vanuit een principe en met een bedoeling die met al mijn overwegingen niets te maken heeft, daarom. En omdat ik die foto’s, die hij nooit als mooi bedoeld heeft, mooi vind, en dat komt weer doordat bijna alles wat er op die foto’s staat niet door iemand gemaakt is. De iemand/niemand die andere tijden en andere mensen een Schepper genoemd hebben. Hoever zijn we nu? We hebben de tijd zonder tijd, een iemand/niemand, een ongenoemde maker, en een fotograaf die een aantal planten die degene zonder naam gemaakt heeft met licht heeft opgeschreven, het werk van de eigenlijke maker dus, die we voor het gemak de natuur noemen, de evolutie. Misschien komt het doordat ik zelf soms iets maak wat er daarvoor nog niet was dat ik probeer de Niemand op het spoor te komen die de planten gemaakt heeft zodat Blossfeldt ze kon fotograferen. Hoe heeft hij dat gedaan? ‘Neem een proton,’ zegt Bill Bryson in zijn Short History of Nearly Everything, ‘een ondenkbaar oneindig klein deel van een atoom dat zelf al nauwelijks substantie heeft.’ En daar waar Bryson begint met zijn korte, maar uiteindelijk miljoenen jaren durende geschiedenis die evolutionair tot de vorm van de planten zal leiden die Blossfeldt zo extreem acribisch zal fotograferen, moet ik ophouden. Ik ben geen fysicus, ik verlies mijn weg in de verhalen van de wetenschap waarin alles zo oneindig verkleind wordt tot er niets meer over is, en zo oneindig vergroot dat je als dwerg niets meer kunt zien, en dan blijft alleen nog maar de gedachte aan iets, een nauwelijks bestaand samengebald bijna-niets, een singulariteit die je universum noemt, een plek die geen ergens heeft om heen te gaan omdat het, terwijl het onderweg is, zelf zijn ergens creëert. Nog één keer Bryson: ‘Alles wat we kunnen zeggen is dat op een of ander ogenblik in de buitensporig verleden tijd om een reden waar we geen weet van hebben er een ogenblik heeft plaatsgevonden dat de wetenschap benoemd heeft met t = 0.’ Van dat ogenblik naar de bloemen en de foto’s was het nog een lange weg, maar ik vond niet dat ik het kon verzwijgen. Wat er dan volgt bij Bryson zijn adembenemende verhalen en de hogere theologie van de big bang, die op elk televisietoestel nog steeds zichtbaar is als de grijze trillerige statische wolk die je krijgt als je een kanaal aanklikt dat niet uitzendt, de laatste sporen van het begin van alles, of, zo men wil, de Schepping. Wie daarnaar kijkt, kijkt naar een echo van zijn eigen verste geschiedenis. Zoals in elk theologisch dispuut zijn er elkaar tegensprekende schriftgeleerden, maar Bryson houdt het simpel: ‘Het lijkt onmogelijk dat iets uit niets zou kunnen ontstaan, maar het feit dat er ooit niets was en nu een universum is het bewijs dat het kan.’ Maar er zijn dan nog steeds geen planten. Niet op Mars, niet op Venus, niet op de maan, maar wel op aarde. De aarde is een eenzame planeet, zoveel weten we. Haar tweeling, de maan, is nog eenzamer, geen water, geen dieren, geen planten. In vele miljoenen jaren hebben pas twee mensen haar bezocht. Daar gaat het dus vandaag niet over, het gaat over de enige plek in het universum waarvan we zeker weten dat er planten groeien. 

Hoe dat kon moet u ergens anders lezen, het verhaal is zo ongelofelijk dat ik het maar houd bij wat Freeman Dyson ooit gezegd heeft: ‘Hoe meer ik het universum onderzoek, en hoe meer ik de details van de architectuur van de wereld bestudeer des te meer bewijzen vind ik dat het universum op de een of andere manier geweten moet hebben dat wij eraan kwamen.’ Of dat waar is weet ik ook alweer niet, maar ik vind het een aantrekkelijke gedachte, misschien wel vanwege dat woord architectuur. Wie een dag doorbrengt met de foto’s van Karl Blossfeldt zal begrijpen wat ik bedoel. Architectuur, structuur, bedoeling (maar van wie, behalve dan van de plant zelf?), dat is wat er in die foto’s zichtbaar wordt. Ik heb dan het hele verhaal van de big bang tot aan de planten overgeslagen, inclusief het gedeelte waar we zelf in voorkomen. Ik ga ervan uit dat het waar is dat we er zijn, dat niemand ons gemaakt heeft, en dat een van ons, een fotograaf uit het oosten van Duitsland aan het begin van de twintigste eeuw, geprobeerd heeft het raadsel te vergroten, en dat letterlijk, en aan de hand van planten.

Genaaid gebonden met illustraties
80 blz.
Prijs: € 18,50
ISBN: 978 94 923 1340 9
Verschenen november 2017

Cees Nooteboom