Kallocaïne is een spookachtig visioen van een door de politie en het leger bestuurde samenleving dat na ruim tachtig jaar nog niets van zijn actualiteit heeft verloren. 

Karin Boye beschrijft in haar roman een totalitaire ‘Wereldstaat’. In het desolate, paranoïde landschap van ‘politieogen’ en ‘politieoren’ vindt de gehoorzame burger en chemicus Leo Kall een middel uit dat ervoor zorgt dat iedereen die ermee wordt geïnjecteerd de waarheid zegt. Met zijn uitvinding voorziet hij de Wereldstaat van een middel om totale controle uit te oefenen.  Want als gedachten bekend kunnen worden, is het een logische volgende stap om ze strafbaar te maken.

Maar terwijl zijn uitvinding dromen over opstand en verlangen naar vrijheid aan het licht brengt, begint Leo Kall te twijfelen aan de voortreffelijkheid van de Staat en aan zijn rol erin als loyale medesoldaat.

Kallocaïne behoort samen met Jevgeni Zamjatins Wij, George Orwells Nineteen Eighty-four en Aldous Huxleys Brave New World tot de grote dystopische klassiekers en is als enige daarvan door een vrouw geschreven; het laat de gevaren zien van gelatenheid en de kracht van verzet, hoe onbeduidend het ook mag lijken.

Karin Boye (1900-1941) was dichter en auteur. Kallocaïne is een van de grote klassiekers van Zweden en is sinds 1949niet meer in het Nederlands verschenen. Een jaar na het voltooien van Kallocaïne pleegde Boye zelfmoord.

‘Een fascinerende roman in het genre van Nineteen Eighty-four en Brave New World.’ Library Journal

Het boek dat ik op het punt sta te gaan schrijven moet velen zinloos voorkomen – als ik me al voor durf te stellen dat ‘velen’ het zullen lezen – omdat ik helemaal uit mezelf, op bevel van niemand, aan deze taak begin terwijl ik zelf niet goed weet wat de bedoeling ervan is. Ik wil en ik moet, dat is alles. Steeds vaker en steeds onverbiddelijker wordt er gevraagd naar de bedoeling en de planmatigheid van wat gedaan en gezegd wordt, zodat er het liefst niet één woord lukraak gekozen wordt – alleen de schrijver van dit boek is gedwongen de tegenovergestelde weg te gaan, de doelloosheid in. Want hoewel mijn jaren hier als gevangene en chemicus – het moeten er inmiddels meer dan twintig zijn – in beslag werden genomen door werk en haast, moet er iets zijn geweest wat daar geen genoegen mee nam en een andere taak in mij heeft voortgebracht en overzien, een taak die ik zelf met geen mogelijkheid kon overzien en waar ik toch diep en bijna smartelijk bij betrokken ben. Die taak zal volbracht zijn als ik dit boek heb geschreven. Ik besef dus hoezeer mijn inspanningen in strijd moeten lijken met het rationele en praktische denken, maar ik schrijf evengoed.

Misschien zou ik het eerder niet aangedurfd hebben. Misschien heeft de gevangenschap me zelfs lichtzinnig gemaakt. Mijn levensomstandigheden verschillen slechts marginaal van die waarin ik als vrij man leefde. Het eten bleek hier misschien iets slechter – daar wende je aan. De brits bleek iets harder dan mijn bed thuis in Chemiestad nr. 4 – daar wende je aan. Ik kwam iets minder vaak in de buitenlucht – daar wende je ook aan. Het ergst was de scheiding van mijn vrouw en kinderen, vooral omdat ik tot op de dag van vandaag niet weet wat er van hen geworden is; mijn eerste jaren in gevangenschap waren daardoor gevuld met onrust en angst. Maar naarmate de tijd verstreek, begon ik me rustiger te voelen en gaandeweg werd ik zelfs steeds tevredener met mijn bestaan. Er was hier niets waar ik bang voor hoefde te zijn. Ik had ondergeschikten noch chefs – op de gevangenbewaarders na, die me zelden stoorden en er alleen op letten of ik me aan de orderegels hield. Ik had beschermers noch concurrenten. De wetenschappers met wie ik soms werd samengebracht om op de hoogte te blijven van nieuwe ontwikkelingen op het gebied van de chemie, behandelden me beleefd en zakelijk, zij het een beetje laatdunkend om mijn vreemde nationaliteit. Ik wist dat niemand reden had om mij te benijden. Kortom: op een bepaalde manier kon ik me vrijer voelen dan in de vrijheid. Maar samen met de rust groeide ook deze wonderlijke preoccupatie met het verleden in me, en nu krijg ik geen rust voordat ik mijn herinneringen aan een zekere veelbewogen tijd in mijn leven heb opgeschreven. Ze hebben me in staat gesteld om te schrijven voor mijn wetenschappelijke werk, en het wordt pas gecontroleerd op het moment dat ik een afgerond project inlever. Ik kan mij dit enige pleziertje dus veroorloven, al zal het het laatste zijn waar ik de mogelijkheid toe krijg.

In de tijd dat mijn verhaal begint, naderde ik de veertig. Als ik me nog verder moet introduceren, kan ik misschien vertellen wat mijn beeld van het leven was. Er zijn weinig dingen die meer over een mens zeggen dan zijn beeld van het leven: of hij het als een weg ziet, een veldslag, een groeiende boom of een golvende zee. Ik zag het met de ogen van een keurige schooljongen als een trap waarop je zo snel als je kon van portaal naar portaal rende, hijgend en op de hielen gezeten door je concurrenten. In werkelijkheid had ik niet veel concurrenten. De meeste van mijn collega’s op het laboratorium hadden al hun eerzucht gericht op het leger en beschouwden het dagelijkse werk als een vervelende maar noodzakelijke onderbreking van de legerdienst ’s avonds. Zelf had ik niet graag aan een van hen willen bekennen hoeveel meer ik geïnteresseerd was in chemie dan in militaire dienst, al was ik zeker geen slechte soldaat. Ik rende in elk geval verder op mijn trap. Ik had er nooit over nagedacht hoeveel traptreden er af te leggen waren, ook niet over wat er voor heerlijkheden op zolder te vinden zouden zijn. Misschien stelde ik me het huis van het leven vaag voor als een van onze gebruikelijke stadsgebouwen, waarin je vanuit het binnenste van de aarde omhoogklom en ten slotte uitkwam op het dakterras, in de openlucht, met wind en daglicht. Waar de wind en het daglicht voor moesten staan in mijn eigen levensreis was me niet duidelijk. Maar het stond vast dat elk nieuw trapportaal werd gemarkeerd door korte officiële mededelingen van hogerhand; over een met succes afgelegd examen, een goedgekeurde proef, een overplaatsing naar een belangrijker werkterrein. Ik had ook een hele reeks van zulke levensveranderende eind- en beginpunten achter me, maar niet zoveel dat het belang van een nieuwe stap erbij zou verbleken. Ik kwam daarom met een vleugje koorts in mijn bloed terug van het korte telefoongesprek waarin werd gemeld dat ik de volgende dag mijn controlechef kon verwachten en dus mocht beginnen te experimenteren met menselijk materiaal. De volgende dag kwam zodoende de definitieve vuurproef voor mijn tot nu toe grootste uitvinding. 

Ik was zo opgetogen dat het moeilijk was om aan iets nieuws te beginnen in de tien minuten die nog over waren van mijn werktijd. In plaats daarvan speelde ik een beetje vals – ik geloof voor de eerste keer in mijn leven – en begon de apparaten al van tevoren op te ruimen, langzaam en voorzichtig, terwijl ik aan beide kanten door de glazen wanden tuurde om te zien of er iemand op me lette. Zodra de bel aangaf dat het werk erop zat voor de dag haastte ik me door de lange laboratoriumgangen als een van de eersten in de stormloop naar buiten. Ik douchte snel, verruilde mijn werkkleren voor het vrijetijdsuniform, sprong in de paternosterlift en stond een paar momenten later boven op straat. Omdat we een woning in mijn werkdistrict hadden gekregen, hadden we namelijk toestemming om ons daar bovengronds te begeven, en ik genoot er altijd van om mijn benen te strekken in de buitenlucht.

Toen ik langs het metrostation liep, bedacht ik dat ik op Linda kon wachten. Omdat ik zo vroeg was, kon ze nog niet thuis zijn van haar levensmiddelenfabriek, die hier met de metro twintig minuten vandaan was. Er was net een trein aangekomen en een stroom mensen welde op uit de grond, perste zich door de tourniquets, waar de bovengrondslicenties werden gecontroleerd, en verspreidde zich over de straten in de buurt. Over de nu lege dakterrassen heen, over al het opgerolde berggrijze en weidegroene zeil heen dat de stad in tien minuten onzichtbaar kon maken vanuit de lucht, keek ik naar de krioelende menigte van naar huis terugkerende medesoldaten in hun vrijetijdsuniform, en het kwam plotseling bij me op dat ze misschien allemaal dezelfde droom hadden als ik: de droom van de weg naar boven.

Ik werd gegrepen door die gedachte. Ik wist dat mensen vroeger, in het burgerlijke tijdperk, tot werk en inspanningen moesten worden verlokt door de hoop op ruimere woningen, lekkerder eten en mooiere kleren. Tegenwoordig was zoiets niet meer nodig. De standaardwoning – één kamer voor de ongehuwden, twee voor gezinnen – voldeed voor iedereen, zowel voor de onbeduidendsten als voor de verdienstelijksten. Het voedsel van de huiskeuken voedde zowel de generaal als de gewone man. Het algemene uniform – een voor het werk, een voor de vrije tijd en een voor de leger- en politiedienst – was voor iedereen gelijk, voor man en vrouw en voor hoog en laag, op het rangonderscheidingsteken na. Zelfs het laatste was eigenlijk niet mooier voor de een dan voor de ander. Het nastrevenswaardige van een hoger onderscheidingsteken lag alleen in wat het symboliseerde. Zo vergeestelijkt, dacht ik vervuld van geluk, is elke soldaat in de Wereldstaat dat wat hij als de hoogste waarde van het leven beschouwt geen concretere vorm heeft dan drie zwarte lussen op zijn mouw – drie zwarte lussen die garant staan voor zijn zelfrespect en het respect van anderen. Van materieel genot kun je zeker genoeg en meer dan genoeg krijgen – daarom vermoed ik ook dat de twaalfkamerwoningen van de oude burgerlijke kapitalisten nauwelijks meer dan een symbool waren – maar van dit subtielste van alles, dat men najaagt in de vorm van rangonderscheidingen, daarvan krijg je nooit genoeg. Niemand kan zoveel respect genieten en zoveel zelfrespect hebben dat hij niet naar meer verlangt. Hierop, op het meest vergeestelijkte, het hoogste en onbereikbaarste van alles, rust onze stabiele maatschappelijke orde, voor eeuwig veilig.

Zo stond ik in gedachten verzonken bij de metro-ingang en zag als in een droom de bewakers heen en weer lopen langs de met prikkeldraad afgezette districtsmuur. Er waren vier treinen gekomen, vier keer was een grote groep mensen het daglicht in gestroomd voordat Linda eindelijk de controle passeerde. Ik haastte me naar haar toe en we liepen zij aan zij verder.

Praten konden we natuurlijk niet door de oefeningen van de luchtmacht, die dag en nacht elk gesprek buitenshuis onmogelijk maakten. Ze zag mijn opgewekte gezicht en knikte bemoedigend, zij het ernstig als altijd. Pas toen we in ons gebouw waren en de lift ons naar beneden bracht, werd het relatief stil om ons heen – het gedreun van de metro, dat de muren deed trillen, was niet zo luid dat praten onmogelijk was – maar toch wachtten we voorzichtigheidshalve tot we binnen waren. Als iemand ontdekte dat we met elkaar praatten in de lift zou dat natuurlijk het vermoeden wekken dat we onderwerpen bespraken waarvan we niet wilden dat de kinderen of de hulp in de huishouding ze zouden horen. Het was voorgekomen dat staatsvijanden en andere misdadigers de lift hadden willen gebruiken als plek voor samenzweringen; dat lag ook voor de hand omdat het politieoor en het politieoog om technische redenen niet in een lift konden worden aangebracht en omdat de conciërge meestal wel iets anders te doen had dan de trappen op en af te rennen om mee te luisteren. We zwegen dus voorzichtigheidshalve tot we de gezinskamer binnen waren gekomen, waar de hulp in de huishouding van de week het avondeten al had opgediend en ons opwachtte met de kinderen, die ze uit het kinderverblijf van ons gebouw had gehaald. Ze maakte de indruk een fatsoenlijk en aardig meisje te zijn en onze vriendelijke begroeting berustte dus niet alleen op het feit dat we wisten dat zij, zoals alle hulpen in de huishouding, aan het eind van de week rapport moest uitbrengen over ons gezin – een hervorming die de sfeer in veel gezinnen zonder meer heeft verbeterd. Er heerste een opgewekte, gezellige stemming aan onze tafel, vooral omdat onze oudste zoon, Ossu, bij ons was. Hij was op bezoek vanuit het kinderkamp omdat het thuisavond was.

‘Ik heb iets leuks te vertellen,’ zei ik boven de aardappelsoep tegen Linda. ‘Mijn experiment is nu zover dat ik morgen met menselijk materiaal mag beginnen, onder toezicht van een controlechef.’

‘Wie denk je dat het zal zijn?’ vroeg Linda.

Aan de buitenkant was het zeker niet te zien, maar inwendig schrok ik van haar woorden. Ze konden heel onschuldig bedoeld zijn. Wat was er natuurlijker dan dat een vrouw vroeg wie de controlechef van haar man zou worden! Het hing tenslotte van het geduld of de welwillendheid van de controlechef af hoelang het onderzoek zou duren. Het was zelfs voorgekomen dat op eer beluste controlechefs zich de uitvinding van de gecontroleerde hadden toegeëigend, en er waren relatief weinig mogelijkheden om je daartegen te verweren. Het was dus niet verwonderlijk dat je wederhelft vroeg wie het zou worden.

Maar ik hoorde een ondertoon in haar stem. Mijn naaste chef, en dus waarschijnlijk mijn aanstaande controlechef, was Edo Rissen. En Edo Rissen was eerder werkzaam geweest in de levensmiddelenfabriek waar Linda werkte. Ik wist dat ze veel met elkaar te maken hadden gehad, en uit verschillende kleine signalen had ik de conclusie getrokken dat hij een zekere indruk op mijn vrouw had gemaakt.

Door haar vraag werd mijn jaloezie wakker en die spitste haar oren. Hoe intiem was de verhouding tussen haar en Rissen eigenlijk geweest? In een grote fabriek kon het zomaar gebeuren dat twee mensen zich uit het zicht van de anderen bevonden, bijvoorbeeld in de opslagruimte, waar balen en kisten de glazen wanden afschermden en waar bovendien op dat moment misschien niemand anders aan het werk was… En Linda had natuurlijk ook haar dienst als nachtwaker in de fabriek gehad. Rissen kon heel goed op hetzelfde moment dienst hebben gehad. Alles was mogelijk, zelfs het ergste van alles: dat ze nog steeds van hem hield en niet van mij. In die tijd dacht ik zelden over mezelf na, over wat ik dacht en voelde of over wat anderen dachten en voelden, voor zover dat geen directe praktische betekenis voor mij had. Pas later, in mijn eenzame tijd als gevangene, keerden er gebeurtenissen terug in mijn herinnering in de vorm van raadsels die me dwongen na te denken, te duiden en te herduiden. Nu, zoveel jaren later, weet ik dat toen ik zo graag wilde weten hoe het zat met Linda en Rissen, ik eigenlijk geen bevestiging wilde krijgen dat er niets tussen hen was. Ik wilde bevestigd krijgen dat ze zich van me verwijderde. Ik wilde een bevestiging krijgen die een eind aan mijn huwelijk zou maken.

Maar in die tijd zou ik een dergelijke gedachte met verachting van de hand hebben gewezen. Linda speelt een te belangrijke rol in mijn leven, zou ik hebben gezegd. En dat was waar, geen gepieker en geen herinterpretaties hebben dáár sindsdien verandering in kunnen brengen. In belangrijkheid had ze goed kunnen wedijveren met mijn carrière. Ze hield me tegen mijn wil op een zuiver irrationele manier in haar greep.

Je kunt ‘liefde’ een verouderd romantisch begrip noemen, maar ik ben bang dat ze er toch is, en meteen vanaf het begin een element bevat dat buitengewoon pijnlijk is. Een man wordt aangetrokken door een vrouw, een vrouw door een man, en bij elke stap die je naar elkaar toe zet, verlies je iets van jezelf; een reeks nederlagen, terwijl je hoopte op overwinningen. Al in mijn eerste huwelijk – kinderloos en daarom zinloos om voort te zetten – had ik daarvan een voorproefje gehad. Met Linda werd het een nachtmerrie. In de eerste jaren dat we getrouwd waren, had ik ook echt een nachtmerrie, al bracht ik die toen niet met haar in verband: ik stond in het midden van een grote, donkere ruimte, krachtig verlicht door schijnwerpers, van buiten de duisternis voelde ik de Ogen op me gericht, en ik spartelde als een worm om weg te komen, terwijl ik me doodschaamde om de onfatsoenlijke vodden die ik aanhad. Pas later begreep ik dat die nachtmerrie een goed beeld gaf van mijn relatie met Linda, waarin ik me zelf beangstigend doorzichtig voelde, hoewel ik er alles aan deed om weg te kruipen en me te verschuilen, terwijl zij hetzelfde raadsel leek te blijven, wonderbaarlijk, sterk, bijna bovenmenselijk, maar altijd verontrustend, omdat haar raadselachtigheid haar een irritant overwicht gaf. Wanneer haar mond zich samentrok tot een smalle rode streep – o nee, het was geen glimlach, van spot noch van vreugde, het kon eerder een spanning worden genoemd, zoals wanneer je een boog spant – terwijl haar ogen onbeweeglijk wijd geopend waren, dan trok elke keer dezelfde rilling van angst dwars door me heen, en elke keer verlamde ze me en trok me even onbarmhartig naar zich toe, hoewel ik vermoedde dat ze zich nooit voor me zou openen. Ik denk dat het woord liefde op zijn plaats is wanneer je je in alle troosteloosheid toch aan elkaar vastklampt, alsof er ondanks alles een wonder zou kunnen gebeuren, wanneer de pijn zelf een soort waarde heeft gekregen en getuigenis aflegt van het feit dat je tenminste één ding gemeen hebt: het wachten op iets wat niet bestaat. 

Om ons heen zagen we ouders scheiden zodra hun kinderen oud genoeg waren voor het kinderkamp – scheiden en hertrouwen om weer nieuwe kinderen te krijgen. Ossu, onze oudste, was acht jaar en zat dus al een jaar in het kinderkamp. Laila, de jongste, was vier en kon nog drie jaar thuisblijven. En daarna? Zouden wij ook scheiden en hertrouwen, vanuit het kinderlijke idee dat hetzelfde wachten met een ander minder hopeloos zou zijn? Mijn verstand zei me dat dat een bedrieglijke illusie was. Slechts één irrationele sprankel hoop fluisterde: nee, nee – dat je gefaald hebt met Linda komt doordat ze Rissen wil! Ze hoort bij Rissen, niet bij jou! Laat tot je doordringen dat ze aan Rissen denkt – dat verklaart alles en zo houd je nog hoop op een nieuwe, betekenisvolle liefde!

Dat waren de vreemde gedachtekronkels die Linda’s volkomen normale vraag opriep.

‘Waarschijnlijk Rissen,’ antwoordde ik en ik luisterde gespannen naar de stilte die volgde.

‘Is het indiscreet om te vragen wat het voor experiment is?’ vroeg de hulp in de huishouding.

Natuurlijk had ze het recht om dat te vragen, in zekere zin was ze er juist om in de gaten te houden wat er binnen dit gezin gebeurde. Ik zag niet op welke manier het verwrongen en tegen me gebruikt zou kunnen worden, en ook niet hoe het de Staat zou kunnen schaden wanneer het gerucht over mijn uitvinding al van tevoren zou worden verspreid.

‘Het is iets waarvan ik hoop dat het de Staat van nut zal kunnen zijn,’ zei ik. ‘Een middel waardoor ieder mens zijn geheimen verraadt, alles waarover hij zichzelf dwingt te zwijgen, uit schaamte of angst. Komt u uit deze stad, medesoldaat hulp in de huishouding?’

Het gebeurde zo nu en dan dat je mensen tegenkwam die in tijden van personeelstekort uit andere gebieden waren gehaald en die niet de algemene ontwikkeling van de chemiestadbewoners hadden, behalve het weinige dat ze op latere leeftijd op hadden weten te pikken.

‘Nee,’ zei ze en ze bloosde, ‘ik kom van buiten.’

Nadere verklaringen over waar je vandaan kwam, waren strikt verboden, omdat ze misbruikt konden worden voor spionagedoeleinden. Daarom was ze natuurlijk rood geworden.

‘Dan zal ik niet nader ingaan op de chemische samenstelling of de vervaardiging,’ zei ik. ‘Dat zou ik misschien sowieso niet moeten doen, het middel mag tenslotte onder geen beding in individuele handen terechtkomen. Maar u hebt misschien gehoord dat alcohol vroeger gebruikt werd als roesmiddel en welke “uitwerkingen” het had?’

‘Ja,’ zei ze, ‘ik weet dat het gezinnen ongelukkig maakte, je gezondheid verwoestte en er in het ergste geval toe leidde dat je hele lichaam beefde en je begon te hallucineren over witte muizen, kippen en dat soort dingen.’

Ik herkende de woorden uit de elementaire leerboeken en glimlachte. Ze had duidelijk geen kennis kunnen nemen van de algemene ontwikkeling van de chemiestadbewoners.

‘Helemaal juist,’ zei ik, ‘zo was het in het ergste geval. Maar voor het zover was, kwam het vaak voor dat de dronken mensen hun mond voorbijpraatten, geheimen verraadden en onvoorzichtige daden begingen doordat hun vermogen om schaamte en angst te voelen was aangetast. Die uitwerking heeft mijn middel ook – vermoed ik, want ik ben nog niet klaar met mijn onderzoek. Het verschil is dat mijn middel niet wordt doorgeslikt, maar direct in het bloed wordt gespoten, en bovendien heeft het een compleet andere samenstelling. De onaangename bijwerkingen die u net noemde heeft het ook niet – je hoeft in ieder geval niet zulke sterke doses toe te dienen. Het enige wat een proefpersoon er achteraf van merkt is een lichte hoofdpijn, en het is niet zo, zoals soms gebeurt met alcohol, dat je achteraf vergeten bent wat je hebt
gezegd. U begrijpt wel dat het een belangrijke uitvinding is. Voortaan kan niet één misdadiger de waarheid nog ontkennen. Zelfs onze diepste gedachten zijn niet meer van onszelf – zoals we zo lang ten onrechte hebben gedacht.’

‘Ten onrechte?’

‘Jazeker, ten onrechte. Uit gedachten en gevoelens komen woorden en daden voort. Hoe zouden gedachten en gevoelens dan de privézaak van het individu kunnen zijn? Behoort de hele soldaat niet de Staat toe? Aan wie anders dan de Staat zouden zijn gedachten en gevoelens kunnen toebehoren? Tot nu toe was het alleen niet mogelijk om ze te controleren – maar nu is het middel daarvoor dus gevonden.’

Ze wierp me een snelle blik toe, maar sloeg die meteen weer neer. Hoewel ze geen spier vertrok, kreeg ik de indruk dat ze bleker werd.

‘U hoeft nergens bang voor te zijn, medesoldaat,’ zei ik om haar op te monteren. ‘Het is niet de bedoeling om alle kleine verliefdheden of antipathieën van individuen bloot te leggen. Als mijn uitvinding in handen van individuen zou komen – ja, dan kun je je wel voorstellen wat een chaos er zou ontstaan! Maar dat mag natuurlijk niet gebeuren. Het middel zal onze veiligheid waarborgen, de veiligheid van iedereen, de veiligheid van de Staat.’

‘Ik ben niet bang, ik heb niets om bang voor te zijn,’ antwoordde ze op een kille toon, terwijl ik alleen maar vriendelijk had willen zijn.

Daarna spraken we over andere dingen. De kinderen vertelden wat er die dag in het kinderverblijf was gebeurd. Ze hadden in de speelbak gespeeld – een reusachtige kuip van email, vier vierkante meter groot en een meter diep, waarin je niet alleen kleine speelbommen kon laten vallen en bossen en huizen met daken van licht ontvlambaar materiaal in brand kon steken, maar als de kuip met water werd gevuld ook complete miniatuurzeeslagen kon uitvechten, waarbij de kanonnen van de scheepjes met dezelfde lichte springstof werden geladen als in de speelgoedbommen werd gebruikt, er waren zelfs torpedoboten bij. Hierdoor kregen de kinderen spelenderwijs zoveel strategisch inzicht dat het hun tweede natuur werd, bijna een instinct, en tegelijkertijd was het natuurlijk eersteklasvermaak. Soms was ik jaloers op mijn eigen kinderen dat ze op konden groeien met zulk volmaakt speelgoed – in mijn jeugd was die lichte springstof nog niet uitgevonden – en ik begreep niet goed dat ze er toch met hart en ziel naar verlangden om zeven te worden en naar het kinderkamp te gaan, waar de oefeningen veel meer op een echte militaire opleiding leken en waar ze dag en nacht verbleven.

Ik had vaak de indruk dat de nieuwe generatie realistischer was ingesteld dan wij in onze jeugd waren. Juist op de dag waarover ik spreek zou ik daar een nieuwe bevestiging van krijgen. Omdat het gezinsavond was, waarop Linda noch ik leger- of politiedienst had en Ossu, mijn oudste, op bezoek kwam – zo werd er zorg gedragen voor het intieme leven van het gezin –, had ik een manier bedacht om de kinderen te vermaken. Vanuit het laboratorium had ik een heel klein stukje natrium meegenomen, dat ik op water wilde laten drijven zodat er een lichtviolette vlam vrijkwam. We zetten een schaal met water neer, deden het licht uit en verzamelden ons rond mijn kleine chemische curiositeit. Zelf had ik erg genoten van het fenomeen toen ik klein was en mijn vader het me liet zien, maar voor mijn kinderen was het een fiasco. Ossu, die zelf al vuurtjes maakte, met kinderpistolen schoot en rotjes gooide die handgranaten voorstelden – nou, dat hij het bleke vlammetje niet waardeerde, dat lag misschien in de lijn der verwachting. Maar dat ook Laila, de vierjarige, niet geïnteresseerd was in een explosie als die niet een paar vijanden het leven kostte, kwam voor mij als een verrassing. De enige die erdoor gefascineerd leek was Maryl, het middelste meisje. Ze zat er zoals gewoonlijk stil en dromerig bij en volgde het sissende dwaallichtje met wijd open ogen, die aan haar moeder deden denken. En hoewel haar aandacht mij een zekere troost bood, verontrustte die mij ook. Het drong helder en duidelijk tot me door dat Ossu en Laila kinderen van de nieuwe tijd waren. Hun instelling was nuchter en correct, terwijl de mijne een uiting was van verouderde romantiek. En ondanks de genoegdoening die ze me gaf, wenste ik plotseling dat Maryl meer als de anderen was. Het beloofde niet veel goeds dat ze op deze manier buiten de gezonde ontwikkeling van de generaties viel.

De avond verstreek en het werd tijd voor Ossu om weer terug te keren naar het kinderkamp. Als hij liever had willen blijven of bang was voor de lange metrorit, dan liet hij het in elk geval niet blijken. Met zijn acht jaar was hij al een gedisciplineerde medesoldaat. Maar zelf werd ik overspoeld door een hete golf van verlangen naar de tijd toen ze alle drie elke avond in hun smalle bed kropen. Een zoon, dacht ik, is in elk geval een zoon en staat dichter bij zijn vader dan dochters. Toch durfde ik niet te denken aan de dag waarop ook Maryl en Laila weg zouden zijn en maar twee avonden in de week op bezoek zouden komen. Ik zorgde ervoor dat niemand mijn zwakte opmerkte. De kinderen zouden niet op een dag kunnen klagen over een slecht voorbeeld, de hulp in de huishouding zou geen slappe houding van de huisvader kunnen rapporteren, en Linda – Linda het minst van iedereen! Ik wilde niet graag door iemand veracht worden, maar al helemaal niet door Linda, die zelf nooit zwakte toonde. 

Niet veel later werden de bedden in de gezinskamer uitgeklapt en opgemaakt voor de meisjes, en Linda stopte ze in. De hulp in de huishouding had net de etensresten en het serviesgoed in de etenslift gezet en maakte zich gereed om te vertrekken toen haar iets te binnen schoot.

‘Dat is waar ook,’ zei ze, ‘er is een brief voor u gekomen, chef. Ik heb hem in de ouderkamer gelegd.’

Een beetje verbaasd bekeken Linda en ik de brief, een dienstbrief. Als ik de politiechef van de hulp in de huishouding was geweest, zou ik haar hier zeker een waarschuwing voor hebben gegeven. Of ze het nu echt was vergeten of het expres had verzuimd, het werd als even nalatig beschouwd dat ze zich niet op de hoogte had gesteld van de inhoud van de dienstbrief – ze had er het volste recht toe gehad. Maar tegelijkertijd bekroop me het vermoeden dat de inhoud van de brief van dien aard kon zijn dat ik haar dankbaar moest zijn dat ze slordig was geweest.

De brief was van het Zevende Bureau van het ministerie van Propaganda. En om de inhoud uit te leggen, moet ik iets verder teruggaan in de tijd.

 

Roman
Vertaling Bart Kraamer
Paperback met flappen, 240 blz.
€ 19,50
ISBN 9789492313577
Verschijnt 29 april 2021

Karin Boye

Karin Boye - Uitgeverij Koppernik
Uitgeverij Koppernik

Meld u aan voor onze nieuwsbrief en ontvang bericht bij nieuwe boeken.

Dank voor uw aanmelding.