Een jonge schrijver arriveert in een naamloze, doodlopende stad in New South Wales om lokale nederzettingen te onderzoeken die langzaam verdwijnen. In het hotel van de stad zijn geen gasten, in het station geen treinen, de lokale bus rijdt zijn route zonder passagiers op te pikken. De bevolking heeft collectief geheugenverlies en geeft blijk van een agressief wantrouwen tegenover buitenstaanders. De stad is in verval, maar de schrijver had niet verwacht dat deze spookstad letterlijk voor zijn ogen zou verdwijnen. Wanneer een epidemie van mysterieuze gaten het bestaan van de stad bedreigt, komt hij terecht in een draaikolk van merkwaardige gebeurtenissen waaruit ontsnappen onmogelijk lijkt.

Shaun Prescotts debuutroman is donker, ongrijpbaar en verontrustend – en heeft alles in zich om een toekomstige klassieker te worden.

‘Een beschaving die alleen nog haar eigen versie van het verleden heeft om op te teren is gedoemd te verdwijnen, toont Shaun Prescott in zijn opzienbarende debuutroman Het verdwijnen.’ Marnix Verplancke in Knack 

‘Een fascinerende, prikkelende roman.’ The Guardian

‘Buitengewoon vreemde roman.’ Sydney Review of Books

‘In gelijke mate indrukwekkend, grappig en frustrerend … Nu ik erover nadenk, het is een behoorlijk doelloze roman. Misschien is hij daarom zo goed.’ The Herald

‘Een diepe duik in de waanzin die leest als García Márquez.’ The Saturday Paper

‘Iemand die begrijpt waar literatuur toe dient. Het is een van de sterkste en vreemdste hedendaagse Australische romans die ik heb gelezen.’ Sydney Morning Herald

Voor een juiste beschouwing van het stadje moest je er vele jaren hebben doorgebracht. Pas dan kon je de barrières zien glinsteren aan de randen ervan, en weten wat die barrières behelsden. 

Pas na vele jaren in het stadje was je in staat de vreemdheid op te merken van bepaalde aspecten van vertrouwde aangezichten. Pas dan kon je op een bepaald uur van de dag aan het begin van een stille straat staan en onder een welgekozen hoek het beeld voor jezelf oproepen dat je ergens anders vertoefde. Het was dan mogelijk om aan de voet van de oude gashouder te staan, omhoog te staren en te geloven dat je er voor even in geslaagd was een van de veronderstelde werelden buiten het stadje te betreden.

Bepaalde stadjes vormen een omgeving waarbinnen de rest van de wereld verdwijnt. Dus is het alleen maar logisch dat voor de rest van de wereld onophoudelijk bepaalde stadjes verdwijnen – of anders hersenschimmen worden, spooksteden, stipjes op de kaart met geen andere functie dan een strikt decoratieve, aangebracht door een cartograaf die er een leegte mee wilde vullen.

Toen ik in het stadje aankwam, voelde ik de noodzaak een koffiebar te vinden waar ik regelmatig kon gaan zitten, dat als hoofdkwartier zou dienen voor een vriendenkring als ik die eenmaal had opgebouwd. In een winkelcentrum koos ik daartoe voor een Michel’s Patisserie die uitzicht bood op de Big W. Boven aan de roltrappen stond een man koelkastmagneetjes en theedoeken met de Australische vlag te verkopen. Ik ging in de koffiebar zitten en dacht: nou, het begin is er. Ik heb nu een plek waar ik met mensen kan afspreken als ik ze eenmaal ken en het een normale manier van doen is om met ze af te spreken.

Het winkelcentrum was exemplarisch voor de winkelcentra van plaatsjes in centraal-westelijk New South Wales, eigendom van een van de twee ketens die er om de dominante marktpositie strijden. Ik dronk mijn eerste koffie en dacht aan mijn reis erheen, een zeker eerbewijs aan mijn vroegere ik door erbij stil te staan dat nog maar enkele uren geleden het vage vermoeden in me had geleefd dat ik onderweg was naar niets. 

Na de koffie doolde ik door het winkelcentrum. Ik nam een kijkje bij de Sanity en dacht aan de cd’s die ik zou kopen als ik eenmaal een baan had. Ik keek rond in de Angus & Robertson en nam me voor een aantal boeken te kopen, en te lezen, en te bespreken met de mensen die ik zou treffen in de Michel’s Patisserie tegenover de Big W als ik ze eenmaal had leren kennen. Ik kocht een scheurbroodje kaas-met-bacon in de Bakers Delight en at het aan een tafeltje voor de winkel.

De hoofdstraat van het stadje besloeg vijf huizenblokken, alle van elkaar gescheiden door dwarsstraten die ook veel winkels telden. Ik had weleens over dit stadje gedroomd. In die droom was er in een van de zijstraten een gebouw met een bovenverdieping dat uitzag op een pompstation en waar ik met een vrouw op het balkon had gezeten, waar we sigaretten rookten en van hoge bierglazen nipten. Ik neem aan dat deze droom voortkwam uit de keren dat ik op reis door de hoofdstraat van dit stadje was gereden, en zo verder van het ene stadje naar het andere zonder ooit ergens te stoppen, zelfs niet voor een verfrissing.

Deze droom had geen rol gespeeld bij mijn reis naar het stadje, maar toen ik er die dag aankwam maakte ik mezelf wijs van wel. Het was een belangrijke droom, herinner ik me dat ik dacht in een poging het moment een zeker gewicht te verlenen, hoewel ik diep vanbinnen wist dat ik mezelf voorloog. Het was een onschuldig iets om jezelf over voor te liegen

 

Ik nam mijn intrek bij iemand die Rob heette en die een kamer onderverhuurde van zijn woonhuis bij de school, zoals geadverteerd in het plaatselijke dagblad. Hoewel ik veel zin had om mensen te leren kennen, had ik niet veel zin Rob beter te leren kennen, aangezien hij een groot liefhebber was van sport. Op zijn vraag wat mijn favoriete team was, antwoordde ik: Australië. Bij tijd en wijle keken Rob en zijn vrienden naar sport op de televisie in de zitkamer en dronken daarbij. Ze wisselden dan op serieuze toon van gedachten over elke sportman en spraken over deze sporters alsof ze in het echte leven met hen waren omgegaan.

Ik betaalde mijn huur direct aan Rob, die het geld doorgaf aan zijn ouders, die de eigenaren van het huis waren. Iedere week legde ik een dichtgelikte envelop in een keukenla, waarop ik ‘huur’ had geschreven. Soms, als het onmogelijk was direct contact met Rob te vermijden, spraken we over onze plannen voor het weekend, zelfs al was het dinsdag. Op een keer vertelde ik Rob dat ik bezig was een boek te schrijven over de verdwijnende plaatsjes in de centraal-westelijke regio van New South Wales, waarop hij mij vertelde dat hij een biertje ging pakken.

Rob toonde geen belangstelling voor me tot de avond na een of andere grote sportfinale, toen hij laat thuiskwam en mij aantrof bij het maken van mijn avondeten in de keuken. Hij zei zich te verbazen over hoe zelden ik maar van huis ging, en dat zo’n grote finale nu juist een gelegenheid bij uitstek vormde om ‘onder de mensen te komen’. Ik loog dat het die dag de sterfdag was van mijn vader, en dat ik bovendien aan mijn boek werkte over de verdwijnende plaatsjes. Ditmaal leek het zijn bewondering te wekken dat ik een boek probeerde te schrijven, en hij vroeg of hij het ooit zou mogen lezen. Ik zei dat hij dat mocht wanneer hij maar wilde, het boek hoefde er niet eens voltooid voor te zijn. Het leek me onwaarschijnlijk dat ik het materiaal zou moeten redigeren, laat staan een herziene versie zou moeten maken, want dit was een boek dat zich bijzonder gemakkelijk liet schrijven. Het zou geen meesterwerk worden, maar een boek werd het zeker. Rob zei dat hij in dat geval meteen een gedeelte wilde lezen, dus nam ik hem mee naar mijn kamer, liet hem plaatsnemen achter mijn computer en zocht een passage op die me interessant voor hem leek.

Deze passage handelde over het stadje Meranburn, in een roes geschreven. Een paar dagen geleden was dat geweest, en bij het schrijven ervan had ik me gevoeld alsof ik met gekruiste benen in het zand zat bij het vervallen station van Meranburn. Rob las het en wilde daarna weten waar Meranburn lag, dus zei ik dat er over Meranburn alleen nog in de verleden tijd kon worden gesproken, omdat het plaatsje niet langer bestond. Hij zei dat het dan als spookstadje moest worden aangemerkt, en ik zei dat het dat niet was, althans niet op de manier waarop mensen zoals hij zich een spookstadje voorstelden. Meranburn was niet economisch in verval geraakt, de inwoners hadden niet in drommen naar nabije plaatsjes hoeven uitwijken om in hun onderhoud te kunnen voorzien, de gebouwen waren niet ontmanteld. Meranburn was simpelweg verdwenen. Vandaar de titel van je boek, zei Rob, Verdwijnende plaatsjes in de centraal-westelijke regio. Hij vertelde me niet of en waarom de passage hem goed bevallen was, of juist niet, zei alleen dat hij nu benieuwd was naar het plaatsje Meranburn. En hij zei dat het dus eigenlijk ‘verdwenen’ moest zijn in plaats van ‘verdwijnende’. 

Ik vond een baantje als vakkenvuller in de Woolworths-supermarkt. Ik kocht een dictafoontje om daarin thuis mijn boek in te spreken, zodat ik ernaar kon luisteren terwijl ik de artikelen netjes in hun vakken zette. Als vakkenvuller werd ik niet geacht veel met mensen te praten, al vroegen klanten me vaak waar dit of dat artikel stond, waarop ik altijd antwoordde dat ik dat niet wist.

Soms begon mijn boek me tegen te staan terwijl ik ernaar luisterde in de supermarkt. Ik wilde dat een deel ervan, of een hoofdstuk, of op z’n minst een alinea, mensen de stuipen op het lijf zou jagen. Ik wilde dat er iets in mijn tekst zou schuilen wat de lezer angst aanjoeg. En ik wilde één kernachtige passage die mijn gevoel zou vertolken dat de verdwijnende plaatsjes in centraal-westelijk New South Wales net zo belangrijk voor de lezer en de wereld hoorden te zijn als ze dat voor mij waren. Tijdens deze ontevreden buien kwam me telkens een indringend beeld voor de geest: een frisgroene grasvlakte met daarin naakte mensen die werden gegeseld door een in een cape gehulde figuur. Ik meende, gedurende die avonden waarop ik vakken vulde, dat het wellicht interessant zou zijn om mijn boek met deze scène te besluiten, dat dit het culminatiepunt zou kunnen vormen van alle afzonderlijke hoofdstukken over de respectieve plaatsjes. Misschien de suggestie wekken dat iedere inwoner van elk plaatsje was ontvoerd en daarna gegeseld in een afgelegen vlakte in de richting van Dubbo. De locatie van deze vlakte was altijd dezelfde: in het gebied waar de groene hellingen en velden beginnen over te gaan in de bruine platheid die de boventoon voert in de rest van het land. Het boek moest acht hoofdstukken krijgen met droog journalistiek proza over wat er mogelijk gebeurd was in de verdwenen plaatsjes van het centrale westen. Geen van deze acht speculaties zou uitgesproken luguber of zelfs maar interessant zijn, maar dat negende en laatste hoofdstuk over de naakte mensen die werden gegeseld door de in een cape gehulde figuur, zou als besluit het effect oproepen dat deze scène in een of ander feitelijk verband stond met al het voorafgaande in mijn boek. Het zou niet worden toegelicht, maar wel als de waarheid overkomen. De lezer zou geloven dat het hoofdstuk wezenlijk verband hield met de verhalen over de verdwijnende plaatsjes in de centraal-westelijke regio van New South Wales.

 

Een paar dagen na mijn aankomst in het stadje bezocht ik de bibliotheek. Ik was op zoek naar boeken over het stadje, maar ik hoopte ook boeken te vinden over plaatsjes die waren verdwenen.

Na een grondige speurtocht langs de kasten en stapels vroeg ik aan de balie waar de afdeling plaatselijke geschiedenis was. De man achter de balie wilde weten waarom ik de afdeling plaatselijke geschiedenis zocht, dus vertelde ik hem dat ik een boek aan het schrijven was over de verdwijnende plaatsjes van centraal-westelijk New South Wales. Ik wilde zoveel mogelijk boeken over het stadje lenen als was toegestaan.

De bibliothecaris vroeg zich hardop af of ik in de veronderstelling verkeerde dat zijn stadje was verdwenen. Ik speculeerde hardop dat dit mogelijk was, maar onwaarschijnlijk, want stadjes verdwijnen tegenwoordig alleen als ze niet langer een doel dienen, en dit stadje diende ongetwijfeld nog een doel. Ik wilde nu juist naar de afdeling plaatselijke geschiedenis om aan de weet te komen welk doel het stadje diende. Het was zonder twijfel met een bepaald doel gebouwd. En zo niet, waarom dan juist hier?

Er zijn geen boeken over dit stadje, zei de bibliothecaris. Wat we nodig hebben is iemand zoals u om er een te schrijven, maar het zou niet echt een bestseller worden. In dit stadje is nog nooit iets van belang voorgevallen, en tegen de tijd dat dat alsnog gebeurt, zal het geen zin meer hebben het te onthouden.

De bibliothecaris zei dat er over tal van vergelijkbare stadjes verhalen waren waarin een reden voor hun bestaan werd genoemd, een doel dat ze ooit in breder verband hadden gediend. Sommige stadjes hadden zelfs straten waaraan fictieve verhalen waren gewijd. Dit stadje echter, is er alleen maar. Niemand weet meer waarom het op deze plek is gesticht of om welke reden de eventuele stichters het hebben gebouwd, behalve misschien de oudste inwoners, die te oud en afgetakeld zijn om zich nog in samenhangende zinnen te kunnen uiten. Dit stadje heeft geen eigen boeken omdat er, voor zover ons bekend, geen reden bestaat er iets over te weten. Boeken gaan in de regel over bepaalde fenomenen, en niets aan dit stadje is fenomenaal.

Hij vertelde dat hij zelf ooit gefaald had in het streven een boek over het stadje te schrijven. Hij had altijd een hekel aan het stadje gehad, van kindsbeen af. Hij was altijd van plan geweest het te verruilen voor de grote stad of het buitenland, maar dat was onmogelijk gebleken, dus was hij nu hier, in dienst van de bibliotheek.

Verstoken als hij was van de levenservaring die men nodig heeft voor het schrijven van een boek over andere onderwerpen, had hij het plan opgevat om dan maar een boek over het stadje te schrijven, want hier had hij tenslotte zijn hele leven doorgebracht. Het zou een eenvoudige onderneming zijn, had hij gedacht, want hij had hier al het bronmateriaal voor het oprapen en er waren tal van oude mensen die hij kon interviewen. En wat belangrijker was: niemand had ooit eerder een boek over het stadje geschreven. Misschien zou het een vreemd stadje lijken in de ogen van hen die elders woonden,
in omgevingen die doorgaans wél in boeken worden beschreven.

Hij had in eerste instantie geen idee gehad wat voor vorm zijn boek zou aannemen. Of het een geschiedenis in engere zin zou worden of iets wat meer een memoir leek. Maar het scheen hem toe dat het schrijven ervan hem hoe dan ook in de gelegenheid zou stellen enkele onderwerpen aan te roeren die hem door de jaren heen persoonlijk hadden beziggehouden – hoe het bijvoorbeeld was om oninteressant te zijn, en daardoor ook eenzaam. Hij zou het boek op zo’n manier schrijven dat degenen die het lazen ervan doordrongen raakten dat hij eenzaam was. Het zou ogenschijnlijk een geschiedenis van of memoir over het stadje worden, maar eigenlijk een boek over zijn eenzaamheid. Niet expliciet, maar het zou een thema zijn dat werd opgemerkt door recensenten en bekwame lezers, en het was zijn hoop dat een criticus in de grote stad of misschien wel het buitenland, schrijvend voor een krant of tijdschrift, zijn boek zou bestempelen tot een indringend werk over eenzaamheid.

Alvorens met schrijven te beginnen overdacht hij het te lang en te diep en verloor daardoor de hoop dat het boek gelezen zou worden door iemand van belang. Maar, dacht hij, misschien trok hij er toch de aandacht mee van de mensen in het stadje zelf. Maandenlang deed hij research naar het stadje zonder ook maar een enkele zin op papier te zetten. Hij achterhaalde tal van feiten, maar niet één daarvan was interessant. Hij ontdekte dat een plaatsgenoot parlementslid was geweest alvorens te overlijden aan een klaplong, hij las over de vele uiteenlopende winkels die in de hoogtijdagen van het stadje de hoofdstraat hadden gesierd. In het gemeentearchief las hij over het openen van scholen en banken. Hij vond beelden van archaïsch geklede mannen en vrouwen die in de hoofdstraat naar een fotocamera staarden terwijl een of andere hoogwaardigheidsbekleder een lint doorknipte. Hij las over meningsverschillen aangaande de aanleg van wegen en de ontwikkeling van winkelcentra. Hij vond anekdotes over bepaalde welgestelde boerenfamilies, verhalen die alleen interessant konden zijn voor de telgen daarvan.

Hij zag in dat het onmogelijk was een geschiedenis van het stadje te schrijven die bij lezers emoties zou losmaken van het soort dat hij wilde losmaken. Mensen zouden al in de loop van de eerste bladzijde doorkrijgen dat het boek tot het einde toe vervelend bleef. Hij kon zijn boek niet beginnen met ‘het stadje werd in dit of dat jaar gesticht door deze ontdekkingsreiziger of gene kolonist’, want feiten van dien aard waren nergens te vinden en er viel zelfs niet bij benadering naar te gissen. 

Hij vond dat hij voor het schrijven van een geschiedenis over zulke fundamentele feiten moest beschikken. En hij kon zijn verhaal niet beginnen met het vroegste feit dat hij wél aan de weet was gekomen, omdat dit buitengewoon saai van aard was: dat Joe McGee in 1932 zijn gehele kudde had verloren door een hardnekkige droogte. Hij meende dat een boek hoorde te beginnen met een duidelijke aanwijzing, al dan niet met zoveel woorden, waar het over ging. In het boek dat hij wilde schrijven was geen plaats voor dood vee.

Vervolgens had hij zijn toevlucht genomen tot de vorm van de memoir, om al snel op vergelijkbare problemen te stuiten, en wel vooral het gegeven dat hij geen interessant persoon was. Hij was geboren, had de lagere school doorlopen, en de highschool, waarna hij bij de bibliotheek was gaan werken en teruggebrachte boeken in de kasten had gezet tot hij naar de balie was gepromoveerd. Een leven van proberen en opgeven, gespeend van intense genoegens, maar ook van de worstelingen waar lezers graag over lezen.

Het kon niet worden ontkend dat hij heel wat had gevoeld en gezien, en dat sommige van die dingen een diepe indruk op hem hadden gemaakt, en hij had zich een tijdlang tot de gedachte weten te verleiden dat hij in staat zou zijn deze gevoelens en waarnemingen op een manier te presenteren die andere mensen zou aanspreken. Tal van indrukken uit zijn leven hadden hem verwonderd, geprikkeld of in zekere mate getroffen, zoals delen van liedjes die leken te wortelen in de essentie van alles. Als de mensen van dit stadje wat artistieker waren aangelegd, had hij misschien een boek aan deze indrukken alleen kunnen wijden, maar dat waren ze niet. In dit boek zouden er dingen moeten gebeuren. Interessante dingen.

En hij ondervond al snel dat hij niet in staat was pakkende verhalen te verzinnen. Voor één verhaal had hij een politiek complot bedacht, waarbij tal van winkels uit de hoofdstraat waren betrokken, en hij had zichzelf wijsgemaakt dat hij het stadje daarmee in beroering kon brengen en de mensen tegelijk over zijn eenzaamheid kon vertellen. Hij zou zijn kleine groep lezers weten te boeien, had hij gedacht, met een fictieve context waarin ze zelf werden opgevoerd. Die door hem bedachte achtergrond zou hun aandacht lang genoeg vasthouden om tot de laatste bladzij door te lezen, waardoor het thema van zijn eenzaamheid hun onmogelijk kon ontgaan. Maar hij begreep niet hoe politieke machinaties werkten, noch bleek hij het vermogen te hebben om levendige dialogen en verhaallijnen op papier te krijgen. Uiteindelijk was hij tot de slotsom gekomen dat er geen schrijver in hem school.

Het probleem was daarna, vertelde hij, dat hij nog steeds nergens heen kon met zijn eenzaamheid. Die lag nu maar in hem te verkommeren. Hij kon zijn eenzaamheid niet koesteren omdat hij er geen gebruik van kon maken, noch kon hij haar delen met een invoelende lezer. Het volstond niet om er nu met mij over te praten (en ik herinner me dat hij met een priemende vinger naar me wees toen hij dit zei), want hij wilde er iets belangrijks van maken. Maar de tijd dat iemand zoals hij een boek kon schrijven was voorgoed voorbij. Het had sowieso geen zin meer om boeken te schrijven, zei hij, als die niet de misère in verre stadjes en steden weerspiegelden, plaatsen waar de zwaarte van de wereld wordt gevoeld als een trage, martelende aftakeling – anders dan in dit stadje, waar zulke ellende in het geheel niet wordt gevoeld, of hooguit bij wijze van inbeelding, of afgeleid uit kille cijfers en tabellen.

Een andere klant kwam de bibliotheek binnen en trok de aandacht van de bibliothecaris. Ik was toch wel klaar met deze bibliotheek, aangezien er geen afdeling was met plaatselijke geschiedenis. Er waren vele boeken over de grote stad aan de kust, vol afbeeldingen in zwart-wit van mannen en vrouwen die op het zand lagen, strandwachten in het gelid voor hun cabines en nors kijkende vrouwen die porties fish-and-chips op de toonbank van hun eettent plaatsten.

 

In de voormiddag ging ik altijd naar de pub aan het eind van mijn straat voor een biertje. Het was een pub als alle andere in het stadje, met kleverige gebloemde vloerbedekking, een hoekje voor het inleveren van totoformulieren en een eetgedeelte met plastic meubilair. Het eetgedeelte was echter niet in bedrijf. Achter de bar stond een vrouw met de naam Jenny, en het was door Jenny dat ik veel aan de weet kwam over wat er over het stadje te weten viel. Bij mijn eerste bezoek vroeg ze me waar ik vandaan kwam en ik loog dat ik afkomstig was uit een andere staat. Ze vroeg wat ik in het stadje kwam doen en ik vertelde haar dat ik aan een boek werkte over de verdwijnende plaatsjes in centraal-westelijk New South Wales.

Het boek interesseerde Jenny niet en ze deed geen moeite geïnteresseerd te lijken in het stadje Meranburn toen ik haar daarover vertelde. Ik somde het weinige op dat ik sinds mijn aankomst over haar stadje had geleerd – met name dat er zo goed als niets te leren viel. Hier stemde ze mee in.

Jenny trok zich met regelmaat langdurig terug in de kelder van de pub, waar ze deed alsof ze zich over de onderlichamen van de tapkranen ontfermde. Op andere momenten veegde ze stof van het beddengoed in de kamers die op de bovenverdieping konden worden gehuurd. Jenny’s pub trok geen klanten. Er zat nooit iemand naar de uitzendingen van het plaatselijke radiostation te luisteren, die op laag volume werden voortgebracht door speakers die ik niet kon zien, noch vermaakte iemand zich ooit met de gokautomaten of de paardenrennen op de televisietoestellen. Ergens hoog in een hoek flakkerden cijfers op een lottoscherm, met de suggestie dat er veel te winnen viel door klanten die er nooit meer kwamen. 

Mijn gesprekken met Jenny waren doordesemd van haar vijandigheid. Ik stelde vragen over het stadje en leidde antwoorden af uit wat ze zei niet te weten. Alles wat ik tegen Jenny zei leek voor haar de juistheid te bevestigen van wat ze beweerde, zelfs wanneer ik het tegendeel beweerde, en zelfs als ik de indruk had dat ze in het geheel niets beweerde. Het interesseerde haar niet waarom ik geïnteresseerd was in het stadje.

Ik vroeg Jenny hoe het stadje was gesticht en ze zei dat dit niet was gebeurd. Te denken dat het was gesticht, was het toppunt van arrogantie. Er waren hier gewoon mensen verzeild geraakt en blijven wonen.

Ik opperde dat het wellicht een geografisch voordeel bood om je hier te vestigen. De kreek, bijvoorbeeld, die kabbelend en ondiep achter de kfc en een aantal pompstations stroomde. Ze gaf toe dat ik het bij het rechte eind zou kunnen hebben, dat er in vroeger tijden misschien mensen waren geweest die in de nabijheid van de kreek hadden willen wonen. Misschien hadden ze er wel uit gedronken.

Ook waren er lange stiltes, waarin Jenny de bar en de glazen poetste of de geldladen van de gokautomaten controleerde, terwijl ik bier dronk uit een hoog glas. En dan stelde ik een vraag en kregen we ruzie.

Ze wist niet hoe oud de pub was. Ze nam aan dat haar vader hem van iemand had overgenomen en dat was dat en nu stond zij er. En waarom wilde ik zoiets weten?

Ik zei het te willen weten om uit te vinden hoe oud het stadje was.

Ze maakte een gebaar alsof ik weer eens haar gelijk had gedemonstreerd. Je stelt me vragen, snauwde ze, en verwacht dan antwoorden op heel andere vragen. En dan beweren dat je een non-fictieboek schrijft!

Op sommige dagen wisselden we geen woord, behalve om het bier af te rekenen. Hoewel haar pub door niemand anders werd bezocht, leek Jenny zich geen zorgen te maken om haar levensonderhoud, noch toonde ze mij enige dankbaarheid voor mijn klandizie. Ze verrichtte haar taken alsof het de natuurlijke toestand van haar pub was leeg te zijn, en als ze me mijn bier inschonk, deed ze dat alsof er nog andere klanten op haar wachtten. Ooit moest Jenny haar eigenschappen als bardame hebben geëtaleerd aan tal van drinkers tegelijk, en moest ze het voorwerp zijn geweest van het soort roddel en achterklap dat bij haar beroep hoorde. Geen enkele conversationele miskleun verraste haar nog – ze had het allemaal al eens gehoord en scheen een diepgaand begrip te hebben van het veelsoortige excuus dat bier voor zulke miskleunen vormde. Maar mijn conversatie kwam nooit voor dat begrip in aanmerking. 

Op een dag zei Jenny in een zeldzame bevlieging van openhartigheid dat het stadje kromp en tegelijkertijd groeide. Ze verduidelijkte dit als volgt: het stadje spreidde zich uit terwijl het inwonertal daalde. Deze bewering maakte me nieuwsgierig, maar ze had geen statistieken ter onderbouwing en sloot de kassalade met een klap.

Een paar dagen later voelde Jenny zich toch tot nadere uitleg gedwongen. Het was haar met het verstrijken van de tijd opgevallen dat het stadje steeds leger aanvoelde. Ze wist niet waar al die mensen waren gebleven. Misschien zaten ze gewoon vaker en langer thuis. Of anders waren ze misschien weggetrokken. En toen stak ze een sigaret op, een teken dat haar iets van het hart moest.

Er is een tijd geweest, zei ze, dat hier oudere mannen en vrouwen aan de bar zaten en urenlang doorkletsten, over Australian football, over plaatselijke kwesties en soms zelfs de toestand van de wereld. Dat geklets maakte dat de dagen en avonden sneller voorbijgingen, en hoewel ze er nooit een woord tussen had kunnen krijgen (als ze dat al had gewild), had ze het niet oninteressant gevonden om te horen wat oudere mensen te zeggen hadden over de grote kwesties van destijds.

En toen, binnen een week, zo leek het, waren deze mensen begonnen dood te gaan. Eerst bezweek Ron Fenton aan een beroerte. Toen struikelde Rhonda Gardner, viel, en stierf aan de gevolgen van haar val. Daarna werden uiteenlopende vormen van kanker vastgesteld, hartaandoeningen vereisten ononderbroken toezicht thuis, verpleeghuizen stroomden vol en de weinige mannen en vrouwen die nog in de pub kwamen, waren bang om nog vrijelijk en onbekommerd over de problemen van alledag te praten. Ze sloten zich af, vervielen in broeierig stilzwijgen, met gezichten waarvan het ongenoegen en de angst vielen af te lezen, en uiteindelijk bleven ook zij thuis. Het leven werd ze te lelijk. Het bleek te grillig met hen en hun welbevinden om te springen.

Jenny vermoedde dat de mensen van het stadje lang in de veronderstelling hadden geleefd dat de natuurlijke orde van de dingen in hun voordeel werkte en dat hun persoonlijk nooit iets slechts zou overkomen. Maar deze oude generatie was nu aan het sterven, en vaak zonder waardig levenseinde, in eenzaamheid of na een langdurig en ondraaglijk ziekbed, en dat had geen van hen ooit verwacht. Maar het gebeurde wel, dus leken de vreselijke dingen die ze op tv zagen en in de krant lazen opeens dichterbij dan voorheen. Deze mensen hadden grotendeels in een periode geleefd waarin nooit iets ergs gebeurde, althans niet in het stadje, zelfs niet in het land. Ouderdom en de dreiging van de dood hadden dat veranderd, zoals dat volgens Jenny voor alle oude mensen gold, met als extraatje dat de wereld daadwerkelijk onherbergzamer werd. Maar niet hier, zei ze met een wuivend gebaar naar de paardenrennen op haar televisies. Nu nog niet.

Ik dronk nooit veel bier bij mijn bezoeken aan Jenny’s pub. Ik beheerste het dronken worden niet. De alcohol steeg telkens al na drie biertjes naar mijn hoofd en dan liep ik naar huis om een poosje te liggen, of uit mijn hoofd mijn gesprek met Jenny neer te schrijven, voordat ik naar de Woolworths ging om te werken. Alles wat Jenny me vertelde leek onwaar zodra het op papier stond.

Ik vertelde Jenny op een dag dat ik nog nooit meer dan drie biertjes achter elkaar had gedronken omdat ik het dronken worden niet beheerste.

Het is wel duidelijk dat jij uit een andere staat komt, zei ze.

Vertaling Peter Abelsen

Paperback met flappen, 376 blz.
Prijs: € 21,50
ISBN: 9789492313256
Verschenen februari 2020

Shaun Prescott

Ook interessant: 

De naam van de wereld - Denis Johnson
De lange droogte - Cynan Jones
De Hoogstapelaar - Wessel te Gusselinklo
De Tanners - Robert Walser