Psychologisch meesterwerk van een van de grootste Zweedse schrijvers

Het verbrande kind gaat over liefde en rouw in een Stockholms arbeidersmilieu. In de jaren veertig van de vorige eeuw belandt de jongeman Bengt in een diepe, persoonlijke crisis na de onverwachte dood van zijn moeder. Terwijl hij om probeert te gaan met het verlies, verandert zijn wanhoop langzaam in woede wanneer hij ontdekt dat zijn vader een minnares heeft. Hij klaagt eerst met buitensporige haat zijn vader en diens minnares aan voor wat ze zijn moeder hebben aangedaan en zweert wraak te nemen. Maar als hij de minnares ontmoet, wordt hij zelf een bedrieger en leugenaar in verhouding tot zijn vader en zijn vriendin.

Het verbrande kind is een weergaloze roman over pijn en woede, wanhoop en hartstocht, over bedrog en zelfbedrog.  

Met een voorwoord van Siri Hustvedt

‘Stig Dagermans psychologische inzicht en zijn onwaarschijnlijke stilistische vermogen maken het verpletterende Het verbrande kind onverwoestbaar.’ Humo (*****)

‘Het is alsof de schrijver de emoties van zijn personages probeert te bezweren, onderhuids probeert te houden, waardoor voortdurend een grote eruptie op de loer ligt.’ Het Parool 

‘Een verbijsterende roman met een woest psychologisch inzicht, die, naar mijn mening, een groot internationaal publiek verdient […] heel erg een boek voor onze tijd.’
Siri Hustvedt

‘Dagerman kan in één zin zoveel emotie oproepen.’ Colm Tóibín

‘Er zijn maar weinig schrijvers die de illusie weten te wekken dat ieder woord onvervangbaar is en op zijn juiste plaats staat.’ Bernlef

‘Waarom behoort Het verbrande kind tot de mooiste romans van deze eeuw? Omdat de roman zich behalve in de Zweedse duisternis, ook een beetje in de kamer van de lezer afspeelt. Dit boek appelleert aan onze diepste twijfels en angsten.’ Het Parool

‘Een van de grootste naoorlogse schrijvers van Zweden.’ Jeroen Brouwers

‘In Het verbrande kind staat de beste begrafenisscène die ooit is geschreven en ooit zal worden geschreven.’ Kerstin Ekman

Een kaars uitblazen

Om twee uur zal er een vrouw begraven worden en om half twee staat de echtgenoot in de keuken voor de gebarsten spiegel boven de gootsteen. Hij heeft niet erg gehuild, maar hij heeft lang wakker gelegen en het wit van zijn ogen ziet rood. Zijn overhemd is wit en glanzend en zijn broek walmt nog zwak na van het persen. Terwijl zijn jongste zuster de stijve witte boord achter in zijn nek vastmaakt en daarna het witte strikje om zijn hals schuift, zo zacht dat het een liefkozing lijkt, buigt de weduwnaar zich over de gootsteen en kijkt zichzelf diep in de ogen. Daarna wrijft hij erin, alsof hij een traan wegveegt, maar de rug van zijn hand blijft droog. De jongste zuster, de knappe, houdt haar hand stil onder zijn hals. De das glanst wit als sneeuw op de rode huid. Stiekem streelt hij haar hand. De knappe zuster is de zuster van wie hij houdt. Hij houdt van wat mooi is. Zijn vrouw was lelijk en ziek. Daarom heeft hij niet gehuild.

De lelijke zuster staat bij het fornuis. Daar suist het gas. Het deksel huppelt op de glanzende koffieketel. Met rode vingers zoekt zij tussen de kraantjes om het gas uit te draaien. Ze woont al twaalf jaar in de stad, maar nog weet ze de weg tussen de gaskranen niet. Ze draagt een bril met een zwart montuur en als ze iemand aan wil kijken buigt ze zich ver naar voren en staart je aan zoals mensen uit de stad niet doen. Ten slotte vindt zij de goede kraan en draait hem dicht.
‘Een wit strikje voor een begrafenis?’
De knappe zuster vraagt zich dat af. De weduwnaar frunnikt aan zijn manchetknopen. Hij heeft lange zwarte schoenen aan en als hij plotseling op zijn tenen gaat staan, kraken ze. Maar de lelijke zuster draait zich bliksemsnel om alsof iemand haar aanvalt.
‘Natuurlijk wit voor een begrafenis! Dat weet ik sinds de begrafenis van de consul!’
Ze knijpt haar lippen samen. Haar ogen knipperen achter de bril alsof ze bang zijn. Misschien zijn ze dat ook wel. Ze weet alles van begrafenissen. Maar bijna niets van bruiloften. De knappe zuster glimlacht en gaat door met passen en strelen. De lelijke zuster verplaatst een vaas met witte rouwbloemen van de tafel naar het aanrecht. De weduwnaar kijkt opnieuw in de spiegel en ziet plotseling dat hij glimlacht. Hij sluit zijn ogen en ademt de keukenlucht in. Zolang als hij zich herinneren kan, ruiken begrafenissen naar koffie en zweterige zusters.
Maar het is ook een moeder die begraven wordt en de zoon is twintig jaar oud en niets meer dan dat. Hij staat alleen onder de lamp in een kamer vol mensen. Zijn oogleden zijn een beetje gezwollen. Hij heeft ze na zijn nachtelijke tranen met water gebet en denkt dat er niets van te zien is. Maar integendeel, alles is te zien en daarom hebben de begrafenisbezoekers hem alleen gelaten. Niet uit piëteit maar uit angst, want de wereld is bang voor wie huilt.
Een tijdje staat hij bewegingloos, zonder zelfs aan zijn manchetten te frunniken of aan zijn rouwband. De vergulde pendule die zij cadeau kreeg op haar vijftigste verjaardag slaat een dunne, dunne slag. Bij het raam staan de gasten te praten. Zij hebben van rouw omfloerste stemmen, maar iemand van vaders familie slaat met zijn knokkels een mars tegen de vensterbank. Het zijn harde knokkels en de zoon wil dat zij ophouden. Ze houden niet op. Dan is er nog iemand van het platteland die aan de radio draait hoewel het nog geen twaalf uur is. De radio bromt en bromt, maar niemand komt op het idee hem uit te zetten.
Geluidloos valt het januarilicht de kamer binnen en weerkaatst in alle blinkende krakende schoenen. Midden in de kamer onder de lamp is een nieuwe grote leegte ontstaan en daarin staat hij alleen en ziet en hoort alles, hoewel hij zelf ergens anders is. Voordat moeder stierf en hij alleen achterbleef, stond daar een lange eikenhouten tafel, maar die tafel staat nu bij het raam. Een wit tafellaken is eroverheen gespreid en op het laken staan glazen en karaffen met donkere wijn en vijftien broze witte kopjes en een grote bruine taart die zoet is maar bitter zal smaken. Achter de karaffen, ook op tafel, staat moeders portret, vandaag in een zware zwarte lijst. Het is versierd met groen, met duur januarigroen. Terwijl de begrafeniskoffie wordt gezet en de dominee zich scheert in de pastorie en de tanks van de begrafenisauto’s in de garage worden gevuld, verzamelen de elf bezoekers zich rondom de tafel en de foto van de dode. Het is een jeugdportret. Het haar is nog dik en donker en ligt zwaar over het gladde voorhoofd. De tanden, die tussen de ronde lippen door schemeren, zijn wit en onaangetast.
‘Op die foto was zij vijfentwintig,’ zegt iemand. 
‘Zesentwintig,’ verbetert een ander.
‘Alma zag er leuk uit toen ze jong was.’ 
‘Ja, Alma was leuk om te zien.’
‘Ja, als meisje was zij leuk om te zien.’ 
‘Daarom begrijp je dat Knut, dat Knut… eh…’
Dan herinneren ze zich de zoon die in de kamer staat te luisteren.
‘Mooi haar had ze,’ valt iemand in. Te vlug. 
‘Ze was toen vast al zwanger van het meisje.’ 
‘O ja, heeft zij een meisje gehad?’
‘Had ze moeten hebben. Maar het stierf.’ 
‘Als baby al?’
‘Het was een jaar oud. En toen kregen ze de jongen. Maar toen waren ze al getrouwd.’
Dan herinneren ze zich hem weer en deze keer zwijgen ze. Iemand haalt een grote witte zakdoek tevoorschijn en snuit zijn neus. Men draait nu de radio uit. Daarna gaat men met krakende pasjes opzij want de koffie komt eraan. Het is de aardige tante die de pot draagt; de tante van wie hij houdt omdat ze achter de glazen van haar bril gehuild heeft. Zij draagt de koffiepot hoog en waardig als een kandelaber voor zich uit en zweet in haar nauwe zwarte jurk. Achter haar komt de jonge tante. Zij draagt zwarte zijden kousen en de mannen in het vertrek vergeten waar ze zijn en zien dat zij mooie benen heeft. Zij glimlacht naar iemand vanwege een blik. Zij heeft niet gehuild.
Het laatst komt de vader binnen. Langzaam en met zijn blik naar de grond loopt hij naar de zoon toe. Iedereen zwijgt en draait zich om. Ook degene die een mars tikte is nu stil. Ook de vader zwijgt. Stil en eenzaam ontmoeten zij elkaar midden in de kamer. Hun handen en armen ontmoeten elkaar. Daarna ontmoeten de borsten elkaar. Het laatst ontmoeten de ogen elkaar. Niet lang maar toch zo lang dat beiden de tijd hebben om te zien wie gehuild heeft en wie droge ogen heeft.
‘Huil niet, jongen,’ zegt de vader.
Hij zegt het zacht, maar iedereen heeft het gehoord. Een van de gasten snikt, heel kort trouwens maar. Schoenen kraken en een paar jurken ritselen als voetstappen door bladeren. De arm van de vader is hard als steen.
‘Huil niet, jongen,’ zegt hij nog eens.
Dan maakt de zoon zich zacht los van de man die niet gehuild heeft. Eenzaam gaat hij de lange weg van de plek onder de lamp naar de tafel met de dampende kopjes en de tot de rand gevulde glazen. Iemand die in de weg staat wijkt schuw opzij. Zonder te trillen pakt hij een kop en daarna een glas en draait zich langzaam om.
De vader staat er nog. De harde arm hangt als aangeschoten langs zijn rechterzij. Langzaam buigt hij het hoofd opzij en drukt zijn ene rode oor plat tegen zijn jukbeen. Maar pas als de zon door de ramen naar binnen schittert ziet de zoon dat de ogen van de vader plotseling glanzen. Dan morst hij een paar druppels donkere bittere wijn op de vloer tussen zijn schoenen.
Voordat de auto’s komen, staan ze in losse groepjes in de kamer. Vier staan er voor de tikkende pendule met een glas in hun hand. Zij nemen af en toe een slokje wanneer niemand kijkt. Zij komen van buiten, familie van de weduwnaar, mensen die je slechts op bruiloften en begrafenissen ziet. Hun kleren ruiken naar mottenballen. Ze kijken naar de dure klok. Daarna kijken zij elkaar aan. Ze kijken naar de dure encyclopedie, waarvan de leren ruggen achter het glas van de boekenkast glanzen. Daarna kijken ze elkaar weer aan en nemen nog een slokje. Plotseling staan ze daar te fluisteren met lippen zacht van koffie en wijn. Ze hebben nooit iets om de dode gegeven.
Onder de lamp staan de zusters met vier vrienden van de vader die vrij genomen hebben op deze maandagmorgen om de begrafenis bij te wonen. Men had op meer vrienden gehoopt, maar zelfs zij die gekomen zijn gaven niets om de dode. Toch praten ze een ogenblik over haar met zachte, gedempte stemmen. Daarna praten ze ergens anders over. Maar hun stemmen klinken hetzelfde.
Bij het ene raam staan de weduwnaar en de zoon met drie van de naaste buren. Het zijn twee vrouwen die blij zijn een beetje afleiding te hebben en een man die in de ziektewet loopt. De zoon staat het dichtst bij het raam. Hij heeft het glas en de kop op de vensterbank tussen twee bloempotten gezet. Hij weet dat de buren moeder niet mochten. Daarom wil hij niet luisteren. De man die in de ziektewet loopt, praat over zijn ziekte. De twee buurvrouwen praten over andere ziektes. De weduwnaar praat over de ziekte van de overledene. Ze had een zwak hart en ze was gezwollen van het water. Zij praten met zachte stemmen over zwakke harten en over water.
Ondertussen kijkt de zoon uit het raam. Hij weet dat ze spoedig allemaal uit het raam zullen kijken en daarom haast hij zich zoveel te zien als hij kan. Hij ziet de blauwe rails van de tram, in de bocht wit van het ijs en de pekel. Hij ziet de kleine bevroren vlokken die op straat neerdwarrelen. Hij ziet blauwe rook uit de schoorsteen van een keet opstijgen. Arbeiders die de straat met boren en houwelen hebben opengebroken leggen hun gereedschap weg, blazen witte rook in hun handen en gaan schaften. Een kat trippelt in de sneeuw en een brouwerspaard met dikke poten pist geel en kaarsrecht in de goot aan de overkant.
Maar de hele tijd schittert de zon in de vergulde stierenkop boven een slagerij. In die winkel gaat alles zoals altijd. De winkeldeur wordt geopend en gesloten door mensen met rook uit hun monden. Voor het raam ligt het vlees op witte schalen en achter de marmeren toonbank heffen de slagersbedienden hun scherpe hakmessen. Als zovele keren buigt hij zich zo ver naar voren dat het venster van zijn warme adem beslaat. Als zovele keren, maar toch niet zoals de eerste dagen. Want de eerste dagen was het het ergst. Toen besloeg de hele ruit na een kort ogenblik. Dan moest hij zijn hand vastgrijpen en in zijn zak stoppen opdat die zich niet los zou rukken en de ruit inslaan. Dan moest hij op zijn lippen bijten opdat zijn mond zich niet open zou sperren en schreeuwen: Waarom zijn jullie niet gesloten? Jullie daar! Hoe kunnen jullie! Waarom hangen jullie geen lakens voor het raam? Waarom sluiten jullie de deur niet? Waarom laten jullie de vleesauto’s komen met vlees hoewel jullie weten wat er gebeurd is? Jullie slagers! Jullie wrede slagers! Waarom laten jullie alles bij het oude terwijl jullie weten dat alles veranderd is?
Hij is nu rustiger, hij buigt zich alleen maar voorover en kijkt. Hij leunt slechts voorover en ademt. Hij richt slechts zijn blik als een kijker op de vergulde stierenkop en het hoge etalageraam met zijn zware vleesbergen. Hij drukt alleen maar zijn dijen pijnlijk hard tegen de vensterbank. Hij denkt slechts: daar stierf mijn moeder. Daar stierf mijn moeder terwijl mijn vader zich in de keuken zat te scheren en ik, haar zoon, in mijn kamer poker tegen mijzelf speelde. Daar zakte zij van een stoel zonder dat iemand van ons erbij was en haar kon opvangen. Daar lag zij op de grond, in de modder en het zaagsel, terwijl een slager met zijn rug naar haar toe stond en een schaap in stukken hakte.
Misschien is hij toch niet zo rustig. Misschien dat hij toch iets gezegd heeft. Misschien dat hij even in elkaar kromp. In ieder geval voelt hij een arm van steen rond zijn schouder. In ieder geval ziet hij een stenen hand wrijven en wrijven over het beslagen glas. Nee, over een groot koud oog. Hij betast het met zijn vingertoppen en rilt. Maar de stenen hand wrijft en als hij klaar is, is het oog koud en helder maar de rug van de hand is nat van tranen. Hij veegt ze met zijn arm weg en laat hem daarna zakken.
‘Huil niet, jongen,’ hoort hij de vader fluisteren.
Hij huilt toch. Iemand drukt een zakdoek in zijn hand en terwijl hij zijn tranen droogt, hoort hij aan de stilte in de kamer dat iedereen staat te luisteren naar zijn gehuil. Dan zwijgt hij van schaamte. Hij dwingt zijn ogen tot gehoorzaamheid en knijpt de kleine gele zakdoek, die sterk naar parfum ruikt, tot een balletje samen en geeft hem aan de dichtstbijstaande vrouw. Dan zegt de vader: ‘Houd hem maar. Ik heb er nog een.’
Dan wordt het balletje zwaar in zijn hand. Hij buigt zich tot dicht bij de ruit, maar die beslaat nu niet. De vader legt zijn wang tegen de zijne. Het is een wang van steen. 
‘Kijk,’ fluistert hij.
En de zoon kijkt. Hij ziet in een lange rij de auto’s de hoek omkomen. Vijf zwarte auto’s in een blauwe sneeuwval. Vijf zwarte auto’s die onverbiddelijk tot voor de deur glijden en zacht stoppen met sneeuw op hun dak.
‘Drie was genoeg geweest,’ fluistert de tante met de bril, zó dat niemand het zal horen maar bijna iedereen het hoort. En natuurlijk waren drie auto’s genoeg geweest, maar pas bij vijf zwarte auto’s gaat het ergens op lijken. En de vader houdt van iets wat ergens op lijkt. De vader houdt van wat mooi is. Daarom heeft hij er vijf besteld.
Vier trappen moeten ze af. Ze gaan ze heel langzaam af, alsof het de laatste keer was. Eerst de vader en daarna de zoon en ten slotte de dertien anderen. Door de gang-ramen zien zij de sneeuw die almaar dichter valt en de galgen van de kloprekken in grauwe wolken hult. Als het niet opklaart zullen de auto’s niet eens te zien zijn. Nu zwijgen zij alle vijftien, nee zestien, want op de derde trap komt de verloofde van de zoon hun tegemoet. Zij is mager en bleek en heeft met moeite vrij kunnen krijgen van haar fourniturenwinkel in Noord. Er zit sneeuw op haar mantel en sneeuw op haar handschoenen en sneeuw op de voile van haar hoed, zodat je slechts haar ogen kan zien. Zij heeft wel gehuild. Maar wie weet waarom?
Zwart en stil daalt de stoet de trappen af. Buren openen hun deuren en kijken ernstig en zwijgend toe. Het is een mooi toneelstuk met een goede bezetting. Een kind begint te huilen en drukt zich plat tegen de muur alsof het de dood zelf ziet. Maar als zij voorbij zijn worden alle deuren barmhartig stil gesloten. Voorop gaat de zoon, daarachter zijn verloofde, daarachter de vader en daarachter de dertien anderen. Hard zijn de stenen traptreden en verschrikkelijk klinken de harde hakken en het geritsel van de zwarte kleren. Verschrikkelijk valt daarbuiten de sneeuw, zwijgend en zwaar, en begraaft al de levenden en de doden. Verschrikkelijk lang zijn ook de trappen. Zij dalen en dalen maar komen nooit beneden. De zoon tast naar de hand van zijn verloofde maar wat hij vindt is haar koude natte handschoen. Hij drukt die keihard maar slechts om te voelen hoe koud zij het heeft. Hij kijkt omlaag naar de trap en loopt en loopt. Diep zijn de groeven in de traptreden van het verdriet en vol met zout en zand.
Verschrikkelijk ten slotte is wat hij ziet, nadat hij de laatste trap is afgedaald. Mooi maar verschrikkelijk. Zonder het te merken heeft hij de hand van zijn verloofde losgelaten en alleen is hij door de donkere gang die naar de buitendeur leidt gelopen. Juist als hij die wil openen en naar buiten naar de wachtende auto’s wil gaan, die als schaduwen door de sneeuw en het glas opdoemen, merkt hij plotseling hoe stil het achter hem is en hoe donker. Dan draait hij zich langzaam om op het rooster voor de deur en krijgt een schouwspel te zien dat hij nooit meer zal vergeten, omdat het zo mooi en tegelijk zo verschrikkelijk is. Want midden op de trap zijn zij alle vijftien in hun zwarte kleren blijven staan. Hun lichamen blokkeren het gangraam. Daarom is het zo donker. Achter de dichte sluiers glanzen de gezichten van de vrouwen, hard als been. Al het andere is donker, de trap, de muren en de zwarte kleren. Alleen de gezichten zijn wit en een eenzame ongehandschoende hand op een jas. Een ogenblik staan zij doodstil alsof zij op een onzichtbare fotograaf wachten. Daarna dalen zij langzaam naar hem af, als één grote schaduw. De trap van het verdriet ligt achter hen.
Buiten valt de sneeuw. Een tram belt en rolt onzichtbaar voorbij. Waar de straat opengebroken is schijnen de lampen zwak. Ze stappen in de auto’s met sneeuw op hun kleren. Ze zijn met zijn zestienen in vijf grote auto’s en zitten ver van elkaar af te huiveren. Net voor zij wegrijden, neemt de sneeuwval iets af zodat tenminste iemand ze kan zien wegrijden. Zij halen de dominee af van de pastorie. Blootshoofds staat hij te wachten op de stoep. Hij gaat in de eerste auto zitten, naast de chauffeur, en drukt hun handen door het open raampje. Hij kijkt ieder van hen lang en ernstig aan. Hij heeft tranende ogen van de ijzige wind. Een ogenblik denken ze dat hij huilt.
Onderweg vraagt hij hen uit over de overledene. Hoe zij leefde, waaraan zij stierf en hoe zij stierf. Het is de vader die voor hen vieren antwoord geeft, voor zichzelf, voor de zoon, voor de verloofde van de zoon en voor zijn knappe zuster. Hij houdt niet van dominees. Hij vindt het alleen niet compleet zonder een dominee. Daarom antwoordt hij kort dat zij eenvoudig leefde. Toen ze nog kon, ging ze uit werken. Toen ze niet meer kon, bleef ze thuis. Lag meestal. Had een moeilijk karakter. Verder was ze aardig. Meestal wel. Ze bedoelde het goed. De laatste tijd was ze opgezwollen en liep ze moeilijk trappen.
De zoon zit bij het raampje en kijkt naar buiten. Het klaart op. Boven Zuid wordt de hemel helder als ijs. De straat waar zij nu rijden is koud en hard. Over de trottoirs strijkt de harde bezem van de wind. Hij voert een hoed mee, een nieuwe zwarte hoed. In een slagerij staat een witte man met een zaag in zijn hand… liep moeilijk trappen. En toch lieten ze haar gaan. Zij rijden over de brug. Het kanaal is bevroren. Dunne skisporen slingeren zich eroverheen. Scheef tegen de kade aangedrukt ligt een ingevroren boot.
‘In welk ziekenhuis overleed mevrouw Lundin?’ vraagt de dominee. Dan schrikken ze alle vier op en kijken naar de vloer van de auto. Waaraan ze stierf, daar praat de vader lang over, heel lang, ja bijna tot ze de muren van de begraafplaats kunnen zien. Maar hoe ze stierf gaat niemand aan. De bleke verloofde draait zich om en kijkt de zoon aan. Maar de zoon kijkt door het achterruitje. Hij ziet hoe de andere auto’s, de een na de ander, door de lange witte bocht glijden. Het is een mooi gezicht, zoveel auto’s achter elkaar, en iemand blijft staan kijken.
‘Stierf ze thuis?’ vraagt de dominee.
‘Ja,’ antwoordt de knappe zuster, ‘precies. Ze stierf thuis.’
Dan zijn ze er.

Stig Dagerman
Het verbrande kind
Roman
Oorspronkelijke titel Bränt barn
Vertaling Bernlef
Paperback met flappen 256 blz.
€ 23,50
NUR 9789083262130
NUR 302
Verschijnt 8 december 2022

Stig Dagerman

Uitgeverij Koppernik

Meld u aan voor onze nieuwsbrief en ontvang bericht bij nieuwe boeken.

Dank voor uw aanmelding.