Poëtische natuurbeschrijvingen in Amerikaanse klassieker

De in Nederland totaal onbekende klassieker Het land van weinig regen van Mary Austin geldt in de Verenigde Staten als de voorloper van de grote twintigste-eeuwse Amerikaanse natuurschrijvers zoals Annie Dillard en Barry Lopez. In haar levendige beschrijvingen van het gebied dat tussen de hoge bergketens ten zuiden van Yosemite en Death Valley ligt, deelt Austin genereus haar liefde voor het land en de zorgen voor de natuur en cultuur. Austin was haar tijd ver vooruit en was van mening dat de mensheid om sociale harmonie te bereiken met de natuur moet samenwerken. De nog steeds bijzonder actuele verhalen in Het land van weinig regen gaan over de schadelijke invloeden van de mens op de natuur, waaronder het verspillen van weiden door grazende kuddes en de onophoudelijke winning van mineralen, die het land vernietigt. 

Het land van weinig regen is een mooi poëtisch en stilistisch hoogstaand boek met liefdevolle beschrijvingen van de woestijn, het leven van dieren, van planten en van de weinige mensen die ondanks alles het land bewonen.

Met de illustraties uit de originele uitgave

Verschijnt in samenwerking met Schwob

Ten oosten van de Sierra’s, ten zuiden van de Panamint en de Amargosa, en menige ongetelde mijl naar het zuidoosten ligt het Land van de Verdwenen Grenzen.

De Ute, Paiute, Moja en Shoshone wonen langs de verste randen en tot zo diep in het hart ervan als een mens zich maar durft wagen. Niet de wet maar het land stelt de grens. Woestijn is de naam die het op de landkaarten draagt, maar de indianen hebben er een beter woord voor. Woestijn is een onnauwkeurige term voor land dat geen mensen verdraagt: het is niet bewezen of het land voor dat doel kan worden beteugeld en gebroken. Van leven verstoken is het nooit, hoe droog de lucht of giftig de grond ook is.

Dit is de aard van dat land. Er zijn heuvels, afgerond, afgevlakt, stomp, verschroeid, omhooggedrukt uit de chaos, met chroomgele en vermiljoenrode tinten, die hoog oprijzen naar de sneeuwgrens. Tussen de hellingen liggen hoge, egaal ogende vlaktes beschenen door ondraaglijk fel zonlicht, of smalle dalen verzonken in een blauw waas. Het oppervlak van de heuvel is doorschoten met aslagen en zwarte, onverweerde lavastromen. Na regenbuien verzamelt het water zich in de kom van afgesloten kleine valleien, en bij verdamping laat het harde droge platen in een pure kaalheid achter, die plaatselijk bekendstaan als droge meren. Waar de bergen steil en de regens overvloedig zijn, valt de poel nooit helemaal droog, maar is hij donker en bitter, omrand met een afzetting van gekristalliseerde alkaliën. Er ligt een dunne korst van dit zout langs het moeras boven de zone met vegetatie, die niets moois of fris heeft. Op de uitgestrekte braaklanden die blootstaan aan de wind hoopt het zand zich in duinen op rond de gedrongen struiken, en de grond ertussen vertoont sporen van zouten. De contouren van de heuvels zijn hier eerder het werk van wind dan van water, hoewel abrupt noodweer soms wel degelijk littekens nalaat die pas jaren later vervagen. Aan alle westelijke woestijnranden zijn proeven in miniatuur te vinden van de beroemde, ontzagwekkende Grand Cañon, waar je uiteindelijk op uitkomt als je lang genoeg door dit land trekt.

Omdat dit bergachtig gebied is, verwacht iedereen bronnen te vinden, maar vertrouw er niet op, want de gevonden bronnen blijken vaak brak en ongezond, of een tergend traag gedrup in een dorstige grond. Hier vind je het gloeiend hete laagland van Death Valley, of hooggelegen golvende gebieden waar altijd de prikkeling van vorst in de lucht hangt. Hier zijn de van ver aanwaaiende, harde winden en de benauwde stiltes van de hoogverheven mesa’s, waar zandhozen dansen, opwaarts wervelend in een weidse, bleke lucht. Hier heb je geen regen wanneer de hele aarde erom schreeuwt, alleen een vlugge hoosbui, wolkbreuk genoemd vanwege de heftigheid. Een land van verdwenen rivieren, met niet veel om van te houden; en toch een land waar je onvermijdelijk, als je het eenmaal hebt bezocht, naartoe terug moet. Als dat niet zo was, zouden er weinig verhalen over bestaan.

Dit is het land van drie jaargetijden. Van juni tot november ligt het daar heet, stil en onverdraaglijk, ziek van de felle buien die geen verlichting bieden; dan verder tot april koud, in rust, de schaarse regen en nog schaarsere sneeuw opzuigend; in april begint weer het warme seizoen, bloeiend, stralend en verleidelijk. Deze maanden zijn maar benaderingen; ook kan de regen dragende wind vroeger of later vanaf de Golf van Californië door de waterpoort van de Colorado binnenwaaien, en het land schikt zijn jaargetijden naar de regen.

De woestijnplanten overtroeven ons met hun opgewekte aanpassingen aan de seizoensbeperkingen. Hun enige taak is bloemen en vruchten dragen, en dat doen ze nauwelijks of met tropische overdaad, afhankelijk van wat de regen toestaat. In het verslag van de expeditie naar Death Valley staat vermeld dat in de woestijn van Colorado na een jaar van overvloedige regen een drie meter hoog exemplaar van de amaranthus was gevonden. Een jaar later kwam dezelfde soort op dezelfde plaats in de droogte tot een volle wasdom van tien centimeter. Je mag hopen dat het land in zijn menselijke nageslacht vergelijkbaar talent aankweekt, om te presteren, niet om traag te proberen. De woestijnplant zal zelden het optimale formaat van zijn soort bereiken. Extreme droogte en extreme hoogte leiden beide tot dwerggroei, zodat we in de hoge Sierra’s en in Death Valley verwante soorten in miniatuur aantreffen, die bij gemiddelde temperatuur een behoorlijke grootte behalen. De woestijnplanten zijn het creatiefst in hun methoden om verdamping tegen te gaan: ze draaien hun blad een kwartslag tegen de zon, krijgen zijdezachte haartjes, scheiden stroperige gom af. De wind, die over lange afstanden vrijuit kan waaien, kwelt en helpt ze. Hij vormt duinen rond de gedrongen stammen, omsluitend en beschuttend, en boven die duinen, die zoals bij de mesquiteboom drie keer manshoog kunnen worden, kunnen de bloeiende twijgen gedijen en vruchten dragen.

Er zijn in de woestijn veel gebieden waar drinkbaar water op nog geen meter onder de oppervlakte ligt, aangegeven door de mesquite en de graspollen van Sporobolus airoides. Juist de nabijheid van onvermoede hulp vormt de tragiek van sterfgevallen in de woestijn. Volgens de verhalen zou het uiteindelijke bezwijken van het ongelukkige gezelschap dat Death Valley zijn grimmige naam gaf, zich hebben afgespeeld op een plek waar het door ondiepe bronnen gered had kunnen worden. Maar hoe moesten deze mensen dat weten? Met de juiste uitrusting is het mogelijk die afschuwelijke laagvlakte veilig te doorkruisen, en toch eist ze elk jaar haar tol aan doden, en toch vinden mensen er zongedroogde mummies, waar geen spoor of herinnering van rest. Dorst onderschatten, een bepaald baken in het land rechts of links laten liggen, een droge bron aantreffen waar naar stromend water is gezocht – in zulke gevallen baat niets meer.

Bij bronnen en ondergrondse waterlopen vind je tot je verbazing dezelfde waterminnende planten die ook welig groeien in vochtige grond, maar de echte woestijn kweekt zijn eigen soort, elk met zijn eigen habitat. De hoek van de helling, de oriëntering van een heuvel, de structuur van de bodem bepalen de plant. Op het zuiden gelegen hellingen zijn vrijwel onbegroeid, en de laagste boomgrens ligt hier zo’n driehonderd meter hoger dan elders. Oost-west lopende cañons hebben één kale en één begroeide wand. Rond droge meren en moerassen vertoont de flora steeds een vast, regelmatig patroon. De meeste soorten hebben nauw omschreven groeigebieden, de beste aanwijzing die het stemloze land de reiziger kan geven over zijn omgeving.

Mocht je ook maar even twijfelen, weet dan dat de woestijn begint met creosoot. Deze onsterfelijke struik verspreidt zich naar beneden Death Valley in en omhoog tot aan de onderste boomgrens, aromatisch en medicinaal zoals de naam al doet vermoeden, als een toverstaf, met ingekeept glanzend blad. Het felle groen is een lust voor het oog in een wildernis van grijs en witgroenig kreupelhout. In het voorjaar scheiden de struiken een harsachtige gom af die, vermengd met verpulverde steen, door de indianen in deze streken handig wordt gebruikt om de punten aan hun pijlen te lijmen. Laat het maar aan de indianen over om geen enkele gunstige eigenschap van de plantenwereld te veronachtzamen!

Niets van alles wat de woestijn voortbrengt illustreert dit zo goed als de ongelukkig gevormde boomyucca. De gekwelde stelten van ijle yuccabossen staan mistroostig op de hoge mesa’s, in het bijzonder op de driehoekige strook die oostwaarts uitwaaiert vanaf het punt waar de Sierra’s op het kustgebergte stuiten en langs de zuidpunt van de San Joaquin Valley strijken. De yucca heeft borstels van bajonetscherpe bladeren, matgroen, rafeliger naarmate hij ouder wordt, bekroond met pluimen van riekende groenige bloemen. Na zijn dood, die zich langzaam voltrekt, geeft de spookachtige holle wirwar van het verhoute skelet, dat nauwelijks rot, iets griezeligs aan het maanlicht. Vóór de yucca in bloei komt, als zijn bloesem nog een roomwitte, kegelvormige knop is ter grootte van een kleine kool, vol suikerrijk sap, wordt die door de indianen behendig uit zijn haag van dolken gedraaid en als lekkernij geroosterd. Zo kan het gebeuren dat je in door mensen bewoonde streken slechts zelden jonge planten van de Yucca arborensis tegenkomt. Andere yucca’s, cactussen, lage planten, honderden soorten, vind je als je vanaf het kustgebergte naar het oosten trekt. De schamele begroeiing van de woestijn laat zich niet verklaren uit onvruchtbaarheid van de grond of gebrek aan soorten, maar alleen uit het feit dat planten er meer ruimte vereisen. Er moet veel grond worden gereserveerd om er veel vocht aan te kunnen onttrekken. De echte strijd om het bestaan, het echte brein van de plant is ondergronds; daarboven is er ruimte voor een afgeronde, volmaakte groei. In Death Valley, berucht als de kwintessens van verlatenheid, groeien bijna tweehonderd geïdentificeerde soorten.

Boven de onderste boomgrens, tevens de sneeuwgrens en abrupt aangegeven door de zon, vind je breed uitgroeiende naaldbomen, jeneverbessen, met takken tot bijna op de grond, sering en salie, en hier en daar weymouthdennen.

Er is geen speciale overdaad aan zelfbestuivende of windbestoven planten, maar wel overal de behoefte aan en het bewijs voor insectenleven. En waar zaden en insecten zijn, zijn ook vogels en kleine zoogdieren, en waar die zijn, verschijnt de sluipende, scherpgetande soort die erop jaagt. Je kunt je zo ver in het hart van een verlaten land wagen als je durft, maar nooit kom je zo ver dat leven en dood niet voor je liggen. Kleurrijke hagedissen glippen rotsspleten in en uit en liggen te hijgen op het witte gloeiende zand. Vogels, zelfs kolibries, nestelen in de bosjes cactussen; spechten sluiten vriendschap met de duivelse yucca’s; uit de grimmige, boomloze woestenij klinkt de muziek van de ’s nachts zingende spotlijster. Mocht het zomer zijn en de zon al bijna ondergaan, dan zal er een holenuil zijn die roept. Vreemd, donzig, listig gedierte schiet over open plekken, of zit roerloos in de commandotorens van de creosoot. De dichter mag dan aan ‘alle vogels zonder geweer een naam hebben gegeven’, maar niet aan de op de grond levende, schielijke, kleine diertjes op feeënvoetjes van de regenloze streken. Ze zijn te talrijk en te snel; met hoeveel ze zijn geloof je pas als je de sporen van pootjes in het zand ziet. Het zijn bijna allemaal nachtarbeiders, die de dag te warm en te licht vinden. Midden in de woestijn, waar geen vee is, zijn geen aasvogels, maar als je ver die kant uit trekt, zul je hoogstwaarschijnlijk merken dat je zelf door hun hellende vleugels wordt achtervolgd. Een wezen zo groot als een mens kan zich niet onbespied door dat gebied bewegen, en ze weten heel goed hoe het met vreemdelingen omgaat. Hier kun je aanwijzingen vinden voor de manier waarop een land zijn bewoners tot nieuwe gewoonten dwingt. Vogels worden bij het nestelen soms verrast door het snel feller worden van het zonlicht aan het eind van het voorjaar, met een omkering van de normale broedwijze tot gevolg. Het wordt noodzakelijk eieren niet warm, maar koel te houden. In één smoorhete lente kwam ik in de Little Antelope Valley toevallig regelmatig voorbij het nest van een paartje veldleeuweriken, dat ongelukkig genoeg in de schaduw van een heel rank onkruid was gelegen. Behalve in de avond heb ik ze er nooit op zien broeden, maar ’s middags stonden of hingen ze erboven, half in zwijm met hun veren breeduit tussen hun schat en de zon. Soms gingen ze allebei tegelijk met gespreide en half opgeheven vleugels mee met een schaduwvlek in een temperatuur die me uiteindelijk noodzaakte ze uit mededogen een stukje doek te gunnen als permanente beschutting. In hetzelfde gebied stond een hek rond een weidegebied, en aan de vijftien mijl lange omheining van palen kon je altijd in elk strookje schaduw een paar vogels aantreffen; soms zaten de mus en de havik met afhangende vleugels en geopende snavel te kwijnen in het witte respijt voor de middagzon.

Mocht je aanvankelijk geneigd zijn je af te vragen hoe het mogelijk is dat zoveel wezens leven in het eenzaamste land dat ooit uit Gods handen kwam, wat ze daar doen en waarom ze blijven, je vraagt je dit niet meer af als je er zelf hebt gewoond. Geen enkel land neemt je zo voor zich in als dit uitgestrekte bruine gebied. De regenboogheuvels, het tere blauwige waas, de stralende schittering van de lente hebben de betovering van het paradijs. Ze misleiden je gevoel voor tijd, zodat je, als je er eenmaal woont, altijd van plan bent weg te gaan zonder dat het tot je doordringt dat het niet is gebeurd. Mensen die er hebben geleefd, mijnwerkers en veehoeders, zullen je dat vertellen, niet in zo bloemrijke taal maar wel met nadruk, om ondertussen het land te vervloeken en ernaar terug te keren. Allereerst is er de goddelijkste, schoonste lucht die je maar kunt opsnuiven in heel Gods wereld. Eens zal de wereld dit begrijpen en zullen de kleine oases op de winderige heuveltoppen een verblijfplaats en genezing bieden aan zijn lijdende nageslacht, dat de huizen moe is. Er is daar de belofte van grote rijkdom aan ertsen en delfstoffen, die zo veraf liggen van water en werkbare omstandigheden dat ze geen rijkdom vormen, maar de mens wordt erdoor behekst en verleid het onmogelijke te proberen.

Je zou Salty Williams moeten horen vertellen hoe hij gewend was spannen van achttien of twintig muilezels van het boraxmoeras naar de Mojave te drijven, negentig mijl ver, met zijn huifkar vol watertonnen. Op snikhete dagen werden de muilezels zo dol van de dorst dat het gerinkel van de wateremmer leidde tot een tumult van afschuwelijke, verminkte klanken, en een wirwar van leidsels en tuig, terwijl Salty hoog op de bok zat met het schelle schijnsel van de zon in zijn ogen, en met een vlakke, onverschillige stem sussende scheldwoorden riep totdat het kabaal van pure uitputting wegstierf. Langs die weg lag een rij ondiepe graven; ze hielden er steeds rekening mee dat er van elke nieuwe groep koelies die er in het hete jaargetijde werden gebracht altijd wel een paar omkwamen. Maar toen Salty zijn bijrijder kwijtraakte, onverwachts in de middagpauze geveld, stopte hij met zijn werk; hij zei dat het ‘te verrekte heet was’. Hij begroef de bijrijder langs de weg, met stenen boven op hem om te verhinderen dat de coyotes hem opgroeven, en zeven jaar later las ik de met potlood geschreven woorden op de vurenhouten zerk, nog altijd licht en onverweerd.

Maar al voor die tijd was ik, toen ik met de postkoets door de Mojave kwam, Salty weer tegengekomen op zijn weg naar Indian Wells, met zijn gezicht dat hoog boven de bok, gebruind en rossig als een oogstmaan, door het gouden stof van zijn achttien muilezels heen opdoemde. Het land had hem geroepen.

De tastbare sfeer van mysterie die in de woestijnlucht hangt brengt fabelen voort, voornamelijk over verloren schatten. Ergens binnen de strenge grenzen ligt, als je de verhalen mag geloven, een heuvel bezaaid met goudklompjes; één met een ader van puur zilver; en een oude leemachtige bedding waaruit indianen klei schepten om kookpotten te maken die bezet waren met korrels puur goud. Aan de rand van de woestijn ronddolende oude mijnwerkers, zo verweerd dat ze op de bruine heuvels zijn gaan lijken, kunnen dergelijke verhalen vol overtuiging brengen. Na een kort verblijf in dat land zul je ze op hun woord geloven. Het is de vraag of het beter is om geraakt te worden door de hoornratelslang uit de woestijn die zich zijwaarts beweegt en toeslaat zonder op te krullen, of door de overlevering over een verdwenen mijn.

En toch – en toch – verval je niet, om tegemoet te komen aan de verwachtingen, in een theatrale toon bij het schrijven over de wildernis? Hoe meer je ervan verlangt, hoe meer je krijgt, en ondertussen verlies je veel aangenaams. In dat land, dat aan de voet van de oostelijke hellingen van de Sierra’s begint en zich via allengs minder verheven heuvelruggen uitstrekt naar het Great Basin, kun je je vol vuur voelen, kun je genieten van intense levenskracht en subtiele genoegens, en kun je bij je dagelijkse bezigheden keer op keer door een streek komen die net zo groot is als een kuststaat aan de Atlantische Oceaan, en wel zonder gevaar en, naar onze mening, zonder speciale inspanning. Hoe het ook zij, mensen die de woestijn in trokken louter om erover te schrijven, waren niet degenen die de legendarische Hassaympa verzonnen, met zijn water dat maakt dat ieder die ervan drinkt de feiten alleen nog in een stralende krans van romantische kleuren kan zien en niet meer als naakte feiten. Ik, die er in tweemaal zeven jaar van rondzwervingen van moet hebben gedronken, weet zeker dat het de moeite waard is.

Voor de tol die de woestijn van een mens eist zijn er compensaties – diepe ademhaling, diepe slaap en het contact met de sterren. Met nieuwe heftigheid dringt in de stilten van de nacht tot je door dat de Chaldeeërs een in de woestijn geboren volk waren. De indruk van iets oppermachtigs is haast onontkoombaar als de sterren zich in de uitgestrekte heldere hemelkoepel onverduisterd van opkomst naar ondergang bewegen. Ze zien er groot en nabij uit en lijken te ademen, alsof ze op een majestueuze missie waren die geen verklaring behoeft. Bij hun baan naar hun plaats aan de hemel wordt het meelijwekkende gekrioel van de wereld ijdel. IJdel ben jij die daarbuiten ligt te kijken, net als de magere coyote die een eindje verder in het struikgewas staat en huilt en huilt.

Het land van weinig regen
Mary Austin
Oorspronkelijke titel The Land of Little Rain
Vertaling Barbara de Lange
Gebonden met stofomslag, 200 blz.
€ 21,50
ISBN 9789083237053 

Mary Austin

Uitgeverij Koppernik

Meld u aan voor onze nieuwsbrief en ontvang bericht bij nieuwe boeken.

Dank voor uw aanmelding.