Zeven jaar na zijn veelgeprezen Negen raven komt Willem du Gardijn met een nieuwe urgente verhalenbundel.

Een man trekt erop uit om een misdrijf te plegen, welke maakt niet uit, een vrouw met een zonneallergie bereidt een akelige verrassing voor haar man voor, twee vrienden ontmoeten elkaar in een restaurant en er ontspint zich een vreemde strijd.

De verhalen van Du Gardijns steken, zij hebben, zoals Roland Barthes dat omschreef voor de fotografie, een ‘punctum’ dat de begeerte, het verlies en het onbenoembare in ons leven aanraakt. Du Gardijns verhalen gaan over de spannende onberekenbare en tragikomische droefenis van een niet-weten dat eigen is aan alle vergankelijkheid.

Het grote vakantiepark stond op de longlist van de Bookspot Literatuurprijs

‘De dood en de wens te sterven komen regelmatig voorbij in deze verhalenbundel, zowel beklemmend als op een soort Hendrik Groen-manier. Du Gardijns gedistingeerde stijl levert verrassingen op.’ NRC Handelblad

Kranten hadden foto’s afgedrukt op de voorpagina, iedereen praatte erover. Het grote huis aan de Emmalaan was afgebrand. Zijn vader (de heer De Jonge), die sinds jaar en dag bij de posterijen werkte, was door de brand op een vreemde manier opgewonden. Hartstocht en shock waren met elkaar vermengd in zijn spreken over de oorzaken van de brand. Erover ophouden lukte hem niet. Hoe was het mogelijk! Het kon niet waar zijn!

Hij, de zoon, Ben, veertien jaar, had in de woonkamer zijn emoties moeten bedwingen. Zijn moeder, die met een schort voor vanuit de keuken met thee en chocolaatjes de woonkamer in liep, vond het allemaal zo erg niet, althans niet rampzalig. De Dooyeweerds waren ongedeerd, dat was het allerbelangrijkste. Het huis zou met verzekeringsgelden snel worden opgebouwd, zei ze.

Zijn moeder begreep niet waarom hij geraakt was.

‘Je bent er toch nooit geweest, schatje,’ zei ze terwijl haar hand op zijn schouder lag. Zij keek hem aan op een manier die hem niet zinde, te dichtbij. 

Hij had ‘nee’ gemompeld en was naar zijn kamer gegaan, midden in een nieuwe, alles relativerende zin van zijn moeder. Ze kon zo nuchter zijn. Maar niet over alles was zij nuchter. Er was één ding waarover niet gesproken mocht worden. Ook vandaag niet.

Eenmaal alleen op zijn kamer kon hij de tranen niet meer inhouden. Schokkend zat hij op de rand van zijn bed. Enkele minuten, daarna wist hij zichzelf te herpakken en was hij, half onder de dekens, gaan lezen. 

De brand had midden op de dag plaatsgevonden, zijn moeder had een uur staan kijken. Ze had gezien en gehoord (vertelde ze triomfantelijk) hoe de torenkamer was ingestort. Dat was volgens haar gepaard gegaan met een collectieve uitroep van met verbazing gemengde afschuw, oe, oo, nee, oo, nee, nee. 

Hijzelf was gekomen toen de laatste bluswerkzaamheden werden verricht. Niet tegen het vuur, maar tegen het smeulen van hitte, een beeld dat paste bij zijn herinnering aan de familie Dooyeweerd, één persoon ervan in het bijzonder. Smeulen was ongezien branden, hitte verspreiden over lengte van jaren. Smeulen was verwant aan slaapwandelen door het labyrint van een kinderlijk affect dat bedekt was door de eisen van een volwassenenleven met vrouw en kinderen, en een baan (net als zijn vader Jan) bij de posterijen. 

De leraren die hij die middag op school had, haatte hij zeer. Hij mocht niet weg terwijl de brand niet ver van zijn huis plaatsvond. Tijdens de les Frans, het zesde uur, was het duidelijk geworden dat het ging om een van de grote villa’s aan de Emmalaan. Vanuit de klas hadden ze rook gezien, er was een auto voor de school verschenen (hoorde hij zeggen, zelf had hij het niet gezien) waar twee kinderen in waren gestapt. Wie het waren was niet duidelijk. 

Tijdens de les wiskunde, het zevende en laatste uur die dag, rook hij de brand in de klas. De leraar had de ramen gesloten en hen tot werken gemaand. Van een goed geïnformeerde medeleerling twee rijen voor hem hoorde hij dat de brandende villa een torenkamer had. ‘Had,’ zei hij met nadruk, want hij was reeds ingestort. Nu wist hij het zeker, het ging om het huis van Alicia, haar huis stond in brand, allejezus nog aan toe. Alicia en haar broer Justus waren in die auto gestapt om naar huis te gaan. Waarheen? Naar hun eigen huis dat in de brand stond! Hoe kon je zoiets verdragen?

De rillingen liepen over zijn rug, hij stond op, probeerde het klaslokaal uit te lopen, maar zijn leraar wiskunde stond met gekruiste armen op de borst voor de deur.

‘Ben, je draait je nu om, je komt geen meter dichterbij,’ had hij gezegd. ‘Je gaat onmiddellijk zitten, die brand heeft niets met jou te maken.’

Hij zei dat de brand heel veel met hem te maken had. Het was doodstil in de klas. De leraar dreigde dat hij zich na het laatste uur melden moest bij conrector Schravendeel als hij niet onmiddellijk ging zitten. Melden bij Schravendeel was nog gruwelijker dan die laatste vijfendertig minuten in onzekerheid uit te zitten en dus nam hij braaf plaats op zijn stoel achter zijn met open schriften bedekte tafel. Terwijl het huis in brand stond moest hij met breuken en decimale getallen werken.

 Om kwart over drie, nog geen seconde na de bel, was hij naar huis gerend, of althans naar de Emmalaan, en daar, tussen een menigte van belangstellenden die vlak bij elkaar stonden omdat er als gevolg van de heg en de muur om de tuin maar enkele meters geschikt waren om het huis goed te zien (een paar nieuwsgierigen stonden op een stoel), zag hij wat zijn ogen niet geloven konden: het huis van de familie Dooyeweerd was verwoest door brand. Aan de rechterzijde was het dak eraf. Tussen de rookwolken door kon je in de verdiepingen kijken. De toren was weg, ongelooflijk. 

Van zijn buurman meneer Van der Elst, die als gebruikelijk een geruite pet droeg op zijn kale kop en rustig op zijn pijp stond te sabbelen, kreeg hij te horen dat met de familie niets aan de hand was. Verder zei hij: ‘Heb je gezien dat er politie is?’ 

Door brandweermannen in maanachtige pakken met helmen werden ze naar achteren gedrongen. Alicia en Justus ontdekte hij niet, wel zag hij tussen de brandweermannen en de politie het hoofd van meneer Dooyeweerd. Ook Alicia’s moeder meende hij te zien. Ze werden met dekens over de schouders weggevoerd naar een veilige plaats. Waarom was er politie? 

Voor de Dooyeweerds was niet alleen het aanzien van hun verbrande huis afschuwelijk, ook de nieuwsgierigheid van de samengestroomde mensen (waartoe hij behoorde) was onverdraaglijk. Er werden onvriendelijke dingen geroepen. Zij antwoordden niet. Achteraf had hij geprobeerd te beredeneren waar die ordinaire nieuwsgierigheid voor brand vandaan kwam. De Dooyeweerds waren slachtoffers, hun leven stond in lichterlaaie, maar daarom waren zij (in die vreemde ontzetting van hun aristocratie) ook heilig, onzienlijk. Als je leven verwoest werd had je contact met de goden, zoiets had hij gedacht en hij vond dat zeer vreemd, zo vreemd dat hij zich schaamde. 

Zijn vader Jan vond andere dingen vreemd. De brand had plaatsgevonden voor het middaguur, de duurste schilderijen waren niet meeverbrand, de gordijnen waren dicht geweest. Het was niet duidelijk of er iemand thuis was tijdens het ontstaan van de brand. Hij had meneer en mevrouw Dooyeweerd zien lopen met een deken om de schouders. Wat betekende dat? Verder was er sprake van achterstallig onderhoud, dat werd althans gezegd. De zaken van meneer Dooyeweerd gingen het laatste jaar niet voortvarend, hij had zich met Italiaanse zakenlieden ingelaten. Van het sporenonderzoek was niet veel te verwachten, verzekeringsagenten zouden worden omgekocht, hoorde je de volgende dag al zeggen. Hoe anders dan op een verkeerde manier kon je zo rijk worden?

 

Hij was veertien toen het grote huis afbrandde, het jaar was 1976. Nu was het dertig jaar later. Alles wat hij zich herinnerde was vals. Herinneren was vals. Tussendoor was hij zestien geworden, achttien, twintig, vijfentwintig, dertig, vijfendertig, veertig, vierenveertig. Hij was een volwassen man, veel van wat hij als kind wist had hij verloren. Hij was er ongelukkig onder dat hij uitdoofde. Wat herinnerde hij zich? Wat wilde hij zich herinneren?

Het ging om iets afschuwelijks, dat kon hij vanuit al zijn leeftijden zeggen. Verliefdheid was afschuwelijk, afstotelijk, onblusbare hitte verspreid over lengte van jaren. Er iets over meedelen was zinloos. Verliefdheid was zo intiem dat per definitie niemand in staat was je te volgen. Hij had het over de leeftijd van veertien, maar ook zestien en zeventien, de leeftijd van dwepers, de leeftijd van zelfmoordenaars, de leeftijd dat poëzie voor de eerste en enige maal echt geboren wordt. 

In de herinnering van de veertiger was het grote huis een sprookjesachtige mengeling van hout en steen. Er waren twee ronde erkers, er waren hoge ramen met rode en blauwe gordijnen, balkons met openslaande deuren en gedecoreerde houten balustrades waaraan bakken hingen met hangplanten. De muren waren wit en steenrood, er waren gevelornamenten, er was bloemwerk, er waren kroonbogen. Er was een glazen serre aan de achterzijde, er was die toren met leistenen, vier ramen en een glimmende koperen windwijzer in de vorm van een haan op de punt van het dak. Er was een gigantische tuin die het gehele huis omarmde, er waren rododendrons, mimosastruiken, roodbloeiende kastanjes, er was een tuinhuis, er was een vijver, er was een zwembad, er waren fonteinen en gebeeldhouwde mythologische figuren in de diepe achterzijde van het perceel waar de bomen het hoogst en het oudst waren. Er was een monumentale voordeur, een zogenaamde porte-brisée, maar die kon je pas zien als je het gewaagd had een stukje de oprijlaan op te lopen en dat ging niet zomaar want aan het begin van de laan stond een hoog hek met gietijzeren spijlen dat meestal gesloten was. Het hek was bevestigd aan twee manshoge pilasters met daarop de marmeren letters van de naam van de villa: Huize Ambrosius. 

De oprijlaan was gezien vanaf de weg aan de rechterzijde geflankeerd door een hoge gesloten beukenhaag. Achter die haag was een houten garage met ruimte voor meerdere auto’s. Auto’s verzamelen was een van de hobby’s van meneer Dooyeweerd. Ter linkerzijde van de oprijlaan was de heg lager en niet aaneengesloten. Op drie of vier plekken was een open stuk met een laag muurtje waarover de armen liepen van een roodbladige klimplant. Het was niet moeilijk over dat muurtje heen te stappen en de riante voortuin in te lopen, die een grote border had met oude struiken en enkele hoge coniferen. In een van de inhammen van de border, omgeven door een ronde stenen bank met mozaïekwerk, stond een beeld van de mythologische figuur Hermes met zijn door slangen omkronkelde herautstaf dat qua uitstraling en formaat de beelden in de achtertuin overtrof. Het was niet duidelijk of Dooyeweerd dit beeld zelf geplaatst had en hij zich op een of andere manier met Hermes identificeerde. Op school had hij geleerd dat Hermes de god was van de handel, van reizigers en dieven. Dat kon kloppen.

Net na een tweede flauwe bocht in de oprijlaan zag je de voordeur van het huis, die gemaakt was van glimmend teakhout, en links, rechts en vanboven gedurende de zomer omgeven was door een waterval van rozen. De voordeur met dubbel gluurraampje was zo breed dat je met drie man schouder aan schouder naar binnen kon lopen. Achter de voordeur (had hij gehoord) was een vestibule die groter was dan de woonkamer van zijn ouderlijke woning. Aan de kant van de Emmalaan, die als het ware een bocht maakte om de tuin, was een lange stenen muur waar het kind van veertien dat hij was, opklimmen kon om zich te vergapen aan de andere zijde, en dat deed hij want hij had een nieuwsgierig oog. Zijn ouders wisten dat, hij was (zo werd gezegd) ermee geboren. Hij vond het zeer vermakelijk naar mensen te kijken die anders waren dan hij. Soms vroeg hij zich af: wie heeft er gelijk, de mensen in het grote huis of de mensen buiten het grote huis? Alsof die twee werelden de enige waren die bestonden. 

Niemand had gelijk concludeerde hij toen de tijd daar was. Hij was getrouwd, had twee kinderen en veel liefde. Het was de vraag of liefde zijn herinneringen aan liefde veranderen kon. Of dat gewenst was? De meeste mensen prefereerden schijn boven eerlijkheid. De jongen klom in de warme zon van zijn eerlijke wereld op de muur langs de rand van de tuin, hij zag de imponerende achterzijde van de villa. Hij zag de serre met spiegelend glas, hij zag balkons met houten balustrades en het in de achtertuin gelegen met leistenen bedekte tuinhuis met ramen die verduisterd konden worden door blauwgeschilderde luiken met koperen haken. Het tuinhuis grensde aan een lagergelegen vijver in de vorm van een s waarin lelies groeiden en, naar men zei, palingen zwommen (of waren het karpers?), dikker dan de armen van een timmerman. Naast het tuinhuis lag in zijn oude herinnering (vals of echt?) een groot terras met steenrode tegels en een zwembad met helderblauw water. Naast het zwembad, tussen grote potten met hangende geraniums, op handdoeken groot als dekens, lagen in de zomer meneer en mevrouw Dooyeweerd en hun kinderen Justus en Alicia te zonnebaden. Vaak waren er welgestelde vrienden die van ver kwamen zodat zij moesten logeren. Naar verluidt sliepen logés in de torenkamer. Hij had als veertien-, vijftien- en zestienjarige vanaf de Emmalaan vaak naar de ramen van die kamer gekeken maar nooit het hoofd van een Italiaan gezien, want gasten die van ver kwamen, dat waren Italianen. Zij konden niet anders zijn dan bezienswaardigheden. 

Op goede zomermiddagen was het in de tuin van Huize Ambrosius een wirwar van stemmen, een wirwar van vriendjes en vriendinnetjes, van vreemde woorden uit vreemde talen. Zij stonden in de brandende zon met elkaar te praten, doken het zwembad in, lagen op handdoeken in de schaduw van hoge brede bomen. De jongens droegen zwembroeken met lange pijpen, de meisjes badpakken en bikini’s in felle kleuren. Soms waren de zongebruinde armen waaraan zilveren kettinkjes bungelden vriendelijk over elkaars schouders geslagen en likten ze (contraposto en zij aan zij) vredig aan een ijsje. Daarna, als de middag vorderde, begon het stoeien, eerst jongens met jongens en meisjes met meisjes, vervolgens werd er, geheimzinnig, gewisseld naar een code die iedereen zonder woorden begreep, en begon dat spel van tederheden tussen jongens en meisjes onderling. In het begin werd dat gespeeld met harde onverdachte aanrakingen, opgevoerd als een theatrale vorm van macht en overheersing waarin de ene de andere vloerde, waarin de ene op de andere zat of lag, de jongens meestal boven, benen uit elkaar, armen van een meisje gespreid op het gras, jongensknieën die spieren van meisjesbovenarmen rolden, zeer pijnlijk, een reden om het uit te gillen, te krabben en te slaan, maar waarvan de diepere bedoeling, zo wilde de natuur het, intimiteit was, streling, opwinding.

Zij bevonden zich in een onbetreedbare wereld met zilveren gebaksschalen, slagroom, ijsjes, chocolade, grote hoeveelheden vers gesneden fruit, vriendelijke met zonnebrandolie gevulde handpalmen die over bruine schouders en ruggen werden uitgewreven. En niet alleen over schouders en ruggen, had hij, hangende aan de muur, in een fractie van een seconde gezien. Er was iets gaande tussen haar en die Mattia, wiens naam opvallend vaak hard geroepen werd, allejezus. Waarom anders liet zij (in bikini zonnebadend op een ligmeubel met kussen aan de rand van het zwembad, misschien in onnavolgbaar Nederlands en giechelend de liefde besprekend met een evenzo in bikini zonnebadende vriendin op een ligmeubel links van haar) haar bovenbenen en buik door hem, die bruingekrulde Italiaanse jongen die op zijn knieën in het gras naast haar zat, insmeren met hertenmelk, als dat insmeren van haar bovenbenen en buik door zijn slanke atletische handen niet alleen praktisch, maar vooral zinnelijk en liefdevol was? 

Je kon klimmen op de muur, je kon kijken. Maar wat was de zin daarvan? Hij was veertien, zij was dertien, bijna veertien. Tussen hem, de muur en het tafereel in zijn herinnering sijpelde wreedheid. Hij hoorde haar naam, hij hoorde weer zijn naam, Mattia vieni. De Italianen, maar ook Alicia en Justus, schreeuwden onbeschaamd naar een Italiaans hondje (Perro, later Dido) dat eten of drinken mocht, cibo e bevande en dan waren er al die andere vreemd klinkende zangerige woorden, die hij ’s avonds laat nog hoorde weerklinken in zijn hoofd, als hij slapeloos in bed lag: per favore, si, molte grazie, ciao bella, ciao bello, vieni qui, amore mio, sei bella. 

Heimelijk keek hij over de muur naar dat Italiaans, naar dat luxueuze leven van Justus die een jaar ouder en Alicia die een jaar jonger was dan hij. Voor de eerste keer meende hij te horen dat Huize Ambrosius in Nederland voor de familie Dooyeweerd niet het beoogde eindstation was als het om Wonen en Leven ging. Hij hoorde de woorden in het Engels en Italiaans, United States of America, Stati Uniti, New York, Texas, vervolgens werd onder leiding van meneer Dooyeweerd en zijn Italiaanse zakenrelatie (een imponerende man met veel donker haar op zijn lichaam en brede schouders) aan de grote houten tafel met een nieuw uitgeserveerd drankje in de hand, dat spelletje gespeeld waarin om de beurt iemand een staat van Amerika moest noemen. Wie als eerste geen staat wist, zou nooit naar het beloofde land gaan. 

Kijken over de muur lag dicht bij voelen in fysieke zin. Voelen met armen en benen, pijnlijk ook, want een keer, toen hij slenterend door de uren van een warme zomermiddag het einde van de lange lommerrijke laan bereikte waaraan het grote huis lag en hij met veertien jaren in zijn zonovergoten armen de straat insloeg naar zijn eigen huis dat vier keer zo klein was, moest hij constateren dat hij met zijn meest recente sprong tegen de muur en de daarop volgende beklimming van het ruwe steen niet alleen een schram op zijn rechterknie had opgelopen, hij had ook diverse sneetjes in beide onderarmen, zodat hij met de korsten op knie en armen nog dagenlang aan zijn ongepaste nieuwsgierigheid herinnerd zou worden. Hij kon straf krijgen, vermaningen. Dat je iets helemaal niet goed deed lag altijd op de loer. Vingerwijzingen, terechtstellingen. Je kon als persoon geheel afgekeurd worden. Ook mentaal was de jongen aangeraakt. Heet ijzer hoorde bij wreedheid, brandmerken. Heet ijzer sijpelde niet, dat beeld was niet goed, heet ijzer ging niet ongemerkt en in kleine beetjes. Heet ijzer stoomde, siste, liet sporen na die onverwijderbaar waren. 

Hij voelde jaloezie. Jaloezie die niet licht verteerbaar was. Jaloezie die sterker wilde zijn dan hij. Stenen in de maag. Daarnaast riep het rijke overvloedige leven aan gene zijde van de met glasschreven beschermde muur droefenis in hem op. Droefenis waarvan zij met haar rankheid en uitgestreken lach het bevallige middelpunt was. Droefenis over de onvolkomenheid van zijn veertienjarige leven. Hij wilde aanbidden, dat lukte. Maar hij wilde ook aanbeden worden, dat lukte niet. 

Dat soort woorden als bidden en aanbidden en vereren zouden niet meer bestaan als hij eenmaal twintig was geworden en achter hem de eerste voorzichtige vormen van een labyrint zich aftekenden waarin hij zoeken kon naar zijn leven zoals het geweest was voor hij het verloor. Een klein geluk was dat die poëtische droefenis nooit alleen kwam. Er was altijd die jongensachtige, branieachtige motivatie om zijn onvolkomenheid in het gezicht te zien en te overwinnen. Hoe? Met daden. Wilde hij iets bereiken, dat voelde hij sterker dan ooit, dan moest hij moedig zijn. Hij moest zichzelf verbieden toe te geven, op te geven. Hij zou haar kussen, hij zou haar veroveren, dat. Alles was ronduit afschuwelijk in de binnenwereld van de verliefdheid, maar liefdevol en teder. Niets wilde hij kapotmaken. Toen hij veertien was en met zijn hoofd boven de muur uitstak. Toen zijn armen leunden op pijnlijk scherpe steentjes en scherfjes geel en groen glas. Het was een minuut of minder die laatste keer, want hoe snel zouden zij hem daar vanuit hun weelde wel niet zien, zijn nieuwsgierig oog, dat lichtbruine haar, zweet op zijn voorhoofd omdat hij wist dat hij te ver ging, te hoog kwam, iets deed wat zijn ouders afkeurden. Zijn vader Jan met name, dacht hij, zijn vader die ondanks zijn strengheid een paar maanden later (hoe ondenkbaar op dat moment) met een zeer onverwacht voorstel zou komen dat hij van zijn levensdagen niet vergeten zou. 

Vooralsnog had hij op die pijnlijke muur die zonnige middag in een ver verleden die andere vader, meneer Dooyeweerd, in het vizier. Hij was in zijn tuin omgeven door het licht van rijkdom. Hij was haar vader, haar strenge, rijke, hooggeplaatste, deftige vader. Hij, Hermes, bezienswaardigheid tussen de bezienswaardigheden, half ontkleed, een borst met zwart golvend haar net als zijn Italiaanse mannenvriend, zat op zijn knieën in zijn zwarte zwembroek met lange pijpen achter mevrouw Dooyeweerd, die op haar knieën op een handdoek in de zon net voor hem zat. Wat een liefdevol stel! Met zijn capabele hooggeplaatste handen smeerde hij zonnemelk uit over haar lenige schouders, haar schouderbladen, nek en bovenarmen. Het lange donkerbruine haar van haar paardenstaart viel voor haar schouder zodat hij geen vierkante centimeter van haar rug hoefde te missen. Wat een prachtig badpak had zij aan, rood gestreept, dunne bandjes met glinsterende gouden knoopjes, een laag decolleté dat absoluut Italiaans was. 

En dan de kinderen in de onvoltooid verleden tijd. Justus met zijn voorbeeldige krullen, zijn klaterende en schaterende lach. De tijd van matrozenpakjes en bootschoentjes was voorbij. Hij droeg een witte pet op zijn hoofd met een anker erop zodat hij op een kapitein leek. Iemand die nu nog niet, maar later zeker aan het roer zou staan, net als zijn vader. 

En Alicia? 

Hoe mooi was zij in dat badpak van zeer verfijnd blauw waar de hemel niet aan kon tippen, blauw afkomstig uiteraard uit Florence of Milaan. Haren hingen langs haar mooie gezicht en over haar schouders, nat minstens net zo aantrekkelijk als droog, hoewel ze dat zelf niet vond, want na het zwemmen zag hij dat zij vooroverbuigend met twee handen het water uit het kastanjebruine haar wrong om er daarna een witte hoofddoek om te vouwen zodat het natte haar, terwijl ze rondliep als een oosterse schone, nog sneller droog zou zijn. Als het haar droog was, zette ze het vast met een getande haarclip of een met kralen versierde speld. Ook uit haar mond ontsnapten Italiaanse woorden, vreemd lacherig uitgesproken, met de onzekerheid van een verstopte trompet, per favore, signora, da niente, buongiorno, buonanotte, ciao bello, en natuurlijk de hele tijd die ene jongensnaam.

Justus, Alicia, Mattia en nog een jongen en meisje, beiden met lang donkerbruin haar en een zonnebril, dronken cola of iets anders uit een hoog glas. Voeten trappelden in het water van het bad, terwijl naast hen, aan de grote houten tafel (waaraan zij eerder die dag dat spelletje met de Amerikaanse staten speelden), een dienstmeisje grote oranje sinaasappels aan het pellen was. Zij was niet het enige dienstmeisje, er liep er nog een rond in huis. Die maakte de bedden op, hield het huis schoon en prepareerde voor familie en gasten het avondeten, dat ongetwijfeld uit meerdere gangen bestond en Italiaansgeïnspireerd was met soepterrines, broodmanden, braadsledes, visschotels, port en likeur voor de heren, witte wijn voor de vrouwen, gebakschalen met ijs, koek en slagroom voor de kinderen. Voor het tuinhuis, op een lange eikenhouten, van oorsprong koloniale tafel in de schaduw van een huizenhoge kastanje die rood bloeide, zou over een uur de maaltijd genuttigd worden. Eenieder had zijn plaats in een rieten stoel aan die tafel, met aan de kop ervan, die net buiten het beschermde gebied van de rode kastanje viel, een hypermodern kaki zonnescherm dat aan een geknikte arm recht op de zon gezet was. Er stonden stapels borden en rieten manden met brood, bestek of iets anders, dat kon hij niet zien vanaf die muur. Er stonden karaffen met limonade, een glas met sigaretten, een glas met sigaren, een glas met gekleurde rietjes. Hij zag een grote schaal met groene druiven, een paar meloenen, een braadpan met kippenpootjes of gehaktballetjes als aperitief. 

Zijn tijd was voorbij, zijn tijd was op, hij moest zich naar beneden laten vallen. Niet omdat hij ontdekt was door de hooggeplaatste of door Alicia, maar omdat zijn armen pijn deden en hij in zijn hoofd de stem van zijn vader hoorde, die eveneens hooggeplaatst was (al werkte hij bij de posterijen) en hem streng verbood te doen wat hij deed. Zijn nieuwsgierigheid was een schande die ook hem trof.

 

Paperback met flappen, 192 blz.
Prijs: €
18,50
ISBN: 9
78 94 923 1348 5
Verschijnt: oktober 2018

Willem du Gardijn