Ontroerend poëtisch onderzoek naar Antwerpse wortels

De gedachte aan de twee leeft in de rotsen,
verbonden met een dik strooien koord.

Zo luiden de slotregels van een kleine Japanse parabel, over de archetypische Moeder en Vader. Moeder heeft een razende doodsdrift. Vader hunkert minstens zo hard naar meer geboortes. En wat heeft dat koord te betekenen? 

Seg Jan, zoagt tegen oe weurmkes. (Te vertalen als: ‘Zeg Jan, zeur tegen je wormpjes.’) Op dit aangeven van zijn dode moeder gaat de genoemde zoon tien dagen lang wroeten in zijn geheugen, dat misschien ook wel een geweten is. Overigens spookt niet alleen de moeder nog. Ook de dode vader wil niet vergeten worden. 

Alles bij elkaar blijkt de materie door en door menselijk, met gebrekkige liefde, aanlokkelijke zwartgalligheid en tot mislukken gedoemde huwelijken. 

In Gehuwde rotsen laat Jan Lauwereyns het verhaal maar stromen zoals het zich aandient, in de vorm van een nieuwe (en tegelijk superklassieke) kruisbestuiving: Augustinus met Boccaccio. Bekentenissen, met veel aandacht voor vader en moeder, in tien dagen, tien hoofdstukken, geschreven in de moedertaal. Met flarden van een soort Antwerps dat zich liever met het oor dan met het oog laat lezen. 

Tsjak, zoê, en voorts, en verder, wordt er getokkeld. Terwijl er buiten een pandemie woedt, bidt het binnenste tevergeefs om troost. 

Jan Lauwereyns (1969) is schrijver, dichter en neurowetenschapper. Zijn dichtbundel Hemelsblauw werd in 2012 bekroond met de VSB Poëzieprijs. In 2003 verscheen zijn roman Monkey business, die binnenkort opnieuw verschijnt. Iets in ons boog diep stond op de longlist van de Libris Literatuurprijs 2016. Hij woont en werkt in Fukuoka, Japan.

Over Iets in ons boog diep:

‘Een adembenemende beeldschone roman waarin nagedacht wordt op het hoogste niveau maar evenzo wordt gevoeld.’

De Standaard *****

sjappitter nougabolle

nulde hoofdstuk

seg Jan, zoagt tegen oe weurmkes, zeur tegen je wormpjes, zoiets zei Moeder, Ma, Yolande, Yoloant, Tante Joke, mijn moeder, ik schat, nee, ik weet heel goed, drieëndertig jaar geleden, ook rond oud en nieuw, zesentachtig, niet lang na de scheiding, of niet de scheiding maar het vertrek van Pa, Vader, Frank, Fraenck, naar andere oorden, groener gras, verder noordelijk in Antwerpen, of in de tussentijd ergens op een appartement in ’t Stadt

het was zo rond de kerst, ik maakte een videofilm met de camera die ik van den Bompa had geleend, een kloek ding, zo groot als een televisiecamera, met een korte draad die vasthing aan een nog kloeker masjien, zo’n halve ajskas, die je moest meesleuren as ge wa van de bewegende camera wou laten zien, zoals ik dat wou laten zien, ik maakte een videofilm, mijn eerste echte film, direct ook mijn laatste, waarin ik niet wist wat te vertellen, dus maar niks vertelde, een verhaal over het niet weten wat te vertellen, ‘Director’ noemde ik het, en de meeste tijd spendeerde ik aan het naspelen van een paar scènes uit beroemde films, High Noon, Dr. Strangelove, da soort 

tussendeur gezèed, ik goa maj ier ni druk moake oemtrengt spelling

en hoe en of dat juist of yojst of zjust gespelt moet worden volgens het Aentwaerps woordenboek, je kunt er zelfs een leerboek voor kopen, maar ’t goat er maj ni oem nog een nief toal te liêre

ook heb ik de indruk dat de stroom maar wil stromen, heel simpel, iêl iênvoudig, gin oeftletters, geen hoofdletters, oek gin punte of ander grief ter interpunctie, t’iênige da’k goan doeng is komma’s zetten

komma’s vin’k wel plezant, omdat ze zowat op grijnslachen gelijken, komma’s dus, oek die afkappingsdingeskes voor ’t syncoperen, en voer de rest de harde return, de zware slag, naar af, naar wit

tsjak

zoê

en voorts, en verder, tokkelen, tokkele, ni zoe rap as’k bezig zen te denken, niet zo snel als de gedachtestroom, maar zo ongeveer in de buurt

’t zal er wel wa ajgenoardig ojtzing, het zal er wel een beetje vreemd uitzien, maar ik wed dat je oor het makkelijker doorheeft dan je oog, dus lees maar hardop en verras jezelf met wat je verstaat, geheel privé, op wc bijvoorbeeld

enfin, ik moet hier niet te veel spelregels ojtlegge, maar iên van de dinge die’k wou doeng, was mijn taalspieren nog is flexe, mijn Antwerpse tong nog eens aan het werk zetten

want ik ben hard bezig mijn moedertaal te verliezen, zeg ik niet alleen, zegt Kim, mijn zus, de oudste zus, die in ’t Engels met mij babbelt, zegt ook Thomas, die mij onlangs verbeterde toen ik in Tokyo voor een publiek dat mij niet kon verbeteren een schoon woordje Vlaams probeerde te articuleren, goesting, goesting, zei’k, kun je in geen enkele andere taal zeggen, maar Thomas wist me te vertellen dat ik het verkeerd uitsprak, ik maakte er iets van dat bijna als hoesting klonk volgens hem, in ieder geval niet graef genoeg de g

een verongtschuldiging zal’k wel emme in ’t fajt da’k noêt de kaens krajg oem Vloms te klappe 

t’is ier altaj Engels of Japans, ni voer t’iên of t’aender, t’is gewoên zo

de moedertaal, de moertaal, het Nederlands, het neerlans, de ondersteekstok, nee, het Nederlands is mijn moedertaal niet, Aentwaerps is nog iet aenders, mor ’k em da noêt liêre schrajve

dus zit ik wa ’d in de knoei, ergens vis noch vlees, tussen wal en schip, wat me nog beter lukt is om in mijn tweede taal te schrijven, de taal die ik voor het eerst op school leerde, in het Sint-Stanislascollege in Berchem, een taal die ik direct als vreemd ervoer, maar die ik me daarna wel eigen heb gemaakt, tenminste qua schrijverij, tot op het punt om in dat deftig Nederlands sneller te kunnen schrijven dan iets da probèert oem da ’d Aentwaerps te vatte

mor ’k heb’t al gezei, ik ga mij niet druk maken over de consistentie, consistenz, en het allemoal mor laten drijven, alles maar laten stromen en nor bojte kôme gelak da’d ’et erojt komt

laten we zeggen dat ik de moedertaal niet wil opgeven

er is nog iet en da wil’k vasthoue

enfin, proberen toch

essayeren, zien wat eruit komt, soms vanzelf eerder Nederlands, oep aender momengte miêr van da ’d Aentwaerps, of iet in die richting, een hybride, een rommel, dat klopt, de rommel klopt, het is allemaal een rommel, maar misschien helpt het om het wat te laten waaien, wie weet laat er zich een soort orde waaien

seg Jan, zoagt tegen oe weurmkes, zei Ma, voor de camera, in majne ‘Director’, ze had zich speciaal opgetut ervoor, en ging in de leren zetel zitten, naast het namaakgeval dat voor open haard doorging, in de living van de villa op ’t Laar in Ekeren, ze keek met gusto in de camera, grijnsde en sprak wat ze zei, ze vond het allemaal maar onnozel, maar interessant genoeg onnozel om toch even mee te doen, dwars door of in het midden van haar despair, haar spleen

nu bedenk ik dat ik dat inderdaad bezig was te doen, tegen mijn wormpjes zeuren, toen al, en de hele tijd sindsdien, jaren en jaren, tientallen jaren, hier ook, werral, blijkbaar kan ik het niet laten, er zal wel een woord voor zijn, verslaving, narcisme, egocentrisme, zelfmedelijden, zelfbedrog, zelfbegoocheling, of ook zoiets dwars door of in het midden van een soort despair, een soort spleen, misschien gedeeltelijk zelfs haar despair, haar spleen, soit, het ding heeft geen naam nodig, maar draagt meestal wel een masker

stop, ander woord, zoals Ma placht te zeggen

ik ga dus tegen mijn weurmkes zoage

het moment is er goed voor, het is vijf over acht ’s avonds, hier in Fukuoka, ver ver weg van de moertaal, de neerlans, de zeventiende december van het eerste jaar van de nieuwe keizer, het jaar Reiwa numero uno, het tijdperk van de goede ordening, ook wel het jaar Anno Domino twiê duuzent nègeting, 2019, de 19 van covid-19, een opmerkelijk getal, voeg ik eraan toe, veel maanden later, bij een oefening tot redigeren

ik ben met andere schrijverij bezig, in andere talen, maar ik heb een venster, een opening, bijkans een maand, op 10 januari twingtigtwingtig moet ik naar Kuala Lumpur en dan is’t gedoan met dèes, dan moet ik terug naar ’t aender, en tussendeur zal’k oek nog wat andere dingen doen, met Miki rondtoeren in Shikoku, yes, yes, voor een dag of vijf, da zal zjust in’t midde valle van dèes

Miki, by the way, die nu effe voor een dag of drie met haar school op retraite is, basketbal on ’t spèle en zoê van die dinge, ergo, tijd, ruimte, l’espace littéraire, zoeda’d er ojtkomt wa’d er ier ojtkomt, zodat er uitstroomt wat er hier uitstroomt

het moment is er goed voor, want twintigtwintig kondigt zich aan als een rond getal, ook voor de tristesse, Ma twintig jaar dood, Pa zeven, tijd voor iets, voor hun, voor hen, ter ere, ter afrekening, nee, niet ter afrekening, maar ter bijrekening, iets van groei, van intrest

een Brusselse Frans schrijvende dichteres vertelde me dat ik met een vorig boek mooi wraak had genomen op mijn vader, daar schrok ik van, dat was de bedoeling niet, dus heb ik iets recht te zetten, denk ik, enfin, moet ik proberen, wil ik, moet

want de tristesse, die is er, nog altijd, en die vraagt om behandeling, wat lastig is, want psycholoog zijnde, heb ik een gezonde argwaan tegen alles wat psychologisch is, of niet alles, maar deels, zelfs grotendeels, argwaan tegenover de overmoed, dat de mens haar psychologie zou begrijpen, of de mijne, of die van om het even wie, en vanuit dat voorbarig, overmoedig begrip zou kunnen helpen, in plaats van, wat zeg ik, meer kwaad dan goed te doen

dus een walsje omtrent de tristesse, La Tristessa, naar de Mexicaanse hoer van Jack Kerouac die eigenlijk Esperanza heette, ja, La Tristessa, zelfs La Dolce Tristessa, niet tristezza, zoals het feitelijk moet in het Italiaans, sowieso blijkbaar al een liedje van den iêne oef den aendere balladeur

een kleine maand tijd voor dit verhaal, van La Dolce Tristessa, omtrent, en tussendeur, een paar knopen in mijn zakdoek, een paar foto’s alsnog gered van het roekeloze veelmaals wegwerpen, dankdank aan Kim en Nathalie die een paar van de oudere van Pa voor mij hebben gered, ook andere knopen in mijn zakdoek, snippers die ik heb uitgeknipt uit een heel reservoir manuscripten die ik al dikwijls heb proberen te deleten

maar die snippers willen mij niet loslaten, ook de foto’s niet, dus moet ik ze maar eens durven bezien, en aanvaarden, oanvère, nee, da’dis gin Aentwaerps, acceptère misschin

tien foto’s

iedere kiêr tien snippers

plus een sjappitterke

voer de rest em’k nog wa boeke op toafel ligge rond mij, die zal ik zo per toeval, of niet per toeval, vastpakken, zoals de wind waait, gelijk het komt, gelijk het uitkomt, per intuïtie, per inspiratie, ingefluisterd

de boeken spreken bijna, zelfs zonder ze open te doen, er is Charles Darwin, de pocket die ik mee had in de vlieger, in het vliegtuig, in tweeduizend, een verkorte Penguin Classics-uitgave van Voyage of the Beagle, wat ik mee had naar la Belgique voor de begrafenis van Ma, de pocket die mijn leesvoer was op het moment dat ze zich kapotmaakte, een boek dat volgekrabbeld staat met van alles, wanhoop, ongeloof, een verhoogd zintuiglijk bewustzijn in het uur dat alles in vraag stond

er is er ook één van mij, dat ik zelf heb volgekrast een jaar of twee terug, gekrast in twintigzeventien, geschreven in twintigtien, een zogenaamde verdediging van de poesy, waar veel niet van klopt, of niet veel van klopt, het gaat te kort door de bocht, of te belle-lettristisch

en nog twee boeken, als sparringpartner, of eigenlijk iên als sparringpartner, om mee te vechten en te worstelen, zoals ik dat soms graag doe met ferme boeken die mij enorm prikkelen, zowel goed als kwaad, slim als onnozel, vroeger ooit J.H. de Roder, en ook eens Alva Noë

deze keer zal ’t David Benatar zijn, denk ik, peins ik, medunkt, medoecht, zijn The Human Predicament: A Candid Guide to Life’s Biggest Questions, een aanstekelijk zwartgallig boek dat toch net niet met mijn gedachten overeenkomt, en dat ik juist daarom niet kan laten liggen

het andere boek, het laatste boek dat ik op tafel laat liggen is van Jennifer Michael Hecht, het sublieme Doubt. A History, waar Christopher Hitchens veel van de mosterd vandaan had, in zijn God Is Not Great, zelfs de titel

die boeken werken ook zowat als knopen in mijn zakdoek, als materiaal om de motor op gang te, hoe heet dat, to jumpstart, om met iets van John Ashberry te spreken, voor zover ik mij dat juist herinner

soit, ik noem hier namen, maar het is alleszins niet de bedoeling om dik te doen, alleen toe te geven waar ik zelf ook de mosterd vandaan haal, of niet zozeer de mosterd als wel de pingpongballen om terug te ketsen 

om terug te ketsen, of met een harde mep in elkaar te doen klappen, te doen imploderen

zoe iet

ongevèer

az ’k iet citèer, zal’k ’t deftig citeren, zo ingesprongen met de feitelijke tekst, en dan daarna, daaronder, zelf vertaald, oek al wèet ’k da’geulle allemoal Engels kunt, minstens zo goed als, of wellicht beter dan, mijn verjapanste zelf

ja ja

en oêr’t mor is règene

règene règene 

langst alle kaente

regen regen

allerwegen

rechte stralen 

water water

joep

en na veurojt

en ’k zal oek alles loate meespèle, wa’d’er oek binnewoajt

terwijl ik muesli zat te eten voor avondeten, las ik in The New Yorker een stuk over Robert Lowell en Elizabeth Hardwick, over hoe Lowell toch echt wel een eikel was, en in feite niet zomaar de mosterd haalde bij, maar gewoon ging stelen van zijn madame, die bezig was zijn ex te worden, het zijn van een eikel was niks bijzonders, maar dat stelen wel, inderdaad een probleem, het stuk draagt de ondertitel Robert Lowell, Elizabeth Hardwick, and the Ethics of Turning Life into Art, hier duidelijk met de implicatie dat Lowell fout zat

dat stelen, ja, fout, maar wat is de ethiek van kunst te maken uit het leven

waar zou je anders kunst van maken

of wat zullen we zeggen van the ethics of turning life into science 

or into war

of ook, wat zullen we zeggen van the ethics of nót turning life into art

geef mij toch maar een kunstenaar die zich door het leven laat inspireren

da moest ik nog effe van majne lèver

Jan Lauwereyns
Gehuwde rotsen
Roman
Paperback met flappen, 336 blz.
€ 22,50
ISBN 9789083089867
NUR 301
Verschijnt maart 2021

Jan Lauwereyns

Jan Lauwereyns - Uitgerij Koppernik
Uitgeverij Koppernik

Meld u aan voor onze nieuwsbrief en ontvang bericht bij nieuwe boeken.

Dank voor uw aanmelding.