Gedurig nader, de nieuwe gedichtenbundel van Huub Beurskens, ontleent zijn titel aan een stichtelijk embleem van Jan Luyken uit 1711. Maar in plaats van bij het besef van de vergankelijkheid van onze dagen alvast afstand te nemen van de ‘ijdelheid’ van het aardse leven, probeert de dichter juist voortdurend nader te komen tot dat ene en enige leven op aarde, dat daarbij door geen God maar meer dan eens door de mens zelf verstoord en vernield wordt. Het liefst zou hij tot in lengte van dagen kraaiend willen schommelen en daarbij de aarde zien draaien. Dat begeerde plezier is in elk geval te vinden in de taal van de gedichten in deze bundel, want die is gedurig in beweging, in allerlei vormen, nu eens zacht vloeiend, dan staccato, zwenkend of golvend, waarbij wat gezegd wil zijn niet zozeer beoogd is, maar veeleer als terloops ontstaat.

‘In alle opzichten is dit een waardevolle bundel, die echter vraagt om een geduldige lectuur. Ook waar de dichter anekdotes lijkt te ‘beschrijven’, staat ieder woord op zijn plaats om een optimaal literair effect te bekomen. Gedurig nader is door die diepgang en die stilistische finesse een unieke hulde aan de ogenblikkelijke ervaring, ook die van de poëzielezer.’  Mappalibri

‘Altijd is de taal verzorgd, altijd is er een poëtisch moment. Er is een gedicht in deze veelzijdige, fraaie, plezierig leesbare bundel dat een algemeen gevoel van nostalgie weergeeft.’ Meander

‘Het leven en de zinnen buitelen in, naast, door en over elkaar, als moesten zij iconisch zijn voor het leven waarover zij gaan.’ Poeziekrant

‘Wat doet de dichter? Wat moet de dichter? Hij moet de werkelijkheid beschrijven en tekenen met liefde voor detail, wat hij ziet en hoort. Je kunt jezelf vergeten, schrijvend, schilderend, lezend en dat is geluk en de zin van het leven.’ Tzum

‘Door de vele binnen- en eindrijmen wordt de inhoud voortgestuwd. Dat is iets anders dan verhaaltjes vertellen in poëzie. Uit de mond van zijn figuurcompositiedocent tijdens zijn studententijd aan de academie klinkt het als volgt: ‘Geen verhaaltjes,/ Beurskens, liever geen ogen of armen dan anekdotiek!’ Huub Beurskens vermijdt dit onder andere door neologismen te creëren, uitgebreide samenstellingen van woorden. Een woord als ‘nazomertegenvalavondzwerk’, dat is toch een werkelijkheid op zich? Wat een geluk dat Huub Beurskens die voor ons op zo’n gulle manier schildert.’ Poezieclub

GEDURIG NADER

 

Had niet Aelbert Cuyp maar ik in het midden

van de zeventiende eeuw het Bergachtig landschap

met ruiter en veedrijvers geschilderd (nu te zien in

Londen), was ook ik me gaan wijden aan bidden

 

de rest van mijn leven, dankend dat me gegeven

werd al dit zo te kunnen voorstellen als net

echt, dus ergens op deze aarde, als bestonden

daar die eiken, de wolken die stilaan aandreven

 

voor de nacht terwijl ze, zoals heel het tafereel

met de stad boven kalm water, de bergen erachter,

de koeien rustend op het pad, de ruiter die de weg

vraagt aan de jongen die ze hoedt, saffraangeel

 

van onderaf worden beschenen (‘door des Heren

Licht’ naar iconologen beweren), met een zachte,

laatste gloed, geloofd en geprezen had ik, en echt

niet omdat het moest. Kunstgeleerden suggereren

 

dat zodra de streng gereformeerde Cornelia Bosman

met Cuyp was getrouwd, zij hem verbood ooit nog

iets af te beelden, en dat hij van de Nederlandsch

Hervormde Gemeente diaken werd, weshalve van

 

na zijn veertigste geen enkel werk bekend is.

Had niet Aelbert Cuyp maar ik ergens in de, och,

loop der voorbije eeuwen het Bergachtig landschap

met ruiter en veedrijvers geschilderd, gewis

 

had ik het geweten: onverbeterbaar dit. Tot het knalt,

er nog wat fladdert misschien, en valt. Niet die ene

eend alleen, waar de verscholen jager geruisloos

op heeft gemikt, maar het water waarover het schalt,

 

de weerspiegelde torens, al wat opschrikt, het pad,

de schaapskudde die op de ruiter wacht, de benen

van het paard, herkauwend vee dat zich verslikt,

de bomen, onderhout, oevergras, groot hoefblad,

 

de bergen zelfs en heel de hemel in en buiten beeld

(ooit sneed men al 17 cm van de lucht), ja, ook de jager

zelf verdwijnt praktisch op slag in dag noch nacht.

Maar tot alles gat is is het mooi wat nooit verveelt:

 

de ruiter die de weg vroeg, de kudde schapen gehoed

om op zijn komst te wachten, de blik van de vrager

al op de overzijde gericht, de jongen die echter achter

hem wijst, dat hij dus niet verder kan, maar juist keren

 

moet (‘De Here!’ – de iconologen weer). Psalmodiëren

zou ik als Aelbert Cuyp in zijn galmende Dordtse kerk,

ongeïnteresseerd in mijn einde, de maat mijner dagen,

want gedurig nader, zoals niet slechts het geweer en

 

de vinger aan de trekker (‘Gods’): heel het verschiet,

ieder en alles, inclusief nazomertegenvalavondzwerk. 

Wie dit Berglandschap met ruiters en veedrijvers zagen

bekeken het in het licht dat het me mee scheppen liet.

 

IN WERKELIJKHEID

 

‘In werkelijkheid,’ lees je

op het bordje naast het schilderij,

‘is Jan Weissenbruchs poort’ van Leerdam,

waardoor je de stad uit

kijkt naar weiland met grazend vee,

‘een omgedraaide’, zie je dus

de toegangskant, want die was fraaier.

In werkelijkheid was rechts

ook niet rechts en misschien strooide

de meid met haar linker

het voer voor de zwarte kippen,

of waren het witte, waaide

het flink en voer het zeilschip langs,

terwijl je nu enkel de boegspriet

en, boven de gaanderij van de stadsmuur,

de masttop met takelage

ontwaart, alsof het stilligt, in een vaart,

en wie weet kwam er geen

oude man aan om te gaan zitten

op de stenen bank, praatte de vrouw

met de wasmand niet maar

schold ze omhoog, enzovoort.

 

De poort in werkelijkheid is al lang en breed

verdwenen. Of ik dat betreur? Nu

ik hier deze gave met sfeer en al heb?

Ooit leerden we op school ‘Leerdam:

glasindustrie’, maar ik was er net zomin

als in Aleppo’s citadel toen

daar vredig op banken werd gezeten,

duiven hun til wel weer vonden,

 

honden mank noch schichtig liepen,

een vrouw met kind halt hield om

een praatje te maken met een man,

al dat er in werkelijkheid nu geheel

omgekeerde, en nooit eerder zag ik zo

Weissenbruchs tafereel: geschonden.

 

VLUCHTLANDSCHAP

 

Was ik landschap, zou ik van de mens wegvluchten

kunnen, die dromer die aan strand en afgrond over-

weldigd door zijn eigengevoelens staat te zuchten,

de zelfzuchtige evenmenstuchtiger, levensberover

 

in woestijnzandweidsheid en uitgestrekte wouden,

als was ik voor al zijn handelingen, van zijn depor-

taties tot zijn ochtendwandelingen, slechts decor,

die af- en uitgravende verbruiker of toezichthouder

 

juist op het natuurlijk moeten blijven van natuur,

de godgezinde of juist goddeloze bemoeial vanwege

zijn gewisheid van het komen van zijn stervensuur.

 

Was ik landschap, zou ik in zelfvergetelheid gelegen

op deze planeet kunnen wachten voor de korte duur

die de mens er om zich in me uit te vagen gegeven is.

 

Paperback
56 blz.
Prijs: € 16,50
ISBN: 978 94 923 1346 1
Verschenen februari 2018

Huub Beurskens