In juni 1943 verscheen in Lugano een door Montale zogenoemde plaquette van vijftien gedichten, Finisterre. Deze gedichten, alle geschreven in de jaren 1940-1942, waren door zijn vriend Gianfranco Contini naar Zwitserland gesmokkeld. Ze zouden immers nooit door de Italiaanse censuur zijn gekomen, al was het maar vanwege het motto bij het eerste gedicht, ‘La bufera’, een citaat van de zestiende-eeuwse Franse dichter Agrippa d’Aubigné dat de blinde wreedheid en bloeddorst van prinsen aan de kaak stelt. Finisterre zou later een sleutelbundel blijken te zijn in het oeuvre van de Nobelprijswinnaar.

Deze integrale, tweetalige uitgave is vertaald en van aantekeningen voorzien door Liesje Schreuders. Cees Nooteboom schreef er een voorwoord bij.

 

‘Voor de liefhebber een onmisbaar boek.’ Cees Nooteboom

Een voorwoord van Cees Nooteboom en een lange inleiding van de vertaalster gaan vooraf aan de vijftien gedichten die deze bundel bevat: Nooteboom benadrukt de schoonheid van Montales poëzie ondanks of juist dankzij de schijnbare ondoordringbaarheid ervan en spreekt zijn bewondering uit voor de vertaalster, al zet hij hier en daar kritische kanttekeningen bij haar werk. De inleiding van Schreuders zelf is een verhelderende uiteenzetting over de persoon en de werkwijze van de dichter zelf en noodzakelijk om te lezen als je de poëzie van Montale wilt te begrijpen.’ Literair Nederland

‘De bovenstaande opmerkingen doen dan ook niets af aan het feit dat alle liefhebbers van Italiaanse poëzie en iedereen die belangstelling heeft voor het hachelijke metier van de poëzievertaling dit boek in huis zouden moeten halen.’ De Reactor

 

 

De storm

 

Les princes n’ont point d’yeux pour voir ces grand’s merveilles,

Leurs mains ne servent plus qu’à nous persécuter…

Agrippa d’Aubigné, À dieu

 

De storm die op de harde bladeren 

van de magnolia zijn lange maartse slagen 

en zijn hagel druipt, 

 

(het kristalgeluid verrast je in je nachtelijke

nest; van het goud dat is uitgedoofd 

op de mahoniehouten meubels, op de snede

van de ingebonden boeken, brandt nog

een korrel suiker in de schulp 

van je oogleden) 

 

de lichtflits die de muren 

en bomen in het wit zet en ze in dat 

moment voor eeuwig verrast – marmer manna 

en verwoesting – dat jij gegrift van binnen

met je meetorst tot je straf, en je aan mij 

bindt meer nog dan de liefde, vreemde zuster, – 

 

en dan de klap, hard, de sistra, het gesidder 

van tamboerijnen op de roverskloof, 

het gestamp van de fandango, met daarboven 

wat stokkende gebaren… 

Zoals toen

jij je omdraaide en met je hand, vrij

het voorhoofd van de wolk van je haren, 

 

mij groette – om het duister in te gaan.

 

La bufera

 

Les princes n’ont point d’yeux pour voir ces grand’s merveilles,

Leurs mains ne servent plus qu’à nous persécuter…

Agrippa d’Aubigné, À dieu

 

La bufera che sgronda sulle foglie

dure della magnolia i lunghi tuoni

marzolini e la grandine,

 

(i suoni di cristallo nel tuo nido

notturno ti sorprendono, dell’oro

che s’è spento sui mogani, sul taglio

dei libri rilegati, brucia ancora

una grana di zucchero nel guscio

delle tue palpebre)

 

il lampo che candisce

alberi e muri e li sorprende in quella

eternità d’istante – marmo manna

e distruzione – ch’entro te scolpita

porti per tua condanna e che ti lega

più che l’amore a me, strana sorella, –

 

e poi lo schianto rude, i sistri, il fremere

dei tamburelli sulla fossa fuia,

lo scalpicciare del fandango, e sopra

qualche gesto che annaspa…

Come quando

ti rivolgesti e con la mano, sgombra

la fronte dalla nube dei capelli,

 

mi salutasti – per entrar nel buio.

 

Aantekeningen bij het gedicht

La bufera’ / ‘De storm’

 

Algemeen

Het openingsgedicht van Finisterre, ‘La bufera’, het latere titelgedicht van Montales derde bundel La bufera e altro (1956), werd voor het eerst gepubliceerd in het tijdschrift Tempo v (1941), nr. 89 (6-13 februari), Milaan, p. 41. Het is dus van later datum dan de volgende gedichten in Finisterre. Montales keuze om het niettemin als openingsgedicht op te nemen en zo de chronologische volgorde van de totstandkoming van de gedichten te doorbreken, ten faveure van een meer narratieve opbouw, wordt uitgebreid becommentarieerd door Romano Luperini in Storia di Montale, p. 118.

 

Het gedicht is opgebouwd uit endecasillabi (elflettergrepige verzen), settenari en quinari (zeven- en vijflettergrepige verzen – zie de inleiding van deze bundel voor een bespreking van deze maatsoorten). 

 

In de studie naar Montale is er in de afgelopen decennia veel aandacht besteed aan de biografische achtergrond van de aangesprokene van dit gedicht, Clizia. Zie hierover verder de inleiding, vooral de derde paragraaf. 

De ‘storm’ van ‘La bufera’ is, samengevat, een verwijzing naar de Hel van Dante en naar de liefdesproblemen die de biografische en psychologische achtergrond van dit gedicht vormen. Maar daarnaast en daarboven is de storm een metafoor voor, of zelfs een allegorie van de Tweede Wereldoorlog – alle gedichten in Finisterre werden tijdens de eerste oorlogsjaren geschreven. In een brief aan Silvio Guarnieri van 29 november 1965 schreef Montale: ‘(…) De Storm (het eerste gedicht [van de bundel]) is de oorlog, vooral die oorlog na die dictatuur (zie motto); maar het is ook kosmische oorlog, van altijd en van iedereen.’ Deze brief wordt geciteerd in Eugenio Montale, L’opera in versi, p. 939.

 

De ene, elliptische zin waaruit dit openingsgedicht bestaat, kan worden opgevat als anakoloet, een ongrammaticale of onafgemaakte zin, maar ook als voorbeeld van de typische montaliaanse ‘catalogus-poëzie’: opsommingen van objecten, in dit geval gedicteerd door het tijdsverloop van de storm (‘de storm die… de flits die… en dan…’). 

 

Titel

De titel verwijst naar Dantes ‘bufera infernal, che mai non resta (Inf. v, 31. In de vertaling van Christinus Kops is dit: ‘De helse orkaan, die nimmer weet van rusten’.) In de tweede kring van de hel drijft een storm de zielen voort van hen die tijdens hun aardse leven aan wellust ten prooi vielen. Deze danteske storm is dus een vergelding voor ongeoorloofde, zondige liefde. 

Finisterre begint zo met een negatieve Natureingang, overigens net zoals een ander meesterwerk van de modernistische poëzie, The Waste Land van T.S. Eliot. De vraag is hoe het meteorologisch fenomeen vertaald moet worden. Bufera kan ‘storm’ of ‘orkaan’ betekenen en een derde mogelijkheid is ‘onweer’. Uit het gedicht blijkt dat er inderdaad een onweer losbarst: donder, bliksem en hagel. Toch valt deze vertaling af, omdat de verwijzing naar Dante niet over het hoofd kan worden gezien. In de Inferno is het beschreven fenomeen wat we in het Nederlands een ‘storm’ of ‘orkaan’ zouden noemen. Daarvan vond ik ‘storm’ het meest voor de hand liggend.

 

Eerste strofe 

Het ritme en de klanken van de eerste drie verzen imiteren het losbarsten van de storm.

 

  1. sgronda

Van sgrondare, ‘(helemaal) uit (laten) lekken, uitgieten, tot op de bodem leeg (laten) lopen’, verwant aan It. ‘(dak)goot’; in overdrachtelijke zin grondare (zonder s) ook gutsen, druipen, stromen (een gezicht van zweet, bloed uit een wond etc.). 

Frans Denissen vertaalt ‘sgronda’ met ‘strooit’. Mij lijkt ‘druipt’ beter omwille van de assonantie met ‘geluid’ (v. 4) en ‘uitgedoofd’ (v. 5). Bovendien past het beter in de context van een-dreiging-van-omhoog en is druipen intransitief, net als sgrondare. Zo blijft de vertaling dichter bij het originele lexicon. ‘Stort’ zou het onomatopeïsche van sgronda ook goed weergeven. ‘Strooit’ associeer ik toch – maar dat is persoonlijk – met Sinterklaas en met andere personificaties van seizoensgebonden gezelligheid. 

De vertaling van Frans Denissen is opgenomen in Eugenio Montale, De roos in de kermistent, p. 63. 

 

  1. magnolia

Bij Montale staat deze boom symbool voor de familie en voor het goede van het verleden dat bewaard en doorgegeven moet worden (vgl. de klassieke ‘lari’ of het joodse ‘verbond’. Zie ook het gedicht ‘De ark’ verderop in deze bundel.)

Clizia wordt gezien als de beschermengel van de dichter, de vergoddelijkte vrouw, de ‘christofoor’, brengster van verlossing. Op een hoger plan krijgt ze de functie van hoedster van de gehele beschaving, die door de uitbrekende oorlog en het fascisme en nazisme bedreigd wordt. Clizia heeft de taak de wereld van deze helse toestand te bevrijden. In Montales poëzie wordt deze ver uitgewerkte topos van visiting angel, gecombineerd met die van de stilnovistische of petrarkistisch aanbeden donna echter problematisch, zoals uit het vervolg van de bundel blijkt. Zie ook hierover verder de inleiding tot deze vertaling.

 

Tweede strofe 

Galassi, een van de vertalers van Montale naar het Engels, leest de suoni di cristallo (‘klanken van kristal’) als een mogelijke verwijzing naar de Kristallnacht, aangezien de vrouw die model heeft gestaan voor Clizia, Irma Brandeis, joods was. De liefde tussen haar en Montale werd door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog gestremd. Irma zou Italië definitief hebben verlaten na de totstandkoming van Mussolini’s rassenwetten in 1939 (zie Galassi, p. 540). 

 

In deze tweede strofe wordt een tegenstelling aangebracht tussen het koude kristal van de storm en de warme barokkigheden van het ‘nachtelijke nest’ (mahoniehout, gebonden boeken, misschien goud op snee). De dichter verbeeldt zich dat de aangesprokene (tu) wakker schrikt bij het losbarsten van de storm. Ze wordt gewekt door het geluid van de hagel buiten haar ‘nest’ (‘het kristal’); in tweede instantie blijkt dat het uitgedoofde licht dat in de kamer heeft gebrand, nog ‘nabrandt’ achter haar gesloten oogleden. 

De slaap waaruit de aangesprokene gewekt wordt was dus niet heel diep, ze bewaart daarin iets van het licht.

 

  1. guscio

Lett. zowel ‘schil’ als ‘schaal’ als ‘schelp’, maar ook ‘schild’ (van schildpad) en ‘schulp’, als in de uitdrukking ‘in/uit je schulp kruipen’. Er is voor ‘schulp’ gekozen omdat de schaalvormige holte van de oogleden de warme geborgenheid van het ‘nachtelijke nest’ herhaalt: de laatste, fatale schuilplaats vóór het losbarsten van de storm.

 

  1. il lampo che candisce

Lett. ‘de flits die wit’. Dit ‘witten’ is een bijna stroboscopisch effect van de bliksem. Denk aan ‘belichten’, ook in metaforische zin.

 

11-12. quella / eternità d’istante 

Lett. ‘die / eeuwigheid van moment’, met sterk enjambement dat de relatieve bijzinnen benadrukt. 

Het ‘eeuwige moment’ wordt door de aangesprokene, Clizia, binnen in zich meegedragen en verbindt haar aan de dichter. Wat hier gebeurt, is verder moeilijk te parafraseren. Montale aan Guarnieri (op. cit.): ‘Marmer manna en verwoesting zijn de bestanddelen van een karakter: als je ze uitlegt, vermoord je de poëzie.’ 

Eternità d’istante is een typisch montaliaans oxymoron, ‘ogenblikkelijke eeuwigheid’ of ‘momentele eeuwigheid’, alsof de eeuwigheid tot één punt, één moment in de tijd is teruggebracht en bevroren in de flits van de bliksem. 

Het ‘marmer’ tussen de gedachtestreepjes, het entro te scolpita (v. 13) van de eerst daaropvolgende bijzin, lett. ‘binnen in jou gehouwen’, wekt associaties met essere scolpita nella memoria, ‘in het geheugen gegrift zijn’. De woorden benadrukken de stolling, de letterlijke foto-grafie van de magnesiumflits. Het moment duurt ‘eeuwig’, omdat de aangesprokene het met zich ‘meedraagt’ (ch’entro te scolpita / porti, v. 13-14) als een onontkoombaar teken (‘in jou gegrift’) van de waarheid, waarvan ze de kennis deelt met de dichter. Het is echter niet duidelijk of de bijzin gerelateerd is aan het ‘moment’ of aan de marmo manna / e destruzione die dat moment met zich meebrengt (zie volgende aantekening). 

Misschien droomde Clizia ervan, van het moment dus, toen het onweer losbarstte en belicht de bliksem alleen nog maar de, nu verloren, waarheid van haar droom. Het moment is hoe dan ook haar lot, haar condanna (‘veroordeling’, straf), omdat het haar maakt tot wie ze is en ze er niet meer aan kan ontkomen, al zou ze willen. Tegelijkertijd rukt het haar los uit haar veilige warme nest, de metaforische voorwereldse slaap die voorafgaat aan de storm (vgl. het ‘duister’ van het laatste vers waar ze ‘intreedt’; het ‘duister’ van het afscheid dat in dialectisch verband staat met het gedoofde licht van Clizia’s omgeving, i.e. haar nest dat ze moet verlaten). 

Het moment is óók ‘verlicht’ in de relatie tussen de dichter en zijn geliefde, in de tijd die hen persoonlijk bindt: een moment van afscheid, dat in de herinnering vergelijkbaar wordt – Come quando, ‘Zoals wanneer’, v. 20 – met het moment van het losbarsten van de storm. In feite is ‘moment voor eeuwig’, ‘moment van eeuwigheid’, zoals hier is vertaald, het omgekeerde van ‘momentele eeuwigheid’. In het It. wordt het adjectief gevormd door een genitiefconstructie, d’istante, die in het Nl. niet goed is weer te geven.

 

12-13. marmo manna / e distruzione 

Dit zijn drie bijstellingen bij het ‘eeuwigheidsmoment’ van de bliksem. Ze vormen de drievuldige kern van het gedicht: het definitieve, het wonderbaarlijk-genadige en het verschrikkelijke, ofwel de verstilling, de hoop op hemelse redding en de vernietiging die met elkaar samenvallen. 

 

  1. più che l’amore

Dit vat ik, in navolging van wat de dichter er zelf over heeft gezegd in de aangehaalde brief aan Guarnieri, niet-reductief op als ‘meer nog dan de liefde’. ‘De liefde’ is hier categorisch, vandaar het lidwoord: hoewel er wel liefde tussen de dichter en de aangesprokene bestaat of heeft bestaan, staat er nu meer op het spel dan alleen maar de liefde. De lichtflits, het (daaraan voorafgaande) moment van de storm waarop de aangesprokene wakker schrikt en de vergelijking met een eerder moment, waarop de dichter en de aangesprokene afscheid van elkaar namen – het is een opsomming in drie delen van vergelijkbare realisaties in de tijd die zowel de aangesprokene als de dichter terugbrengen tot de essentie van hun bestaan, de inkerving, de openbaring zo men wil. 

Opvallend is dat de ‘opwekking’ van Clizia uit haar ‘nest’ (zij is een gevleugeld wezen, misschien een engel, misschien een stormvogel) en de daaropvolgende gebeurtenissen, allegorisch verbeeld door de storm, bij de dichter een vergelijking uitlokken met het historische moment dat zij het ‘duister’ inging. Het verlies en het afscheid, het haar-niet-meer-zien, worden zo gesublimeerd tot de mythische verlossing die Clizia de wereld brengt.

In haar Commento a “La bufera e altro” (p. 8) schrijft Marica Romolini: ‘Die “flits” wordt dus de trait d’union tussen de concrete situatie van een maarts onweer, de openbaring van Clizia, de kortsluiting van de herinnering, de aankondiging van de ophanden zijnde ramp van de oorlog en de cognitieve en verlossende rol van de poëzie.’

De vraag is dan nog waarom de aangesprokene een strana sorella, ‘vreemde zuster’, wordt genoemd. Moeten we dit opvatten in de oudtestamentische betekenis van ‘vrouw die als echtgenote zowel vreemd als verwant is’, zoals Romolini doet? Dit lijkt wel wat vergezocht, maar niet zó ver, als je bedenkt dat de verbintenis tussen de spreker en de aangesprokene, als we de dichter moeten geloven, meer dan de (romantische) liefde alléén is. Ze is ook een historische verbintenis, in en door de tijd. Tegelijkertijd is de aangesprokene ‘vreemd’ in de ogen van de dichter, misschien juist omdat hij haar nooit helemaal heeft kunnen bereiken of begrijpen. 

 

Vierde strofe 

Op de hagel en de bliksem volgt de donder, eerst de harde klap en dan het ‘gesidder’ van de ontlading als het geluid van sistra (een soort tamboerijnen), sonoor uitgedrukt met sterke alliteraties van s, r, f. Hiermee zijn we ook weer terug bij de oorlog als frenetische, danteske dans aan de rand van het ravijn.

 

  1. fossa fuia

Lett. ‘diefachtige kuil’ of ‘graf’, opnieuw een referentie aan Dante (Inf. xii), namelijk aan de malebolge, kloven met groteske duivels waar onder anderen dieven worden gestraft. Tegelijkertijd zijn de beelden ontleend aan D’Annunzio’s La nave. De kuil is ook en vooral ‘diefachtig’ omdat hij levens eist. Denissen vertaalt, heel mooi, met ‘grijpgrage groeve’ (op. cit.).

 

  1. e con la mano

Galassi e.a. wijzen op een mogelijke intertekst van ‘A Silvia’ van Leopardi, waarin Silvia met een handgebaar vooruitwijst naar haar dood.

 

  1. sgombra

Adj., dannunziaans, van werkwoord sgombrare, ‘vrijmaken’, ‘leegmaken’; zie hieronder.

 

  1. nube 

‘Wolk’, dannunziaans. Zie La nave, p. 223 ‘scrolla il capo per liberar la fronte dalla nube dei capelli’: ‘ze schudt haar hoofd om haar voorhoofd te bevrijden van de wolk van haar haren’. Over het dannunziaans woordgebruik van Montale zie Luperini, Storia di Montale, p. 45: ‘Het hergebruik van zegswijzen of woorden die aan de [in klassieke zin] “panische” D’Annunzio zijn ontleend, leidt niet tot verslapping in de richting van sensuele zachtheid of tot mythologische verwarringen c.q. verwikkelingen, maar tot een dramatische vibratie (vandaar de niet zeldzame dantismen).’

 

21-22. e con la mano, sgombra / la fronte dalla nube dei capelli 

De nogal ingewikkelde intertekstuele verheldering van Luperini hierboven wijst de lezer op een classicistisch gebruik van sgombra. Dit adjectief krijgt zo zowel een attributieve als een predicatieve functie. Misschien is het zelfs een verkorte vorm van het participium sgombrata ‘het vrijgemaakte voorhoofd’, oftewel ‘nadat je het voorhoofd (met je hand) hebt vrijgemaakt’. Sgombra is dus, als prolepsis, het resultaat van Clizia’s handbeweging die overgaat in een afscheidsgroet. Aan de hand van deze interpretatie heb ik vertaald met ‘vrij het voorhoofd’, waarin hopelijk dezelfde classicistische stijl doorschemert. 

 

Vertaling Liesje Schreuders
Paperback met flappen, 140 blz.
€ 18,50
ISBN: 9789492313362
Verschenen oktober 2017

Eugenio Montale