Betoverende roman van de nieuwe literaire ster 

Het verleidelijke en meanderende Drang is een intiem portret van lezen, schrijven en creatieve obsessie. Terwijl de hoofdpersoon werkt aan haar roman, die al lang ingeleverd had moeten zijn bij haar uitgever, raakt ze in de ban van het werk van Rilke, Dürer, Chantal Akerman en anderen. Ze fotografeert de bewoners en zwerfhonden uit haar buurt, spookt rond in boekwinkels en galerieën en legt haar gedachten vast in een geel notitieboekje, dat al snel haar werk aan de roman volledig overschaduwt.

Terwijl de winter nadert, wordt ze door een reeks ingrijpende voorvallen steeds onzekerder totdat een intense en tedere gebeurtenis alles verandert.

Drang – een verhaal over artistieke ambitie, persoonlijke crisis en de mogelijkheden en de tekortkomingen van de literatuur – is een betoverende roman van een van de meest gedurfde schrijvers van dit moment.

‘Heel precies legt Kate Zambreno haar drang om te schrijven bloot in deze onweerstaanbare, soms pijnlijk openhartige memoires.’ Het Parool

‘Een goede roman geeft een genadeloos beeld van zijn tijd. Precies dat doet Kate Zambreno met Drang.’ De Morgen

‘Eén grote denkoefening over wat een schrijver nog wil en kan in deze tijd… Springerig, meanderend, bovenal intiem en menselijk.’ Tzum

‘Levendige, van vorm veranderende literatuur die beurtelings inzichtrijk, intiem, speculatief en boosaardig is. In haar zoektocht om het rijke potentieel van de vorm te onthullen is Zambreno niet bang om te laten zien waar ook zij van gemaakt is.’ Claire-Louise Bennett

‘Betoverend… Zambreno’s persona op de pagina is een tracker van stemmingen en gevoelens die zich niet zomaar willen laten vullen en vormen met woorden.’ The New Yorker

‘Vol humor en openhartigheid.’ The New York Times Book Review

Drang legt het grillige ophouden en weer beginnen, de schaamte, vreugde en verveling vast die nodig zijn om een kunstwerk te maken.’ The Paris Review

‘Een prachtig boek dat laat zien hoe het leven zwanger kan zijn van mogelijkheden, zelfs en vooral als we ons geïsoleerd voelen… Met de melancholische pracht van zijn proza is Drang het perfecte boek voor het moment waarin we leven.’ The Boston Globe

‘Een genre-tartend dagboek van alledaagse texturen… Drang brengt de zoektocht naar een nieuw genre in kaart, een zoektocht waar Zambreno al haar hele carrière mee bezig is.’ The Los Angeles Review of Books

‘Volkomen verkwikkend… Een meditatief, radicaal zelfbewust boek.’ The Observer

‘Geef jezelf over aan de golvende muziek van deze gewaagde roman en laat je meeslepen op de rusteloze reis van het creatieve ontwaken van de verteller.’ Esquire

‘De perfecte lectuur voor deze geïsoleerde, onbestemde tijd.’ Elle

In de zomer van 1907 mijmert de dichter Rainer Maria Rilke in een brief aan zijn vrouw vanuit Parijs over drie takjes heide in een met blauw fluweel bekleed pennendoosje dat vlak voor hem op zijn bureau ligt. Hij laaft zich al dagen aan deze pracht, die in haar vorige brief was gevouwen. De dichter vermeldt de verschillende tinten en textuur van de heide, het intense groen doortrokken van goud, als een borduurwerk van lichtpaarse zijde in een Perzisch kleed geweven, de rijkgeschakeerde herfstgeuren, zwaar en haast diep als het graf, maar ook wind, teer, terpentine en ceylonthee, en daarnaast harsig als wierook. Op dit punt bestaat zijn huwelijk vrijwel uitsluitend uit briefwisselingen. Zijn vrouw, de beeldhouwster Clara Westhoff, woont in hun hoeve in Duitsland en zorgt voor hun jonge dochter, Ruth. Ze kon het niet langer aan om een nomadisch kunstenaarsbestaan te leiden, met studio’s in Parijs en in Rome, en Ruth achter te laten bij haar grootouders op het platteland. Rilke schrijft Clara dat hij zich oprecht schaamt dat hij niet gelukkig was toen hij de gelegenheid had tussen deze overvloedige heide te lopen, toen ze bij elkaar waren in dat wittebroodsjaar, de bloemen van de stadszomer zagen – de dahlia’s en hoge gladiolen en rode geraniums. In deze brieven zoekt hij naar een proza als het weer dat hij zo gedetailleerd beschrijft, een taal die hij kan verheffen voor zijn roman, waaraan hij bijna een decennium zal werken. Kijken en werken, schrijft hij Clara. Zo verschillend van elkaar. In deze brief, waarin Rilke mijmert over de vleug heide, de heide waaraan hij nauwelijks aandacht had besteed toen die met velden vol in zijn blikveld danste, deelt hij zijn inzicht over de ondraaglijkheid van de dag, en het verband met schrijven: ‘Men leeft zo ontoereikend, omdat men altijd incompleet, hulpeloos, afgeleid, de werkelijkheid betreedt.’

In de zomer van 2015 was het de bedoeling dat ik zou werken aan Drang, een boek waarvoor ik een contract had, al sinds ik in deze stad was komen wonen en een verdieping had gehuurd op de begane grond van een uitgewoond victoriaans huis in een lommerrijke buurt zo ver van het centrum dat het bijna een buitenwijk was. De titel van het boek was ontleend aan een gevoel, en ik wilde me door dat gevoel heen schrijven. Wat ik eigenlijk wilde was mijn heden op papier zetten, wat onmogelijk leek. Hoe kan een alinea een dag zijn, of een dag een alinea? Maar ik slaagde er maar zelden in om in de ruimte te zijn, of in die alinea, op het moment zelf. Ik merkte dat ik altijd afgeleid was.

De mensen van de uitgeverij zeiden dat ik een roman schreef, maar zelf had ik mijn twijfels. Wat ik ze niet vertelde was dat ik het liefst een boekje wilde schrijven over dwalingen, dieren. Een flinterdun object, een geest. Vervuld van de fonkelende mogelijkheid van een boek, maar ook van een soort verlamming. Misschien schreef ik een roman, op de manier van Robert Walser, zijn korte teksten als stemmingen en uitweidingen. ‘Voor mij zijn de schetsen die ik zo nu en dan maak kortere of langere hoofdstukken van een roman. De roman die ik schrijf is altijd dezelfde en zou kunnen worden omschreven als een veelsoortig, in plakken gesneden of aan stukken gescheurd boek over mezelf.’

Wat is een drang? Misschien is een drang een soort vorm.

Ik ben al een tijd geïnteresseerd in het schrijven dat plaatsvindt als er niet wordt geschreven. Overdag mail ik veel met Anna, een succesvollere schrijfster in een andere stad. We staan allebei al een paar jaar onder contract voor onze respectievelijke roman. Kunst is tijd, schrijft Anna, en dat geldt zeker voor een roman, dat hoort traag te gaan; het duurt zolang het duurt. Die hele zomer waag ik me aan de tijd. Ik probeer de dagen niet te laten wegsijpelen. Ik probeer in de ruimte te zijn, weg van het internet. Die zomer begin ik met het bijhouden van een notitieboek, naast de gebruikelijke zwarte dagboeken die zich opstapelen als grafstenen, en ik beschouw dat als mijn Drang-notitieboek, het kanariegele omslag past goed bij mijn uitgave van Walsers De Tanners, waar ik elk seizoen weer een klein stukje verder in lees, zonder het ooit uit te krijgen.

Ik strek mijn nek en zie het eerste van de gele notitieboeken op het tafeltje aan de andere kant van de kamer, op een stapel met andere, helemaal of deels volgeschreven dagboeken, aantekenblokken, geprinte notities, pagina’s van manuscripten, foto’s. Ik had mijn naam en adres in het gele notitieboek geschreven, al had ik mijn achternaam een klein beetje veranderd, waardoor ik het gevoel had dat ik de fictionele ruimte had betreden. Het notitieboek was voor een roman, Drang, maar het is een ander boek dan het boek dat ik nu probeer te schrijven. Ik was verrast om deze notities in het notitieboek aan te treffen. Deze Drang wilde een detective zijn, of misschien een moordmysterie. Als iets uit een Antonioni-film. Op zoek naar iets wat ontbrak of was kwijtgeraakt, maar ik wist nog niet wie of wat.

Zoals de zomers verglijden, in de voetsporen van mijn kleine, zwarte terriër, Genet, die lichtpatronen volgt en verschillende donkere vormen aanneemt op het kleed of op de houten vloer. Hij loopt nerveus heen en weer in mijn werkkamer, zit bij de deur te wachten, berust er uiteindelijk in een tijdje op de namaakschapenvacht onder mijn bureau te liggen, een van die lekker zachte plekjes die ik overal in huis voor hem heb gemaakt. Hij vindt het niet fijn om stil in mijn werkkamer te liggen, er is geen enkele bron van daglicht in de buurt, geen enkel raam waardoor hij naar buiten kan kijken. Om echt te kunnen nadenken moet ik hem negeren, met zijn verlangen om eten te krijgen, om te spelen, met de bal die hij in mijn hand drukt. Ik voer hem mijn stukjes gedroogde mango, die ik eet om op iets leerachtigs te kunnen kauwen, kauwen bij wijze van denken, denken bij wijze van kauwen. ’s Ochtends, als John naar het museum is vertrokken, de ene na de andere kop koffie, het geheim is om er niet te veel te nemen, en om eraan te denken dat ik ontbijt – granola, yoghurt en fruit, of de ene geroosterde boterham na de andere. Het geheim is eraan te denken het internet uit te zetten en het ook uit te laten. Het geheim is om te proberen stil te blijven zitten. De afleiding van Genets geblaf. Zijn periodieke salvo’s naar mogelijke inbrekers. Het geblaf over en weer met Fritz, de krankzinnig blonde labradoedel van de buren, die keft door het raam op de begane grond van het vaalgele vrijstaande huis. Het psychotische geklepper van de brievenbus, het hart van mijn hond bonkend in zijn kleine maar stevige ribbenkast. Een lage grom die aanzwelt terwijl hij door het huis stuift, gierend de bochten neemt, krassende nagels, op weg naar het voorraam, een blafsalvo omdat er weer iets wordt bezorgd voor het appartement boven, zijn sympathisch zenuwstelsel waar ik op teer, zijn paranoia en intensiteit die ik deel. Ik zie de postbode die op de stoep zijn kleine bruine sigaretjes rookt. We zwaaien naar elkaar. Ik vermoed dat hij er eentje opsteekt zodra hij hier is geweest. Hij heeft me gezien in verschillende stadia van ontkleding, nadat ik de hele dag op de bank heb gehangen, naar een scherm starend. Zoals ik, als ik binnen ben, vaak naar mijn mailbox kijk alsof het een orakel is, om mezelf eraan te herinneren dat ik nog altijd besta.

Fragiele Fritz. Nietzsches bijnaam. Ik heb een keer geprobeerd hem te aaien. Hij houdt niet van andere honden of zelfs van andere mensen – een echte einzelgänger. Ik moet ook denken aan de Oostenrijkse schrijfster Marianne Fritz, zoals zij binnenbleef met haar papiertjes en eindeloos schreef aan haar steeds ondoorgrondelijkere en steeds onleesbaardere oeuvre. Ik ben nog steeds gefascineerd door wie in de literatuur wordt geromantiseerd als kluizenaar en wie, door binnen te blijven, eenvoudigweg als gek wordt beschouwd. De waanzin van schrijven versus de waanzin van niet schrijven. Walser die niet naar Waldau ging om te schrijven, zei hij, maar om gek te zijn.

Gooi je aantekeningen weg, raadde de ongepubliceerde mannelijke schrijver me aan, op het dieptepunt van mijn geestelijke inzinking, tijdens mijn eerste zomer hier. Dat was toen ik aan een ander boek werkte, met als titel de naam van een land. Zoals bij alles wat ik deze afgelopen jaren heb gedaan, wilde ik me in dit boek verdiepen in literaire somberte. Maar ik had niet meer dan mijn aantekeningen. Fragmenten van dit boek bestaan in ongedefinieerde en gemankeerde toestand, in notitieboekjes, aantekenblokken, in dozen, op eindeloze papiertjes en in bestanden op mijn computer. De mannelijke schrijver stuurt me zijn aantekeningen over Nietzsche, geschreven tijdens de eerste jaren van zijn studie, met neurotische trivialijsten over welke filosofen ongetrouwd zijn gebleven. (De meesten, merkt hij op, behalve Hegel.) Is mijn fascinatie voor de aantekeningen makende vrijgezellen door hem in gang gezet? (Robert Walser, Kafka, Nietzsche, Wittgenstein, Joseph Cornell, Fernando Pessoa en ook Rilke deden het voorkomen alsof ze vrijgezel waren.) Hij was nog geen dertig, beet zich erin vast dat hij nog geen roman had gepubliceerd. Als een achtentwintigjarige Kafka die zich, met de nodige ambivalentie, in zijn dagboeken neerzette als een veertigjarige vrijgezel.

Ik besta uit literatuur, biecht Kafka op in een brief aan Felice, in het prille begin van hun relatie. Hij refereert aan hun gesprek over Goethe, toen ze elkaar net hadden leren kennen, in de woonkamer van de Brods. Ik ben niets anders en kan niets anders zijn.

De hele zomer zit ik in de kapotte Adirondack-stoel op de veranda, leef in het heden, in die tranceachtige staat van zien, als de dieren. Mijn notitieboek op schoot, mijn boeken om me heen. Het terugkerende verlangen om niets te doen. Zoals Genet me aanstaart, met zijn amberkleurige ogen, en ik hem aanstaar. Ergens uit de stapels op mijn bureau zou ik een beduimelde print kunnen opvissen van een gedeelte van Susan Sontags ‘The Aesthetics of Silence’, dat me duidelijk maakt dat dieren niet kijken maar staren. Ik trek aan de kleine witte Sontag-hanenkam van mijn hond terwijl hij op zijn zij rolt zodat ik zijn zachte, roze buikje kan aaien of ik pak hem op om een kus op zijn kleine apensnuit te geven. Genet ligt rustig op de veranda, soezerig van de zon, hij komt af en toe overeind en ploft dan weer neer, zoekt afwisselend een plekje in de zon of in de schaduw als zijn vacht oververhit raakt. In de zomer kijken we naar de paarse vlinderstruik onder aan het trappetje, waar de vlinders omheen dwarrelen. Maar de huisbaas snoeit hem terug in het najaar en afgelopen zomer heeft hij helemaal niet gebloeid. Een regel uit Sontags dagboeken die ik keer op keer in mijn notitieboek schrijf: ‘Alle grote kunst draait in wezen om contemplatie, dynamische contemplatie.’

 

Rustig maar, rustig maar, zeg ik tegen Genet als er honden passeren, en hij gehoorzaamt door zachtjes maar beslist te grommen. Samen kijken we naar de honden die door de buurt paraderen. Ik zwaai naar de Nepalese vrouw die in het appartementencomplex op de hoek woont en die de grijze pitbull met de glanzende spierbundels uitlaat die nog een puppy was toen we hier kwamen wonen. Ook is er de yorkshireterriër die steeds wild blaft vanaf haar hooggelegen plek in een gebouw midden in de straat. Ze zijn eigenlijk allemaal zo gevoelig, deze stadshonden, al zijn ze niet in staat dat bij elkaar te onderkennen. De slungelige, manische Duitse herder-puppy met de ijzige blik, en zijn baasje, een oudere, gespierde personal trainer die altijd in korte broek rondloopt en met zijn moeder, die in een rolstoel zit, in onze straat woont. Terwijl ik dit schrijf, realiseer ik me dat de herder geen puppy meer is maar een volwassen hond, al heeft hij nog wel de springerigheid van een puppy. Ik vraag me vaak af of de trainer denkt dat ik lui ben als hij me met mijn zonnehoed op de veranda ziet zitten, waar de hond en ik de hele buurt aan ons voorbij zien trekken. Maar ik ben aan het werk, maak aantekeningen en ik denk na. Het is niet zomaar luiheid, heb ik besloten, maar meer wat Blanchot désœuvrement heeft genoemd, wat op verschillende manieren is vertaald, als ‘nietsdoen,’ ‘indolentie,’ ‘ledigheid,’ ‘inactiviteit’ of, en die vertaling vind ik de mooiste: ‘werkeloosheid’. Een mentale instelling, actiever, meer iets van de-creatie. De toestand waarin het schrijven van het fragment de plaats inneemt van het werk zelf. Kafka die in de late uren het ene na het andere notitieboek volschrijft, in de woonkamer, deken op schoot, een doek over de kooi met kanaries zodat ze stil zijn, de rest van het gezin in slaap. In zijn notitieboeken beklaagt hij zich over de fabriek, over Felice, over zijn gezin, en later over alle tijd die hij moet steken in de publicatie van zijn eerste bescheiden boek, Beschouwing, wat ten koste gaat van potentiële literaire prestaties. Maar als het dan eindelijk zover is en zijn werk wordt gepubliceerd, wordt hij bevangen door paniek dat er zo weinig is voortgekomen uit alle uren dat hij in het holst van de nacht in zijn reeks notitieboeken heeft zitten schrijven, uit de fragmenten die sporadisch in tijdschriften zijn gepubliceerd. In stilte beklaagt hij zich over al die kunstgrepen om een tekst gereed te maken voor publicatie, terwijl hij ernaar verlangt het werk in alle vrijheid vorm te laten krijgen. Waar hij naar verlangt is een nieuw proza. Ik mail Anna, vraag haar of ik de titel van mijn boek moet veranderen in Beschouwing, naar Kafka, of in Contemplatie, een alternatieve vertaling. Nee! – een reactie van één woord. Het is irritant, de schrijfcrisis van een ander. Net als de lijsten met titels die ze me stuurt. Natuurlijk is dit niets anders dan hardnekkig uitstelgedrag. We hadden die zomer allebei een deadline – haar boek is inmiddels uit en prijkt op alle lijstjes. Ik ben nog altijd waar ik was.

Alleen binnenshuis kan er echt sprake zijn van alleen-zijn, schrijft Marguerite Duras. Buitenshuis is er een tuin; daar kunnen katten en vogels zitten. ‘Maar binnenshuis ben je zo alleen dat je je houvast kunt verliezen.’ Pas nu, schrijft Duras, dringt tot haar door dat ze in het huis woont waar ze tien jaar lang haar boeken heeft geschreven. Pas nu dringt tot mij door dat ik hier al zeven jaar zit.

In De wandeling neemt de verteller afstand van zijn writer’s block, zijn kamer vol spoken, en begint aan een picareske wandeling rondom de stad en over het platteland. Zoals Walser in zijn haveloze pak honderdtwintig kilometer loopt, als een manier om niet te bestaan, om te verdwijnen in het landschap. Zijn wandelen, net als zijn schrijven, een teken hoezeer hij volkomen opgaat in alles. Ik wil schrijven over de oudere vrouw die ik met een zekere regelmaat tegenkom als ik de hond uitlaat. Ze zal ergens in de negentig zijn en ze woont in haar eentje in het grote, vervallen geel-met-bruine huis op de hoek – de vaalbruine dakspanen die bijna uit elkaar vallen. Ze draagt een haarband in haar zilvergrijze bobkapsel, een beetje meisjesachtig, en om haar magere lijf slobbert een soortgelijke sleetse uitdossing, meestal een blauw of roze overhemd met witte strepen en daaronder een beige herenbroek met hoge taille. Als het weer het toelaat zit ze vaak op het trappetje van de veranda voor haar huis, haar rug tegen de pilaar, haar gezicht naar de zon gekeerd. Soms zit ze daar met een kleine kat die kortgeleden is opgedoken, en staart wat voor zich uit. Dat is haar buitenkat, zegt ze, ze heeft ook een binnenkat. Ik zwaai naar haar en soms zwaait ze terug. En dan zie ik dat ze de stoel naar binnen brengt. Soms staat er langere tijd geen stoel buiten en maak ik me zorgen om de vrouw. Ik denk vaak aan haar, zo helemaal alleen in dat grote holle huis. Misschien gaat ze ergens heen waar het beter weer is. Misschien heeft ze ergens familie.

Er zijn seizoenen dat ik de oude vrouw geregeld zie, meestal tijdens mijn ochtendwandeling, als ik met John meeloop naar het station. Andere keren gaat er een maand voorbij zonder dat ik haar zie. Als we elkaar tegenkomen en gedag zeggen, herhaalt ze een van haar vaste zinnetjes: Lekker weer voor een ommetje, of Wat een lieve hond. Soms zie ik haar op een andere plek dan haar veranda of haar tuin, en loopt ze traag over straat. Deze vrouw heeft iets van mijn moeder, als het mijn moeder vergund zou zijn geweest om oud te worden. Misschien komt het doordat ik mijn moeder vaak op haar knieën in ons voortuintje in de buitenwijk heb aangetroffen, in haar kaki broek, onkruid uittrekkend. Als ik iets tegen de oude vrouw zeg, komt ze dichter naar me toe, ik vermoed omdat ze me nauwelijks verstaat – wat ook de reden kan zijn voor haar standaardzinnetjes – en zie ik een mond vol rotte en gouden tanden. Heerlijk weer om te tuinieren, zeg ik, en zij volgt haar script: Mensen denken dat ik arm ben, zegt ze, omdat ik er anders wel iemand voor zou inhuren, maar mijn dokter zegt dat tuinieren heel gezond is. Uw struiken staan er prachtig bij dit jaar, zeg ik tegen haar, hoewel het gras bruin en dor wordt, maar daar zeg ik niets over. Ze vraagt me vaak welke dag het is, en soms vertel ik het haar, maar in de zomer, als alle dagen in elkaar beginnen over te lopen, weet ik het soms zelf niet meer, en dan staan we daar een poosje te staan, zonder enig idee waar in de week we ons bevinden.

 

Wat zitten er voor personages in je roman, vragen ze op de uitgeverij, en gebeurt er iets?

In een boek over architectuur las ik dat de omgeving van de woonwijk de ruimte van de kindertijd is. En het is alsof ik me weer in mijn kindertijd bevind, alsof ik weer loop en fiets door de lommerrijke buurt die in de zomer verlaten is als een spookstad. Afgelopen zomer zag ik tijdens een ochtendwandeling een van de hondjes die ik me herinnerde van een vermiste-hondjesflyer – steeds weer nieuwe flyers die over de vergeelde en gescheurde exemplaren heen worden geplakt – maar hij verdween achter een van de leegstaande en vervallen victoriaanse huizen die er in het daglicht uitzagen als een ruïne. Ik fietste nog wekenlang rond, op zoek naar de witte spookchihuahua, die zo was geschrokken toen wij in de buurt kwamen wonen, vooral omdat Genet had besloten ook door het lint te gaan. Ik maakte me zorgen over het beestje, bang en bibberend, helemaal alleen.

Kate Zambreno
Drang
Roman

Oorspronkelijke titel Drifts 

Vertaling Nicolette Hoekmeijer

Paperback met flappen, 336 blz.
€ 24,50

ISBN 9789083237022

Verschijnt september 2022

Kate Zambreno

César Aira
Uitgeverij Koppernik

Meld u aan voor onze nieuwsbrief en ontvang bericht bij nieuwe boeken.

Dank voor uw aanmelding.